Feeds:
Berichten
Reacties

Niets.

Niets, antwoordde ik, toen mijn lief constateerde dat ik vandaag thuis was en mij (of zichzelf) de vraag stelde naar wat ik van plan was. Misschien moet ik de TV opzetten en naar de lentebeelden staren om het niets nog wat te benadrukken. Niets. Ik zet koffie. Daarna thee. Denk aan de dingen die ik straks allemaal niet ga doen. De tijd verdwijnt zonder dat ik kijk. Ik ben bang dat elk woord al is gezegd, elk boek al is geschreven. Wij zijn eindeloze heruitzendingen van hetzelfde.

Een windvlaag verrast de rondhoppende ekster. Het tafereel zou het voorwerp kunnen zijn van een grappig filmpje op een internetsite. Identiteit is: allemaal lachen met hetzelfde. Ontroering op bestelling in de middagpauze. Het leven is een format waar niemand aan ontsnapt. In de seconde dat we sterven flitst niet langer ons leven ons voorbij, iemand heeft er al een timelapse van gemaakt.

Op Twitter heeft iedereen ofwel dezelfde mening, ofwel een tegengestelde. Grapjes over Goede Vrijdag, we leven immers op de ruïnes van de judeo-christelijke cultuur. Haantjes op een mestvaalt zijn we, een rist onbeduidende mieren met veel kolder in de kop, maar uiteindelijk toch weer onderweg, nergens naartoe. We krioelen van hier naar ginder, liefst allemaal tegelijk. We kibbelen gelijk de kiekens, over eender wat, gewoon om ons niet te vervelen. We zoeken naar de hoogste stok om te kunnen schijten naar beneden. We zijn kikkers die langzaam garen in in het water. Och ja.

De Jezus van de Week komt uit Antwerpen en geeft pleinen weg. Hij zegent de bijen en zal binnenkort van een snelweg een vruchtbare akker maken en die vervolgens verdelen onder zijn volgelingen die er biologische patatten op zullen kweken. Ze zullen Hem eren door Zijn voeten te wassen met hun okselhaar dat weelderig geurt naar mirre en patchouli. We willen allemaal terug van waar we komen: in de kut van onze moeder. Als dat niet kan een Hof van Eden, waar de leeuw en het lam vredig grazen in de zon. Een heilstaat van arbeiders en boeren, minus de vervuiling en waar uw gebuur op magische wijze weggeeft wat gij net nodig denkt te hebben. Een commune waar niemand met je drank of je sigaretten gaat lopen, en waar je je vuur altijd terugvindt. Een collectief van denkers met één enkele gedachte. Een tropisch paradijs waar de aarde altijd goed en gul en genadig is.

De Jezus van de Week steekt een sigaret op en nipt van Zijn blended whisky, en kijkt nadien peinzend in de verte. Dan zucht Hij diep en vertelt een parabel die van scherp denken en een diepzinnige natuur getuigt. De Jezus van de Week verschijnt soms op feesten waar Hij met Zijn ingehouden cool en een koptelefoon op 1 oor bakelieten plaatjes draait.

Wat als er niets gebeurde?

 

 

De dichter (deel 2).

Kortverhaal, 2de deel en ook einde. Voor deel 1: kijk hier.

 

-          Schatje, wie was dat aan de telefoon?

Hij ligt in de zetel, de afstandsbediening naar het scherm gericht als een pistool. Driftig drukt hij op de volumeknop.

-          Godverdomme, dat spel reageert hier niet. Hoeveel keer heb ik eigenlijk al gezegd dat hier nieuwe batterijen in moeten eigenlijk?

-          Geen enkele keer, denkt ze bij zichzelf, maar ze herkent de irritatie in zijn stem en houdt daarover maar haar mond. ‘Het was Katty’.

-          Katty? Waar heb je het over, vrouwmens? Heftig schudt hij het bakje heen en weer en probeert zo het laatste sprankeltje energie uit de oude batterijen te puren.

-          Ewel, Katty. Aan de telefoon.

Hij duwt op de pauzeknop, en plots is het stil in de kamer.

-          Katty, van mijn werk, verduidelijkt ze als ze zijn lege blik ziet. Vast het resultaat van die 2 gin & tonics als aperitief, 3 pintjes bij het eten en nu stevig aan de rode wijn bij wijze van dessert. De ziel van Bacchus, zo noemt hij het. De kortste weg naar broodnodige inspiratie en verlichting, een barrière tussen zijn gevoelige natuur en de rest van de wereld.

-          Wat moest ze? Kan die ons nu nooit eens met rust laten? Het was net zo gezellig.

-          Vind je? Ze slikt haar woorden nog net op tijd in. ‘Ze wil dat ik kom werken. Het autosalon begint en er is een meisje ziek gevallen.’

-          Wanneer? Nu toch niet? Huilerig zegt hij: ik wil niet alleen zijn vandaag.

-          Maar je hebt toch je playstation? probeert ze. Je was gisteren nog aan het zeggen hoe weinig tijd je tegenwoordig nog had om eens helemaal te ontspannen.

Hij grijpt haar arm vast, stevig.

-          Ga niet. Bel terug en zeg dat je toch niet kunt. Niet vandaag.

-          Marcel, laat me los. Ik moet gaan, we hebben het geld nodig.

-           Zeg jij nu dat ik te weinig verdien?

Ze verstijft.

-          Neen, neen, zeker niet. Maar het is gewoon dat we volgende week de huur moeten kunnen betalen. Weet je wat? Ik zal je pijpen, daar ontspan je vast een beetje van.

Ze knielt, en begint zijn broek te openen. Hij laat begaan. Ze neemt zijn slappe kleine lid in haar mond en begint te zuigen. Misschien heeft ze haar hand overspeeld, bedenkt ze, en ze drijft het tempo op. Gebruikt haar handen en maakt zijn favorieten smakgeluidjes in de hoop dat ze deze keer wel zijn lul tot leven kan wekken.

-          Trut, zegt hij na een tijdje.

Hij klinkt verveeld, en dus gevaarlijk. Hij grijpt in haar haar en trekt ruw haar hoofd opzij. Ze geeft mee als een lappenpop, maar ook dat is een verkeerd antwoord. Met zijn vrije hand geeft hij haar een harde klap in haar gezicht. Ze weet dat ze moet beginnen huilen, maar in plaats daarvan lacht ze. Hard, schaterend, minachtend. Loser, grinnikt ze. Ze weet niet of ze het enkel denkt of ook luidop zegt.

Net voordat hij haar de trap afschopt flitst de gedachte ‘ik moet Katty bellen, want zo kan ik niet gaan werken’ door haar hoofd. Hij zet zich terug in de zetel en verbreekt na een paar uur spelen zijn persoonlijk record op zijn spelconsole.

Na enkele jaren in de gevangenis komt Marcel vrij. De dichtbundel die hij vervolgens publiceert wordt met nog meer enthousiasme dan anders onthaald. Critici en lezers speuren naar verborgen boodschappen tussen de regels, speculeren over de opdracht ‘voor M.’ vooraan in het boek. Hij zegt dat alles hem spijt, maar dat ook hij recht heeft op een nieuwe kans.

Onrust.

Er zitten mieren in mijn vingers, kriebels in mijn keel. De wind waait in mijn kop en er hangt nevel rond mijn hart. Het spookt in mijn hoofd. ’s Nachts is alles plots veel duidelijker, afgelijnder, omrand. Dromen als visioenen, achteraf probeer ik die haarscherpe inzichten terug te vatten. Het is als vissen vangen met je blote handen. Je ziet iets, denk je, in de rand van je blikveld. Dan is het weer weg, en je hoort enkel nog de echo van een echo in de verte. Een schaduw van een schaduw op de grond. Je weet dat er iets is achter weten, maar je grijpt in het niets. Soms kun je net iets verder kijken dan de horizon. Er is iets dat eeuwig op het puntje van je tong blijft liggen en dat je niet krijgt ingeslikt. Soms stik je er in.

Ik kijk altijd over mijn schouder, bang voor alles wat ik ken en wie ik ben geweest. Ik ben niet meer dan de som van mijn gebrekjes, mijn afgevijlde kantjes en mijn kleine criminaliteit. Mijn kapotte nagels en mijn slordigheid.

Als een kat die op jongen staat ga ik door de kamers van het huis. Snuffel aan het bed, laat mijn handen glijden langs de leuning van de trap, op zoek naar oneffenheden die ik nog niet ken. Inspecteer de boeken op het rek, lees hier en daar een zin. Leg het daarna geërgerd weg. Ik zoek iets en ik weet niet wat. Ik verlang naar een leven dat niet zo ijdel lijkt als het mijne. Naar grootse dingen die gebeuren, naar minder dagelijkse dingen en losse eindjes die ik niet aan elkaar geknoopt krijg. Na al die jaren nog steeds niet. Na al die jaren heb ik nog steeds het gevoel dat ik op de drempel sta met de deurklink nog in mijn hand. Wachtend tot iemand zegt: nu gaat het gebeuren. (Nooit gebeurt er iets, nooit echt).

Ik heb het startschot gemist en nu is het te laat.

Herinnering. Hoe gul je was aan de oppervlakte, hoe krenterig vanbinnen. Alles was een afweging, een rekening die later op de tafel gelegd zou worden. Uiteindelijk wordt alles enkel in centen geteld en waren mijn valuta leeg en zonder waarde. Er was zoveel dat jij niet toonde en wat ik niet wist. Als een braaf kind kleurde ik de plaatjes in, netjes binnen de lijntjes.

Op het einde was ik de hond die je nooit meer in huis zou nemen, zonder dat het persoonlijk was bedoeld.

Wie is van hout?

Ik weet nog hoe je mij begroef in je stilte voor de storm. Hoe je mij vergat tot ik niet meer bestond. Ik weet nog hoe ik stilletjes kon sterven elk gegeven ogenblik. En hoe jou dat niet deerde. Ik weet nog hoe je mij scalpeerde, terwijl je zacht een liedje zong. Ik weet nog hoe je mij gevangen hield, en hoe ik daar dan woonde tussen hangen hier en wurgen daar. Ik weet nog hoe je mij verdronk in een bad met rozenblaadjes. Mijn witte kousevoeten gingen stuk toen ik ploegde door de dorre aarde, op zoek naar vals geluk. Mijn sluier scheurde, terwijl ik koorddanste tussen jouw beloften en jouw leugens. Een dwaallicht was je, klatergoud, een spiegeling in de lucht, een kasteel van zand en wolken.

Ik, ik verwarde weer eens wens en werkelijkheid. Ik rafelde aan de rand, dommelde in het wiegen van de wind. Van het verstrijken van de tijd weefde ik een nachtjapon en terwijl ik een vrouw werd, stak in jou een kind de kop op.

In het labyrinth werd ik weer wakker, het geluid van een absoluut nulpunt in mijn oren. Een schreeuw uit het verleden weerklinkt in de kleur van gestolde melk en doorzichtig albast. Verder is er er niets. Geen zon noch maan, geen ster of steen, geen zee die ruist of klotst. Geen vogel die schreeuwt, geen kind dat huilt, geen man, geen vrouw, geen vis. Geen slang en geen gevallen engel. Geen boot of voerman waagt zich hier. Hier is geen wijn, geen bron, geen duif. Dit is niet oud, dit is niet nieuw, dit is altijd al geweest en over honderd jaren nog. Dit is noch Noord noch Zuid, noch Oost noch West. Dit is niet thuis en dit is niet elders weg. Dit is niet dag of nacht, dit is niet heel of hol. Hier daagt de morgen niet, hier kondigt zich geen schemer aan. Ik leef niet en ik ben niet dood.

Van de aarde af ben ik gevallen.

Lucht van lood, een jurk van prikkeldraad. Mijn huid is perkament, mijn botten broze puim. Een hart van gesponnen glas. Ik herinner me jouw naam en niet de mijne. Ik schrijf je met mijn vinger op de muur. Ik prevel jou, om mij met jou te vullen. Ik leef op schaamte en op schuld. Ik knabbel steen en stof, een cactus en een roos. Niets kent hier een einde, zeker niet het lijden. Ik tel elk van mijn lange haren een lichtjaar. Zo verstrijkt de eeuwigheid.

Ik ben zwanger van mezelf terwijl ik op een dageraad wacht.

Schluss damit!

I.

Zo. De deur die waarvan jij dacht dat ze wagenwijd openstond maar die ik hoogstens op een kier liet staan is niet enkel dichtgeslagen. Ze is op slot en ook vergrendeld. Ik doe het kettingkje er ook maar op.

Het doek is eindelijk gevallen over dit onnozele schouwspel waarin ik ook maar mijn tekst aflas. De klucht waarin jij pretendeerde dat ik jou zaken verschuldigd was: geduld, begrip, tijd, een luisterend oor, nabijheid, goede raad, iets dat jij als vriendschap omschreef (zoals je 4 losse eieren, een hoopje bloem, een bergje suiker en een klont boter ook als een cake zou kunnen beschouwen). Dat je mijn onwil en gebrek aan wederkerigheid niet zag of negeerde of niet begreep zegt ook al veel.  Jij was degene die je hand ophield en waarin ik (of iemand anders) in kon laten vallen: geduld, begrip, tijd, een luisterend oor, nabijheid, goede raad, iets dat jij als vriendschap omschreef. (Je deed alsof het andersom was).

Jij deed alsof je iets te bieden had: een handvol losse schroeven, wolken van melk, een afspraakje nabij het hondentoilet, een gemiste trein, een fiets zonder ketting, een binnenstebuiten gekeerde paraplu, een spannend boek waaruit het laatste hoofdstuk mist, een deurwaardersbezoek, een taartje zonder kersen, een natgeregende laatste sigaret, spijkers op laag water, een broekzak met een gat er in, een sleutel die niet past of afbreekt in het slot, een schot voor de boeg, je lievelingsrestaurant dat onverwachts gesloten is, wijn die smaakt naar kurk, diesel in plaats van super, een lege doos met een strik er om, vochtplekken in de muur, een dood wit konijntje, een doodgeboren kind, een halve zeester, een nacht zonder maan, een dag die slecht begint, een gebroken arm, een lamme vleugel, een rot ei dat stinkt als de pest, een verdronken matroos, dagenlang windstilte tijdens een zeilvakantie, een CD in de verkeerde hoes. werken op zondag en afbrekende veters.

Jij dacht dat ik zat te wachten op jouw aandacht. Ik deed alsof ik niet wist wat het onophoudelijk vragen of ik wel gelukkig was eigenlijk betekende. Na lang denken kwam je tot de conclusie dat hij geld had, alsof dat jouw zaken waren. En ook om te illustreren dat jij heus wel weet hoe de wereld draait. Ik diende mij te verheugen in en mij vereerd te voelen met jouw obsessieve volgen van alles wat ik deed en doe, de dingen die ik schrijf, de zaken die ik vind, de gedachten die ik denk, de haren die ik knip, de kleren die ik draag, de zalfjes die ik smeer, het uur waarop ik ga slapen. Elk gesprek dat je voert is een wedstrijd, een afvallingskoers of een arena die je zegezeker betreedt. Elke zin die je uitspreekt een zekerheid in steen gehouwen waarmee je de ander uit voorzorg eerst mee op de bek slaat.

Ik vroeg jou nooit ergens om, maar dat viel je nooit eens op.

 

II.

Je weet het natuurlijk niet, maar heerlijk is het.

Weet je nog, elke keer hoe je elke keer jij ‘iets deed voor mij’? Zitten op een terras. Een bezoek aan de bioscoop. Flaneren in de stad. In jouw vergiftigde genade mocht ik heel even bestaan. Zolang ik maar wist welke offers jij bracht. Je beloonde jezelf met een affaire (of twee) en liet mijn angsten woekeren als bruidssluier tijdens een vochtig voorjaar.

Nu nog altijd doe je alsof ik jou iets aandeed, terwijl ik ook maar gewoon verdween zoals je leek te willen toen. Omdat ik mezelf uitgomde en jij niet meer heerste werd je woede gewekt. Zo lijkt het alsof je nog altijd iets over hebt, met je handen houd je zoutzuur vast zodat je kunt klagen dat het brandt.

Sinds kort betrek ik een appartement boven een drukbezochte wasserette tussen een aantal hoge flatgebouwen. Vergaarbakken van miserie die men gemakshalve sociale woningen noemt. De meeste mensen in de buurt wonen te klein om plaats te hebben voor een wasmachine of een droogkast, of ze kunnen het zich simpelweg niet permitteren. In mijn appartement is de aansluiting voor een wasmachine onbereikbaar gemaakt, zodat ook ik verplicht ben mijn was uit te besteden aan het wassalon. Mijn huisbaas en de eigenaar van het wassalon zijn geheel en al toevallig dezelfde persoon, maar verder valt daar geen kwaad opzet in te bevroeden.

Boven het gele plakkaat waar in koeien van blauwe letters ‘DROGEN’ op staat woon ik nu. Gisteren moest ik van een vriend kijken naar de clip van Envoie, het gedicht van Hugo Claus dat op muziek werd gezet door Absynthe Minded (en waarvan kwatongen beweren dat de intro van het nummer gepikt is van Bob Dylan. Het antwoord daarop is natuurlijk dat ongeveer alles gepikt is van Bob Dylan. Of van de Beatles, ik wil er vanaf zijn). Tijdens één van zijn verre reizen probeerde hij de heimwee te temperen door in internetcafés dit nummer te bekijken op YouTube. ‘Mijn’ wassalon speelt een rol in die clip, zij het dan met knaloranje wasmachines, die ondertussen vervangen zijn door saaie aluminiumkleurige exemplaren.

Op zondagmorgen zie ik vanuit mijn raam een gele auto stoppen, zo’n nieuw model mini Cooper waar niet veel mini meer aan is. Op de zijkant staat in zwarte letters ‘TAXI WILLY’, daaronder een GSM-nummer. Een aandoenlijk parodietje op de beroemde yellow cabs uit de Verenigde Staten vind ik het, een mengeling van grootheidswaanzin en een Vlaamse kruideniersmentaliteit. Ik vraag me ook af wie nu in hemelsnaam zijn was komt doen met een taxi? Wat een absurde tegenstelling is dat niet?

Een bejaarde vrouw stapt uit, met haar van de kapper en zondagse make up. Een smaakvolle, bruin geruite deux-pièce en oudemevrouwen schoenen, een bril met een fijn, goudkleurig montuur. Dan hijst de chauffeur (Willy in eigen persoon?) zich uit de auto, zoals enkel net iets te zware mensen dat kunnen. Een kleine schommelbeweging die wordt ingezet, een rukje aan het stuur en hop, zo verlossen ze zichzelf uit de bestuurderszetel. In tegenstelling tot de deftige dame ziet de chauffeur er maar sjofel uit. Slordig grijzend haar, een vale anorak en een vuile broek. Het is alleszins Driving Miss Daisy niet. Uit de kofferbak haalt de man twee winkeltrolleys met daarin vuil wasgoed. (De trolleys doen me altijd denken aan mijn grootmoeder, omdat zij ook met zo’n ding achter zich aan elke week naar de markt ging. Mijn zussen en ik maakten er ruzie over en we onderhandelden over wie in het heengaan en het terugkomen de trolley mocht trekken).

Ondertussen helpt de chique dame op leeftijd haar man uit de wagen. Ze zijn op elkaar ingespeeld, merk je aan hun bewegingen. Terwijl hij leunend op zijn stok uitblaast (ik puf onbewust mee en word zowaar kortademig), rekent zijn vrouw af. Met een vastberaden beweging neemt ze beide trolleys vast en zet koers naar het wassalon. Haar man schuifelt haar achterna, en ik vraag me af waarom ze hem in hemelsnaam heeft meegenomen. Misschien kan ze hem niet alleen thuis laten. Misschien houden ze vast aan decorum.

De taxichauffeur bergt het geld op in zijn portefeuille die in de binnenzak van de anorak verdwijnt. Daarna steekt hij de parking over om ongegeneerd in de struiken te gaan plassen.

Slenteren.

Op mijn vaste slenterweg langs de online edities van de Belgische dagbladen en tijdschriften stoot ik in het tabblad ‘Boeken’ bij Knack op een bespreking van een essaybundel over lezen en schrijven, schrijven en lezen van Christiaan Weijts. Voor de goede orde: de bundel is van Weijts, de bespreking van Maarten Dessing.

Dit heerlijke citaat trekt mijn aandacht: “Op zoek naar een hotelkamer in Rome, zo schrijft hij, ontdekt hij dat je online nergens op kunt vertrouwen. Niet op de beschrijvingen van een riant ontbijtbuffet of de charmante, authentieke wijk. En niet op de onafhankelijke beoordelingen van eerdere bezoekers, die kunnen zijn geschreven door de hotelier zelf. Conclusie: ‘Ik leg mij erbij neer en accepteer dat reizen weer het ongewisse avontuur is dat het was in de tijd van Goethe’, besluit hij vergenoegd.”

Nu ja, niet dat het citaat op zich zo heerlijk is, maar wel de gedachte. Hoe Weijts onze controle en efficiëntiecultuur onderuit haalt. Reizen is niet langer doelloos meanderen door onbekende steden en landschappen of je laten verrassen door onverwachte ontmoetingen, smaken, geuren en ervaringen. Strak gepland en met de nodige kaarten en routes gedownload op onze slimme devices stevenen we tijdens citytrips recht op ons doel af, als een bende lemmingen die zich van de rotsen stort (ja, ik weet ondertussen dat dat van die lemmingen een mythe is, maar het is een mooi beeld). Op vakantie hebben we geen tijd te verliezen, elke seconde is een investering waarop een return moet behaald worden. Elke afwijking van de planning zorgt ervoor dat de vooropgestelde doelen onder druk komen te staan.

(Ooit liep ik tijdens een zomervakantie met het gezin rond in Triëste, op zoek naar het grootste plein dat langs 1 kant begrensd wordt door de Adriatische Zee. Het was heet, en in mijn kielzog slenterden drie onwillige kinderen en ook nog een onwillige man mee. Aan hun geslof achter mij kon ik horen dat ze zich afvroegen hoe ver het nog zou zijn en of we nog op tijd terug op de camping zouden zijn om te zwemmen. Ik vond het plein, voornamelijk op gevoel, alhoewel mijn humeur toen al naar gelijke diepte was gezakt als het enthousiasme van mijn gezelschap. Op het plein was niemand, en na 2 minuten ronddrentelen sommeerde ik iedereen terug naar de auto).

We racen wat af, op onze reizen. Met een Lonely Planet onder de arm wanen we ons even geen toerist. We zijn ervaren, arrogant, doeltreffend en voelen ons te goed voor de plekken die iedereen aandoet. Wij laten ons het geld niet uit onze zakken kloppen door de plaatselijke middenstand. We eisen waar voor ons geld. We zijn verzekerd, ingesmeerd, dragen de juiste schoenen en een hoed tegen zonnebrand. We sleuren een halve apotheek aan pillen, zalfjes en pleisters mee in onze beveiligde lichtgewicht rugzak.

Wij durven niet langer onbevangen zijn, we stappen geen restaurant of hotel meer binnen zonder dertig aanbevelingen te checken op het internet. We durven ons niet langer te laten teleurstellen en slijten dus platgetreden paden dieper in. Alles wat we doen moet voer zijn voor een juichbericht, een foto of een statusupdate. We zijn hoofdrolspeler, regisseur en producent van onze eigen Trumanshow.

Dit alles lijkt in tegenstelling tot wat Weijts zegt, maar dat is het niet. Hij weet dat de essentie van reizen is het ongewisse te omarmen. Onze ervaringen te laten inzinken in plaats van ze direct aan de wereld te presenteren op een gouden dienblad. Zelf te reflecteren in plaats van ons tentoon te spreiden en onze indrukken te laten verstoren door likes en favorites. Of erger: te reizen en te leven in functie van likes en favorites, als volleerde marketers.

Reizen als in de tijd van Goethe, toen de tijden trager waren en de mensen zonder veel haast op straat flaneerden. Toen we nog niet leden aan de illusie dat alles efficiënt moest zijn.

(Ik herinner me een autorit in Griekenland, die ik eerder hier beschreef).

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 2.227 andere volgers