Feeds:
Berichten
Reacties

Ik blijf er niet voor thuis, maar gisteren deed de gelegenheid zich voor en dus ging ik er maar voor zitten. Zomergasten, het drie uur durende speelkwartier voor de intellectueel of voor iedereen die zich intellectueel waant. Soms valt het mee, soms valt het tegen. De constante is wel dat voor- en tegenstanders van het programma klaar staan met het fileermes om zowel gast als gastheer genadeloos de keel over te snijden.

Twee mooie momenten zijn mij bijgebleven, naar het einde toe zakte de soufflé een beetje in elkaar en werd er net iets te veel in clichés gegrossierd.

De eerste keer dat er iets gebeurde was toen Van Reybrouck het had over de vorig jaar overleden Friese dichter Tsjêbbe Hettinga. Hij beschreef hoe ze elkaar ontmoet hadden en hoe ze vrienden waren geweest. Toen stokte hij even, je zag hem iets wegslikken. Wilfried De Jong liet het gebeuren, liet Van Reybrouck naar adem happen. En toen ging het weer voort. Over de poëzie van Hettinga, het Fries, de paarden. Niet onverschillig, maar met veel liefde. Met een beheerste en ingehouden emotionaliteit.

Het is iets dat we niet meer lijken te kennen, die pudeur. Een ouderwets woord dat niet meer gebruikt wordt omdat het overbodig is geworden. Luidruchtig ventileren we elk emotietje dat ons overvalt in de uren dat we wakker zijn. We lijken op ongedisciplineerde peuters die voor elk pijneke – ingebeeld of niet – een portie moederkeszalf eisen van onze peers op onze sociaal-emotionele netwerken. Op quasi ironische wijze krijsen we om aandacht op het moment dat onze koffie te koud of te heet is, de radio een verkeerd muziekske speelt of de juffrouw aan de kassa een slechte dag heeft. We zagen over onze eerste wereld probleempjes via de hashtag #fml en we zakken niet eens door de grond van schaamte. We vervallen in onnozel, puberaal en goedkoop sentiment en we vinden van onszelf dat we diepzinnig en authentiek zijn. We kokketeren met emotionele dipjes en innerlijke autisten om interessanter te lijken dan we ooit zullen zijn. Luid klinkende holle vaten zijn we, met de diepgang van FC De Kampioenen. Leeghoofdige egocentrische exhibitionisten, haantjes op een mesthoop.

Verdriet, pijn, ziekte en ander leed: het is onderdeel geworden van citius, altius, fortius. Wie biedt meer dan een depressie en een angstaanval? We klagen over het gebrek aan privacy, maar zijn er wel als de kippen bij om onze meest intieme gevoelens in de etalage te zetten in ruil voor wat bijval of een virtuele knuffel van één of andere wildvreemde. Een schouderklopje van iemand met veel volgers. Een homeopathische verdunning van gevoelens, omdat we te bang, te laf en te onvolwassen zijn om ons nog werkelijk te laten raken,  kwetsen of engageren.

Schroomvallige sereniteit zoals we gisteren zagen – ook toen het ging over het absurde verlies van vrienden – waar en wanneer zijn we dat eigenlijk kwijt geraakt? (En vinden we het ooit nog terug?).

Melancholia.

Ik heb deze zomer nooit helemaal begrepen, nooit helemaal gevat. De dagen werden uitgerokken tot ze doorzichtig waren, ik bekeek ze achter glas. Het is alsof je je geliefde streelt met rubberen handschoenen aan. De regen valt en valt en valt. Ik ben geheel uit onrust opgetrokken nu, mijn lichaam vertrouwt me voor geen meter. De hele dag worstel ik met het leven. Een weerbarstige telefoon, het stof dat uit het niets verschijnt in hoeken en in kieren. Afwas, rommel en vuile ruiten. Sleutels die verdwijnen, planten die verkommeren. Op het werk wordt mijn blik wazig, mijn gedachten dwalen af. De tredmolen stopt nooit. De aarde draait rond haar eigen as aan 1674 kilometer per uur, de dagen snellen voorbij. Het enige wat ik doe is bijbenen en achter de feiten aan hollen. De wereld is te wreed geworden en ik wil het niet meer weten.

(In het jaar 2006 reed ik met mijn vrienden helemaal naar het Zuiden van Europa. Een karavaan van vluchtelingen voor het leven. De Extremadura bleef maar duren. Woestijn, een eindeloze autostrade en veel tankstations. Ik vreesde en ik hoopte dat ik zwanger was – niets van dit alles was waar. Het was loeiheet in Portugal, ik verdorde waar ik bij stond. De bomen in het landschap waren klein en krampachtig, enkel aan de kustlijn ontdekte ik wat kleur. Een koffie voor een paar centen, de gebronsde mannen spraken Frans. In hun eigen taal sprak de herinnering aan de wereldnatie die zij ooit waren, heersend over zeeën. Na 2 weken stak de zon mij grondig tegen, de hitte benam me de adem. Ik verlangde naar de koelte van het normale leven, naar regen op mijn huid. En ik dacht dat je ondertussen terug zou zijn gekomen. Vanuit Spanje reed ik in ruk door naar huis, als een waanzinnige jockey joeg ik mijn reisgenote op. Lange ritten, korte pauzes. Een koffie hier en daar, en vooral veel onrust om me wakker te houden. Op de ring rond Parijs begon het eindelijk te regenen, ik was opgelucht. Dit kende ik. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik een ongeval gebeuren, ik duwde op het gaspedaal. Misschien was de auto achter mij in de problemen geraakt door een onverwacht manoever dat ik had gemaakt tijdens het wisselen van rijstroken. Het kon me niet schelen, ik hield mijn blik gefocust op de borden boven de weg. Naar het Noorden, naar huis.

Het duurde twee dagen voor ik het zoemen in mijn oren en ogen kwijt raakte. De regen kletterde tegen de ramen, dag na dag. Ik bracht 14 dagen in de zetel door, omdat ik dan zeker de bel zou horen als jij kwam. Een andere man bood mij onbijt aan. Ik weigerde beleefd. Verder herinner ik mij niet meer zoveel, behalve de eenzaamheid die mij verpletterde).

Ik hou niet meer van dikke regendruppels in de zomer nu.

Het membraan dat mij van de rest van de wereld scheidt. Ik wil schreeuwen ‘heb mij lief’, maar ik ben luchtledig en ik durf niet bovendien.

Terug/Weg

Verdwalen in de statige steden van het oude Europa, dat anachronistische continent dat niet meer weet waar het begint en waar het eindigt.  Deze breedsprakerige boulevards en weidse pleinen droegen vroeger andere namen en behoorden andere landen toe. De geschiedenis golft heen en weer, volkeren spoelen aan als wrakhout op oevers van rivieren. Ze drogen hun kleren, rechten hun rug en bouwen wijken en kwartieren waar ze bidden wonen werken. Hun bloed verdunt, hun taal wordt week, ook hun levens behoren nu deze stad toe. Geschiedenissen worden legendes, kronieken van verbeelding en wensdromen. We kennen de generaals, de keizers, de rijkaards en de grootheidswaanzinnigen. We zijn de dienstmaagden vergeten, de leerlooiers, de beenhouwers, de bakkers. Als het goed is krijgen ze een achterafstraatje toebedeeld.

In dit kluwen van veldslagen, invasies, heersers die komen en gaan, grenzen die schuiven en weer teruggelegd worden, migraties van verre volkeren moet iets gedestilleerd worden dat identiteit heet. Er is taal, religie, grond, beroep. Stambomen die uitgevonden worden en waar men zich aan vastklampt zoals een drenkeling aan een stuk van de mast. We proberen de uitkomst te zijn van een vergelijking met louter onbekenden. We graven onze wortels op en poetsen de blazoenen tot ze blinken in de zon. We negeren de moordpartijen op onschuldigen, de armoede, de hongersnoden, de domheid, het slaafse volgen van volksmenners en poujadisten.

In Boedapest laat ik mij leiden door mijn nieuwsgierigheid, ik slenter en ik stop. Onbeschaamd dring ik onverwachte binnenpleintjes in, negeer de meisjes en hun koffies. Ik kijk naar boven en zie spuwertjes en versierde frontons. Bloembakken en andere tekenen van leven. Ik zweet en op het einde van de dag doen mijn voeten zeer. Heel de stad lijkt aan het knutselen geslaan. Klokken van oude vinylplaten, tassen van overbodige mesh banners, juwelen, bestek, meubels. Hebbedingetjes voor de hedendaagse hipster. Trendwatchers aller landen, verenigt u. Hier valt iets nieuws te ontdekken, een vibe te beschrijven, het abnormale te normaliseren en te marketen. Te targeten en geld aan te verdienen.

Er staat wijn op de kaart en de rekening komt met de mededeling ‘service not included’ dik en rood omlijnd. We vermijden de keten waar schreeuwerig de happy hours geafficheerd worden, omdat we daarvan ongelukkig worden.

Onveranderlijk grijsbruin is de Donau waarvan we de loop volgen. Soms snelstromend, andere keren breed en languit gestrekt in het landschap. Havens, binnenschepen, halve tankers glijden onbekommerd voorbij. Waar, o waar is de Donau blauw?

Als Boedapest een weerbarstige tiener is, dan is Wenen een gezette dame in een bejaardentehuis. Goed geconserveerd, zoals ze zeggen, maar een beetje saai. Er is bladgoud van de kelder tot de nok, plaasteren dikbuikige engeltjes overal. Beate Marias, treurige Jezussen en onnoemelijk veel lijdende heiligen. Krullen en tierlantijntjes, waanzinnige exuberante, exorbitante decoratieve excessen. Het is de eerste keer tijdens de reis dat ik de drang heb om het steedse leven te ontvluchten. Ik heb even genoeg van mensen die tegen me opbotsen en arrogante obers. Zoals de dichters uit de Romantiek verlang ik even naar koele wouden en lieflijk stromende beekjes. De barokke overdaad komt me even de oren uit.

Wil u graag ook uw relationele en andere zielenroerselen toevertrouwen aan Wendy? Mail me op liefstelita@gmail.com 

Beste Wendy,

Mijn man en ik zijn al 20 jaar getrouwd. 4 jaar geleden werd hij geopereerd en sindsdien is ons seksleven bijna onbestaande. Alhoewel ik toch voldoende initiatief heb genomen (je kent het wel, eens thuiskomen met een roze négligeetje en dat dan showen, of een wellness boeken in een privésauna met een flesje bubbels er bij) lukte het hem bijna niet om een stevige vuist te maken, als je begrijpt wat ik bedoel. Wat ik ook deed, zijn klokske bleef hangen op half zes. Ik heb dit steeds aangenomen, ondanks mijn behoeften.

Een aantal weken geleden heb ik per toeval in de tas waarmee hij naar zijn werk gaat een seksspeeltje gevonden en condooms. Toen ik hem daarmee confronteerde zei hij dat dit zuiver voor hemzelf was, voor zijn eigen behoeften te bevredigen. Maar waarom niet met mij?

Mijn vertrouwen is volledig weg, ook al omdat dit niet de eerste leugen is dat hij verteld heeft. Hoe kan ik weten of hij de waarheid spreekt? Hij belt mij regelmatig van op zijn werk om te zeggen dat hij moet overwerken. Vroeger nam ik dat zomaar aan, maar nu heb ik daar mijn twijfels bij. Is het fout van mij dat ik hem niet meer vertrouw?

 

Groetjes, 

Linsieke43

Beste Linsieke43,

Als ik u hier voor mij had zitten aan mijn bureau, ik gaf u kletsen op uw bloot gat! Zo uw eigen venteke wantrouwen. En dan nog zonder dat hij het weet in zijn kabas van het werk zitten snuffelen. Je moest beschaamd zijn! En kom niet af met het excuus dat je op zoek was naar zijn vieze overall om die in de was te steken. Wie zijn neus in de zakken van iemand anders steekt, die zou wel eens gestoken kunnen worden door een wesp die zich daar toevallig schuil houdt. En geloof me vrij: dat is dus wel degelijk een enorm pijnlijke zaak. Heb ik van horen zeggen.

Bovendien er is een zeer logische en redelijke verklaring voor het feit dat je man in zijn aktentas waar hij elke dag mee naar het werk gaat  een seksspeeltje en condooms heeft zitten. Zelf kom ik nu ook niet direct op die logische en redelijke verklaring, maar ze is er zeker en vast. Als je ’s morgens vroeg op een drukke pendeltrein eens door de tassen van de mensen zou gaan, ik denk dat je zeer veel seksspeeltjes en condooms zou vinden. En iedereen zou daar zeker een logische en redelijke verklaring voor kunnen geven. We moeten daar niet flauw over doen.

Je vertelt me dat je man vaak moet overwerken, of dat hij af en toe met zijn collega’s iets gaat drinken. Heb je er al eens bij stil gestaan dat jouw man stijf staat van de stress? (Allez, figuurlijk dan hé). Hij heeft blijkbaar een baas die niets anders doet dan hem onder druk zetten. Altijd dat overwerken, jij begrijpt niet goed wat dat doet met een mens zeker? En allemaal onbetaald wellicht, ik ken dat. En dan de collega’s die aan zijn mouw komen trekken om met hem iets te gaan drinken terwijl hij natuurlijk veel liever naar huis zou komen … Geen wonder dat de haan niet altijd kraait. Dat de leeuw niet altijd brult. Dat de vlag soms eens halfstok hangt. Enfin, je begrijpt wat ik bedoel.

Weet je wat het is volgens mij? Jullie zijn een beetje uit elkaar gegroeid. Ik zou zeggen: koop u eens een ondeugend lingeriesetje. Boek eens een wellnessweekendje, gewoon voor jullie tweetjes. Verzorg uzelf een beetje. Kook hem eens iets lekkers. Stoofvlees met frietjes, bijvoorbeeld. Mannen lusten dat graag. Ik doe in mijn stoofvlees altijd een bruine boterham met mosterd en een stukje pure chocolade. En een bruine trappist natuurlijk.

Je moest al naar de winkel zijn, Linsieke43!

Uw toegenegen Wendy.

Ik las in de krant deze hartenkreet van een anonieme twintiger. Omdat ik het advies aan deze getroubleerde ziel een beetje zoutloos vond, heb ik er een eigen draai aan gegeven. Ook een probleem dat het deskundige advies van Wendy kan gebruiken? Mail naar liefstelita@gmail.com 

Hoi Wendy,

Twee jaar geleden werd ik smoorverliefd op een collega. We hadden regelmatig seks maar hij wilde zich niet binden. Maar ik bleef hem verleiden en na een tijd werd hij ook verliefd. Onze relatie gaat goed. Hij is superlief en doet alles voor me. Maar ons leven is saai: overdag werken, ’s avonds met ons bord op schoot voor tv. Twee weken geleden heb ik via Facebook iemand leren kennen die een avontuurlijk leven leidt: hij reist veel en zingt bij een band. We chatten regelmatig. Ik voel me schuldig, maar ik ben zo verliefd… Moet ik nu mijn vriend, die ik ook supergraag zie, verlaten?

 Anonieme twintiger

Hoi Anonieme twintiger!

Je hebt iemand gevonden die een avontuurlijk leven leidt en tijd heeft om daar elke dag op Facebook met jou over te chatten? Dat is er eentje uit de duizend, zoveel is zeker. Over dat zingen bij een band heb ik wel een beetje mijn twijfels: meestal betekent dat dat hij te dwaas of te lui is om een instrument te leren bespelen. Schrijft hij zijn eigen teksten? Dan is het dubbel opletten geblazen, want voor je het weet zit je met een pseudo-intellektueel type opgescheept that always has to express his feelings in bad English. Maar goed, misschien kom je uit één of ander boerengat waar men altijd een beetje sneller onder de indruk is dan normale mensen. (Dat zou trouwens ’t een en ’t ander verklaren). Je bent nog meer gejost als het een kerel betreft die in één of ander dwaas dialect zingt, want dan kun je je de volgende jaren verwachten aan onderbetaalde optredens met een slechte geluidsinstallatie op pakweg Zeverrock. Als je geluk hebt krijg je nog twee drankbonnetjes per persoon om bier van matige kwaliteit te zuipen bij de bol Américain die je in de ‘artiestenlounge’ op je bord gekwakt krijgt. Pluspunt is wel: het verorberen van die bol Américain is wel behoorlijk avontuurlijk te noemen, dus dat aspect van jullie eventuele relatie is alvast in orde.

Nu de vraag van 1 miljoen dus: moet je je vriend verlaten? Om het met Filip Kowlier te zeggen: mobanint! Zo’n tamzak die alles voor je doet en ’s avonds met een wezenloze blik voor de TV zijn patatjes en zijn groentjes zit op te smikkelen kun je beter in de buurt houden. Avontuurlijke types staan er om bekend twee linkerhanden te hebben, en als je ooit een carport of een veranda wil (en geloof me: dat zul je echt ooit willen!) dan is het beter om zo’n makkelijk te verleiden goedzak in de buurt te hebben. En verder heb je van mijnheer ‘wat is er vanavond op TV schatje’ toch geen last? Laat die mens toch gewoon vegeteren op jullie sofa uit de Weba!

Het is wel de bedoeling dat je ondertussen een affaire begint met de avontuurlijke zanger. Laat hem honderduit vertellen over zijn voettochten in Tenerife en zijn beklimming van de Kemmelberg. Zeg af en toe eens ‘amai!’ als hij weer voor de dag komt met een onwaarschijnlijk verhaal, dat hebben zulke types graag. Het enige dat je moet onthouden is dat je NOOIT eerlijk antwoord geeft op de vraag ‘wat vind je van mijn muziek/zang/teksten?’. Zeker niet als hij op voorhand te kennen geeft dat ‘je gerust kritisch’ mag zijn. Doe. Het. Niet. Zijn muziek/zang/band is de beste en het zijn natuurlijk die klootzakken bij Studio Brussel en Radio 1 die zijn doorbraak – die hij meer dan iemand anders verdient – tegenhouden door hem van de playlist te weren. Jij bent er om instemmend te knikken en hem over de rug te aaien als zijn onnozele single die zijn band uitgeeft in eigen beheer (liefst met jouw centen) weer eens is geflopt.

Vergeet ondertussen niet de man in de zetel op geregelde tijdstippen te voeren!

Veel succes!

Wendy

 

From disco to disco

The Fuse – Rue Blaes. Oktober 1997, 23h06

-          ‘C’est combien?’ Ik schreeuw mijn vraag in het oor van de blonde jongen met piekjeshaar.

-          ‘Sept cent la pièce. Mille balles les deux.’ Hij moet mijn twijfel zien, want hij zegt gauw: ‘Tu ne regrettras pas, ce sont des tonneaux rozes, très fort’.

Ik duw hem 2 blauwe briefjes van 500 frank in de hand, hij scharrelt in zijn heuptasje en haalt 2 roze pilletjes tevoorschijn. We hebben nu nog 200 frank over hebben om de rest van de nacht door te komen.

Lorenzo, Stephane en ik. Lorenzo is mijn lief, maar ook weer niet helemaal. Dat wil zeggen dat we leven, doen en laten alsof we een koppel zijn, maar op de vraag hoe lang we al samen zijn antwoorden we verontwaardigd: ‘niet’. Stephane is de beste maat van Lorenzo, ze zitten samen op internaat. Ik ben een jaar jonger, maar bleef tijdens de humaniorajaren niet hangen en zit nu in mijn eerste jaar aan de universiteit. Geschiedenis, maar het boeit me niet zo.

Feesten in The Fuse op zaterdagavond is rebels en mysterieus.

-          Wat ga je doen, zaterdagavond?

-          Bof, ik ga nog eens naar de Fuse gaan. Dave Clark komt draaien, ’t wordt mega.

Je leeftijdsgenoten die het moeten hebben van Studio Brussel fuiven in de sporthal vinden je een lefgozer en een voorloper.

De spanning in je buik begint al in de namiddag op te bouwen. Outfits en kapsels worden op voorhand zorgvuldig uitgekozen, net als de inhoud van je rugzak/handtas. De wandeling door de onbekende en donkere straten tussen het Zuidstation en de Blaesstraat en de vage onrust omdat je je verhalen over Brussel herinnert die spreken van verloedering, overvallen en messentrekkerij. In de ogen van bange mensen uit de provincie is Brussel een onstabiel oorlogsgebied, je blijft er beter weg.

Als je tot je eigen opluchting de juiste straat hebt gevonden, ook deze keer heelhuids en zonder kleerscheuren, begint het aanschuiven. Je monstert de extravagante uitgaanskledij van de andere hipsters avant la lettre en je bent blij dat je geen al te zware vorm-  en stijlfouten hebt gemaakt. Je bent geen trendsetter, maar je valt ook niet uit de toon als een meisje van de boerenbuiten.

Het binnenlaten van de samengetroepte feestvierders voor de deur gebeurt volgens een geheim algoritme dat enkel gekend is door de buitenwippers. Je wacht op de stoep, probeert er cool uit te zien en je hoopt dat je niet te gretig in de richting van kleerkasten voor de deuren kijkt. Dan, altijd even onverwacht, een discreet knikje in jullie richting. Je stapt de trappen op, de deuren zwaaien open. En daar sta je dan, overweldigd en nietig, in het Walhalla van de techno. Het avontuur kan beginnen.

Omdat ik meer dan genoeg heb aan wat ik spottend kinderporties drugs noem, ga ik als eerste naar het toilet om daar de helft van een pilletje af te bijten. Ik ben zenuwachtig. Ik ben altijd zenuwachtig hier, bang om betrapt te worden. De meer ervaren uitgaanders beweren dat er tussen de directie en de flikken afspraken zijn gemaakt: per weekend moeten ze zoveel dealers aan de politie verklikken, en dan wordt de dancing verder met rust gelaten. Er is ook nog een ander indianenverhaal dat circuleert over de schone juffers en pronte jongemannen achter de bar die naast pintjes van 100 frank het stuk ook XTC verkopen. Er is iemand die een vriend heeft die iemand kent die dat heeft gezegd, dat soort shit.

In het pishokje haal ik de pil uit mijn zak en bijt er op goed geluk een stukje uit. Een harde bittere smaak verspreidt zich in mijn mond. Vlug naar de lavabo voor een slok water zodat ik niet begin te kokhalzen. Hopelijk krijgt de toiletjuffrouw geen argwaan. Terug naar buiten, in de gang wacht Lorenzo. We kijken elkaar sluiks aan en ik probeer hem zo onopvallend mogelijk de rest van mijn pil door te geven, maar ik beschik nog niet over de cool van doorgewinterde stiekemerds en het voelt alsof we  opvallen als een roze olifant in een kinderboerderij.

 

The Fuse – Rue Blaes. Oktober 1997, 23h47

Mijn ogen voelen alsof iemand er een wollen dekentje over heeft gelegd. Het is moeilijk uit te leggen, ik probeer de lichtbollen weg te knipperen. Geluid raast in en uit mijn oren. Ik streel mijn eigen armen, heb warm en koud tegelijk. Ik ben zacht, vanbuiten en vanbinnen. ‘Hier’, zegt Stephane. ‘Een kauwgum’. Hij staat zelf ook al driftig te kauwen en zag mij waarschijnlijk ook de typisch gekke bekken trekken van pillenslikkers en speedsnuivers. Sjieken helpt een beetje. Ik glimlach breed, voel de neiging hem aan te raken. Of te zeggen dat ik hem graag zie. Ik streel door zijn haar. Hij trekt mijn hoofd naar zich toe, we kussen: lang en met veel tong. Dan kijk ik naar Lorenzo. Hij knipoogt en trekt me mee, de dansvloer op.

Die staat al behoorlijk vol, de eerste DJ voor deze avond zet er enthousiast de beuk in. Uptempo beats en daarbovenop simpele repetitieve melodieën, af en toe zangintermezzo’s of prekerige stukjes spoken word. Korte lyrics, suggestieve teksten, gehijg. Higher is het kernwoord. Laagjesmuziek. We deinen allemaal mee op het grondritme, ik voel me vloeibaar worden. Het lijkt alsof de muziek langs mijn navel in mij binnendringt en zich van daaruit verspreidt over de rest van mijn lichaam. Het knettert onder mijn hersenpan, ik kan niet anders dan dansen, dansen, dansen.

Ik anticipeer als een helderziende op de veranderingen op de maat van de muziek, dein perfect synchroon mee met de dreunende bassen en de lijven om me heen. Naadloos schakel ik tussen de wisselende beats per minuut, glimlachend. Mijn ogen dicht en ik word één met alles dat er is.

Dit hier is ons wekelijks ritueel, onze nachtelijke hoogmis. In deze tempel vieren we het leven en verjagen we de dood. Het ritme waarop we ons unisono bewegen is oeroud en brengt ons in een roes. Hier zijn wij verbonden met elkaar en alles wat ons overstijgt. Hier zijn we high en onbevlekt, vrij en allemaal gelijk. Moderne mystici, geile gelovigen. Hogepriesteressen en sjamanen zijn we, Graalridders. We zijn ingewijd en uitverkoren. We spreken met de doden en vrijen met de geesten. We heffen onze handen hoog in aanbidding en zetten onze lippen aan kelken en gifbekers en drinken tot de droesem. God is niet voor niets een DJ, tegenwoordig. Een sater met een panfluit, een rattenvanger met een mengpaneel.

Hij dirigeert ons als een horde bronco’s over oneindige steppes. Laat ons draven en tempert vervolgens het tempo even zodat iedereen terug op adem komt. Uiteindelijk mondt zijn set uit in een razende zotmakende galop. De zaal kolkt, explodeert. We joelen, fluiten, zweven, grijnzen als gekken. Zilveren confetti valt, stroboscopen wit metalig licht flitst. Ik strek mijn armen en open mijn handen voor dit manna uit de hemel en mijn hart bonkt uit mijn borstkas van vreugde.

Een hand op mijn rug. Ik draai me om en zie een meisje staan met elfenoortjes en vleugeltjes op haar rug. Ze biedt me een half opgerookte sigaret aan, en ik trek gulzig. Het roken helpt me om weer wat bij zinnen te komen, me te herinneren wie en waar ik ben.

 

The Fuse – Rue Blaes. Oktober 1997, 02h54

De chillout. Het is hier donker en op de TV-wand achteraan word een Manga vertoond. Sexy meisjes met ogen als vliegende schotels en immer blozende kaken flitsen over het scherm. Ze worden woordeloos achterna gezeten door vileine bad guys en worden op het einde gered door de Japanse versie van de ideale schoonzoon. De muziek hier is stiller, rustiger. Ambient, bedoeld om visioenen die beneden werden opgewekt te laten verstillen, het jachtig kloppende hart tot rust te manen en de opgefokte zintuigen te laten bekomen van teveel prikkels. In het halfduister vang ik flarden van gedempte gesprekken op. Ik hoor woorden maar ik kan er weinig betekenis aan vastknopen en leun achterover, doe mijn ogen even dicht in de hoop dat de wereld even stopt. Mijn brein lijkt wel gekookt.

Wij zitten met ons drie in één van de lage fauteuils, genieten nog na van het ongebreidelde dansen beneden. Lorenzo probeert een sigaret te rollen, het lijkt eeuwig te duren. Zijn handen trillen, zijn vingers zijn bezweet. Stephane diept uit zijn rugzak het plastic flesje op dat we gevuld hebben met de goedkoopste vodka uit de goedkoopste supermarkt. Dat gieten we voorzichtig bij het glas cola dat we gekocht hebben aan de bar. Er rest ons nog 100 frank om de rest van de nacht door te komen.

De sigaret die Lorenzo uiteindelijk gerold heeft gekregen is zo scheef en Stéphane zegt: ’t Is precies uwe piemel’. We lachen hysterisch en lang.

 

Hallepoortpark. Oktober 1997, 06h22

Het is koud, het is donker en het miezert. We zitten met ons drie op een bankje in een park dat tussen twee drukke Brusselse invalswegen ligt. Ondanks het uur raast het verkeer al langs beide kanten voorbij. De sliert rode achterlichten doet me denken aan het liedje van Raymond van het Groenewoud. Ik neurie in mijn hoofd ‘Brussels by night … allemaal lichtjes …. veel strangers in the night … ‘. De rest van de tekst ken ik niet, dus die drie zinnetjes gaan op een eindeloze repeat.

Twintig minuten of wat geleden stuiterden we buiten uit de Fuse. Straks nemen we de trein terug naar de provincie waar Lorenzo en ik de rest van de dag in een veilig en een warm bed zullen doorbrengen, ergens tussen waken en slapen in. Ik klappertand, mijn partykleren zijn niet op herfstelijke dauwtripjes berekend. Lorenzo legt zijn arm om me heen en aan de andere kant doet Stephane hetzelfde. Ik krijg het er niet warmer van, maar het is wel fijn.

Stephane heeft een probleem. Hij moet rond een uur of 9 thuis zijn opwachting maken omdat hij de ‘ik ga babysitten smoes’ heeft gebruikt. Zijn ouders houden hem redelijk kort. Twee keer een jaar over moeten doen, betrapt op het smoren van joints en geld gestolen van zijn grootmoeder. Oké, dat geld was eigenlijk een lening. Stephane had dat heus wel teruggelegd op het moment dat hij die wiet had kunnen verkopen. Maar dat duurde gewoon iets langer dan verwacht, zodat het er uiteindelijk niet meer van kwam. Dikke pech dus is het algemene besluit.

-          Zo kun je niet naar huis, zegt Lorenzo. Je pupillen staan nog veel te groot.  Je moeder doet een hartaanval als ze je zo ziet.

-          Merde. Merde! Stéphane trekt zenuwachtig van zijn sigaret. ‘Ik wist het hé. Ik had nooit mogen meegaan met jullie. Mon père, il va me casser la gueule.

-          Misschien kunnen we wachten tot er een apotheker open gaat en oogdruppels kopen? Misschien dat dat helpt, zeg ik.

-          Meiske, het is zondag. En daarbij tegen dat er een apotheker zou opengaan moet ik eigenlijk al bijna thuis aan de ontbijttafel zitten.

-          Juist, knik ik. Daarbij, we hebben eigenlijk toch geen geld meer.

We verzinnen mogelijke smoesjes, maar we zijn nog half high we komen niet echt ver. Zelfs ons klinken de meeste excuses vergezocht en ongeloofwaardig.

We steken nog een joint op, nog altijd onbesloten over wat Stephane te doen staat. Ik begin het nu wel erg koud te krijgen en wil gewoon naar huis. Lorenzo probeert hem te overhalen gewoon met ons mee te komen, zijn roes uit te slapen en vanavond dan zijn opwachting te maken.

-          Pffft, wat je ook doet, je hebt het toch aan je rekker, brom ik. Bel gewoon straks naar huis, zeg dat je met Lorenzo hebt afgesproken en dat je pas vanvond weer thuis zult zijn.

 

Station Brussel Zuid. Oktober 1997. 07h12

Het station is op dit uur en deze dag bijna verlaten. We zitten met ons drieën op een bankje op het uiteinde van een perron. Nog 17 minuten en de trein komt. Ik verlang er naar om thuis te zijn, warm te hebben en de afgelopen nacht in mij te laten bezinken. Chocomelk te drinken. Naast mij babbelen Lorenzo en Stephane, hun gedempte stemmen zoemen als een bromvlieg in mijn oor. Ik soes weg en denk aan duizend dingen tegelijk. Een ongekende maalstroom aan gedachten, een woordeloze grijze brij die me lijkt te overspoelen. De geschiedenis van de hele wereld, van elke man, elke vrouw, elk kind in mijn hoofd gepropt. Ik voel eeuwen verstrijken. Als ik mijn ogen open zie ik dat er amper 2 minuten voorbij zijn gegaan.

Het gezicht van Stephane is lijkwit, paniek in zijn ogen. Lorenzo probeert hem te kalmeren, maar ook de gedachten van Stephane rennen rondjes in zijn hoofd. Ik wil wel iets zeggen, maar het lijkt allemaal zo futiel. Als ik mijn mond open ben ik alweer vergeten wat het was. Ik pak zijn hand die ijskoud is, maar hij schijnt het niet te voelen.

-          Hij gaat slecht, zeg ik tegen Lorenzo.

-          Ik weet het. ’t Is ook altijd hetzelfde met hem.

Stephane staat recht, begint te ijsberen en herhaalt voor de zoveelste keer ‘il va me casser la gueule’. Zijn vader is een driftkop met Siciliaanse roots.

Lorenzo probeert een sigaret te rollen, maar zijn vingers zijn te klam. Met mijn handen in mijn zakken geklemd geef ik hem aanwijzingen. Niet dat het veel helpt.

Onze trein komt het station binnengereden, langzaam, bedachtzaam.

Als ik opkijk zie ik Stephane op de rand van het perron staan en mijn hart bevriest.

11426093-011426093-1

 

Het valt weinig voor, dat je ’s morgens uit je bed tuimelt en nog voor je kop koffie op is een uitnodiging van Bart Eeckhout om te twisten achter de kiezen hebt. Op den duur wordt het toch wel weer ‘shouten’ natuurlijk.

Weet je nog, Bart, hoe Sofie Peeters een jaar of 2 geleden met haar documentaire ‘Femme de la Rue’ een schokgolf door de samenleving joeg? Het enige dat ze daarvoor hoefde te doen was een doodgewone dag van een doodgewone vrouw in een doodgewone wijk in beeld te brengen. Was er eigenlijk iemand niet gedegouteerd door de manier waarop die verliep? Zoals ze voortdurend aangesproken en tegengehouden wordt door mannen op de straat. De kusgeluidjes, het gesis, de doorzichtige pogingen tot complimentjes die overgaan in gratuite beledigingen (hoer, slet!) als duidelijk wordt dat ze er niet op in gaat.

Als ‘Femme de la Rue’ 1 verdienste heeft gehad, dan is het wel dat de docu liet zien dat ‘een beetje seksisme’ niet bestaat. Bestaan er gradaties? Oh ja, zeker wel. Verkracht worden is erger dan nageroepen worden op straat. En dat verhoudt zich dan weer op een andere manier tegenover de loonkloof, maar op de één of andere manier hangt het wel allemaal samen. En ook:  het ene seksisme is niet ‘echter’ dan het andere. Het heeft allemaal impact: als jonge (of niet zo jonge) vrouw voortdurend het recht moeten afdwingen op je veilig voelen in de openbare ruimte is vermoeiend en zou niet moeten hoeven. En het voelt even ‘echt’ aan als je te realiseren dat je misschien een job niet krijgt omdat je een vrouw bent. Of wel de job krijgt, maar minder carrièreperspectieven dan je mannelijke collega. Enzovoort enzoverder.

Je bent vast slim genoeg om de analogie met het racismedebat te ontdekken. Zijn jullie bij De Morgen hardcore racisten? Nee, dat denk ik niet, en dat heb ik ook nooit en nergens beweerd. Maar was de bewuste zinsnede van Hans Vandeweghe over ‘Afrikanen die zich geen 6 weken kunnen concentreren’ racistisch geladen? Oh ja, absoluut wel. En dat aanklagen is niet het ‘verabsoluteren’ van racisme en spijkers op laag water zoeken. Net zomin als Femme de la Rue seksisme ‘verabsoluteerde’ en er daardoor voor zorgde dat ‘echt’ seksisme als onderwerp van tafel werd geveegd.

Bloeden uit duizend kleine sneetjes, hoorde ik onlangs Asha ten Broeke zeggen. Ze had het over hoe mannen en vrouwen voortdurend blootgesteld worden aan alle mogelijke stereotiepe voorstellingen van hoe ze zouden moeten zijn, wat ze wel of niet kunnen, waar ze voor deugen en waarvoor net niet. En hoe dat daadwerkelijk een verschil maakt in je leven.

Eén Marokkanenmop kan grappig zijn, maar komt nooit alleen. Ted Bwatu is Antwerpen niet ontvlucht omdat hij 1 enkele negermop van Alex Agnew moest verduren. Maar het was wel één van de vele druppels die de emmer lieten overlopen. En hoe welkom denk je dat iemand met een migratie-achtergrond zich dan voelt zoals dat dan zo mooi heet als hij voortdurend in het stereotiepe cliché van ‘ongeconcentreerd’ wordt geduwd. Niet die ene keer in een krant door een columnist die gedurfd wil zijn en er plezier in schept tegen al te politiek correcte schenen te schoppen (dat komt er gewoon bij hoor), maar elke dag van de week wel op de één of andere manier. De woning die net verhuurd is als jij belt. De dancing die net vol is als jij toekomt. De job die je op het lijf is geschreven maar waarvoor je toch weer niet in aanmerking komt. De onverholen verbazing over het goede Nederlands dat je spreekt.

Racisme is niet enkel ‘echt’ op het moment dat je in een wit pak kruisen verbrandt op de parking van De Morgen, zoals je vorige week al grappend op Twitter schreef. Het is niet enkel ‘ernstig’ op het moment dat mensen afgeknald worden omdat ze de verkeerde kleur of godsdienst hebben. Racisme kent veel gedaantes, vormen en gradaties. Je zegt dat  het keurslijf van afgedwongen eenheidsdenken over racisme jou en je krant niet past. Fair enough, maar in één en dezelfde adem eis je wel dat anderen – die zowel groot racisme als al te banale discriminatie dagelijks aan den lijve ondervinden – jouw visie op wat racisme nu echt en werkelijk is onderschrijven , want anders. (Ja, wat anders eigenlijk?)

We kunnen blijven discussiëren tot we een ons wegen, dus ik laat het hier maar bij. Voor ik je een prettige verderzetting van het weekend wens nog 2 tips: in The Guardian verscheen eerder deze week een uitstekend en onderbouwd artikel over waarom Afrikaanse teams onderpresteren. Aan een gebrek aan concentratie leek het in elk geval niet te liggen. En ten tweede: het is niet omdat het kantoor van de CEO dicht bij de receptie ligt, dat hij (meestal is het een hij) daarom een receptionist is. Iemand die dagelijks meerdere pagina’s in de krant volschrijft is geen columnist, maar een volwaardig lid van de redactie, ook als hij Hans Vandeweghe heet.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 2.409 andere volgers