Feeds:
Berichten
Reacties

Morgen

Morgen, dan wordt alles beter, zo belooft ze zichzelf nog maar eens. Morgen wordt de dag waarop ze dingen die nu door haar vingers glippen zal aanpakken. Ze zal zich vermannen en instanties contacteren en op het einde van de dag zal ze opgelucht kunnen ademhalen. Het zware beest op haar borst zal verdwenen zijn en de wolken in haar hoofd opgetrokken. Dan ligt ze niet meer in het donker, voor de dag breekt, te piekeren. Het is de mantra, de leugen waarmee ze zichzelf in slaap sust, elke avond weer. Het zicht op morgen, het ontsnappen aan vandaag.

Voorlopig kruipt het stof nog in de kieren, en ze is te moedeloos om zich er van af te maken. Soms vraagt ze zich af van waar het allemaal komt, alhoewel ze weet dat dat een zinloze vraag is. Er is afwas die zich opstapelt, er is was die aan het rek moet. Een bankbediende belt haar en ze moet naar adem happen. Elke dag weer brieven in de bus. Ze wordt er moe van. Het ongeduld van de wereld, en zij zo zwaar en traag. Dat jagen altijd, terwijl zij geen idee heeft van waar de dagen zijn gebleven. Hoeveel jaren zijn voorbij gegaan, zonder dat zij er werkelijk was? Ze is afwezig in haar eigen leven. Ze voelt zich permanent wankelen, ze laat steeds steken vallen. Ze stottert en ze blijft stilstaan, ziet tenslotte de anderen verdwijnen in de verte. Ze rafelt langs de randen.

Ze gelooft ze niet, de mensen die heel zijn en gezond. Met hun uitgavenstaten en hun gestreken zakdoekjes. Hun weekmenu’s, hun zelfgemaakte soep en hun vakantieplannen. Het geparfumeerd toiletpapier van vier lagen dik. De frisgewassen lakens. Hun carrières, hun vrienden en de mensen die hen kennen. Ze zou hen willen zijn, ze lijken zo moeiteloos door het leven te glijden. Alsof ze netjes en synchroon bewegen op de maat van de muziek die zij allen horen, maar waar zij doof voor blijft. Er is een geheim dat zij niet kent, denkt ze. Zoals ze vroeger de volwassenen ervan verdacht allerlei stiekeme dingen te doen, als hun kinderen in bed lagen. En dat er een moment zou komen waarop men haar zou vertellen hoe het allemaal precies ging. Op die uitnodiging wacht ze nog altijd, als op een startschot.

Het slechte is makkelijker te doen dan het goede, denkt ze. Vallen gaat makkelijker dan opstaan. Snoep is lekkerder dan fruit. Wie wordt gered, en wie is verdoemd? Voor wie luidt de klok, voor wie blijft het stil?

Ze wil slapen en de tijd verbrokkelt in haar handen.

Betty Blue

Dit was mijn inzending voor de A.L. Snijdersprijs 2014. De longlist is ondertussen bekend, maar deze zit er niet bij. 

Beloof je dat je nooit meer weggaat? We lagen hand in hand in de beschutting van de duinen. Hoogzomer, late namiddag, zinderend zand. We kenden elkaar een dag of twee. Een waas van een ontmoeting op strandfeestje, onzingesprekken rond het vuur, samen lurken aan joint. Een paar uur slapen in de tent. De nieuwsgierigheid naar elkaar maakt ons wakker, onze lijven zijn lang en lenig. Hongerig ook.

Beloof je dat je nooit meer weggaat? Ze vroeg het vlak voor ze in slaap viel en het antwoord niet meer hoorde. Een eenpersoonsmatras op een gore vloer, waar we ons soms dagen aan stuk op verschuilen konden voor de wereld. Ze leefde als opgejaagd wild, met een heftigheid die me soms verontrustte. Als ze danste, dan danste ze tot aan de morgen. Dronk ze, dan tot de fles leeg was. Als ze liep, dan tot ze neerviel. Dan raapte ik haar op en droeg haar de trap op. Wiegde haar zolang het nodig was.

Beloof je dat je nooit meer weggaat? Nu moest ik naar haar zwaaien van op de parking, zij achter een raam ergens in de verte. Haar tijd was op, zeiden de dokters. Genetische predispositie, wat wil je dan? Ik bezocht haar een laatste keer omdat ik wou dat ze een gewond vogeltje was dat ik kon laten vliegen.

Limbo

Ik rek. Ik strek. Armen, benen, enkels. Rug en wervels. Ik weet dat ik er belachelijk uit zie, dus ik vermijd blikken in de spiegel of in de weerkaatsing van het raam. Kijk naar binnen, zegt de leraar. Voel je adem. En je organen. (Jaja, denk ik. Dat zal wel). Hij houdt zijn stem met opzet laag, zalvend. Op onze matjes buigen we ons elke week een uur op zijn bevel. Kont omhoog of stamelend op één been in boomhouding. Uiteindelijk haalt het allemaal geen reet uit, daarvoor doe ik het te weinig. Als ik tijdens één van de lessen te veel een houding moet verlaten omdat mijn refluxprobleem net iets te hevig opspeelt geeft hij me na afloop zijn kaartje mee. Hij doet aan holistische massages en misschien kan hij mij wel helpen, beweert hij. Iets met zenuwknooppunten in het middenrif en zonnevlechten en meer van die shit. Ik mompel bedankt en ik denk ‘yeah right’ bij mezelf. Mijn lief zegt dat ik naar de dokter moet, en ik zeg dat ik dat zal doen. (Ik doe het niet, nu niet. Nog niet. Omdat het toch weer op niets zal uitdraaien. Een rits vage, dwaze klachten die meer ongemak veroorzaken dan iets anders. Het is niets).

Andere dagen wandel ik in snel tempo op een loopband met een gemiddelde hellingsgraad van een procent of 8. De ijdele hoop om het comfortabele speklaagje dat zich rond mijn lichaam wikkelt te laten wegsmelten en terug een pezig wezen te worden. Katachtig en soepel, jong en gezond. Ach ja, een mens mag dromen, niet waar? Lopen lukt niet meer, in geen tijd beland ik in de blessuretijd omdat ik nu eenmaal geen maat weet te houden.

Rondom mij doen mensen succesvolle dingen. Er zijn prijsuitreikingen en feestjes, drinks en twunches, popupdingen en masterclasses. Storytelling en contentcreation. De boekenbeurs ook, dat zag ik aan de gestage stroom van berichten in allerlei newsfeeds waarin schrijvers allerlei aankondigden op deze of gene dag te signeren. Op het einde van de rit winnen de kookboeken de race. En Kiekeboe. Het lijkt alsof al de rest in een enorme vergeetput verdwijnt, tenzij je iets schrijft over natte dozen. En dan nog.

In dit donkere seizoen met dit prachtige najaar ben ik in limbo. Alsof ik met mijn voeten in zwarte, zuigende modder vastzit. Mijn leven is een eeuwig status quo, permanent blijf ik aan de wal. Wat verandert doet dat buiten mij, zonder mij. Ik ben passief, langoureus, immobiel. Een onverstoorbare kei in een snelle bergrivier. Honderd jaar later lig ik daar nog.

Ik verlang naar verandering. Op sollicitatiegesprekken probeer ik mezelf te verkopen, ik probeer net dat te zeggen wat de ander wil horen. Ik doe alsof ik dynamisch ben en laat achteloos termen vallen die daar iets te betekenen hebben. Een succesvol jong mens in zijn dertiger jaren, genre ondernemer vraagt me in alle ernst: kun je eens vertellen hoe andere mensen, je collega’s bijvoorbeeld, jou zien?

En ik denk bij mezelf: wat – in hemelsnaam – doe ik hier?

Mijn hoofd hangt achterover in de wasbak. Mijn ogen gesloten, ik voel hoe de leerling-kapster door mijn haren woelt. Met een onverwacht sterk West-Vlaamse tongval vroeg ze me daarstraks of ze de massagefunctie van mijn stoel mocht aanzetten. (Dat mocht). Traag wordt nu mijn rug gekneed door een onzichtbaar mechanisme onder het nepleer van de stoel waarop ik zit. Op hetzelfde ritme als het gekneed voel ik misselijkheid opkomen en terug wegebben. Ik denk aan La Nausée en de Engelse variant ervan, nauseous. Het is alsof ik het woord op mijn tong proef, met de vette sisklank in het midden. La Nausée. Van die woordcombinatie gaat dan weer een onbestemde dreiging uit, ietst groots dat een mens teneer drukt. Ik moet het in het Nederlands doen met misselijk, alsof het een vergissing is.

Hoofdpijn. Altijd hoofdpijn. Ik merk het pas als ik opsta en eens geen hoofdpijn heb. Virussen verschuilen zich in mijn bloed, ik voel me op en af ellendig. Ik kan niets denken en ik kan niets doen. Ik weet dat ik moet rusten. In mij ijsbeert de onrust als een leeuw in een kooi. Ik moet actief zijn, productief zijn, resultaten laten zien, niet in ijdelheid mijn dagen doorbrengen. Ik moet voortdoen, afwerken, schrijven, afwassen, dweilen, douchen, eten maken, lezen. Geld uitgeven.

Niets krijg ik gedaan, geen letter op papier. Nergens zin in, er blijft niet veel van mij over behalve woede en ergernis. De manier waarop wij behandeld worden, ons laten behandelen, zelf anderen behandelen. De kortzichtigheid, het eigenbelang, de lafheid, de principeloosheid. (Och zwijg toch. Altijd met dat zelfde gezaag).

De coiffeuse komt zelf mijn haar uitspoelen en merkt op dat ik veel haar verlies. Dat weet ik, en dat is altijd zo geweest maar haar observatie is goed wat milde paniek. Word ik kaal? Mijn haar is al zo dun. Is er iets aan te doen? Gelukkig heeft ze folders en pillen en shampoos, serums met geheimzinnige molecules die je haar dikker maken of het er toch zo laten uitzien. Uiteindelijk wint mijn aangeboren luiheid het toch en doe ik niets (behalve dan een namiddag driftig rondsurfen op zoek naar wetenschappelijk verantwoorde remedies. Eens ik begrijp dat die er zijn ben ik genoeg gerustgesteld en rust ik op mijn lauweren).

Later merk ik dat het kleuren niet zo goed gelukt is, een pluk grijs vooraan is grijs gebleven. Ach ja.

Ik ontwijk nieuws, kranten, tijdschriften omdat de inhoud mij deprimeert en quasi overal hetzelfde is. Radio verdraag ik nauwelijks nog, meestal Klara, een enkele keer Radio 1 maar dan enkel na het ochtendblok. Het is alsof ik allergisch ben geworden aan die hap-snap formats waarbij een onderwerp ten gronde behandeld moet worden in 10 minuten of minder. Soms vraag ik me af of ik gewoon in en dipje zit of er iets anders aan de hand is. (Er is niets anders aan de hand).

Er is kunst. Een boek dat je leest en dat altijd op merkwaardige wijze aansluit bij wat er in je leven speelt op dat moment.

Op zondagmorgen schuifel ik met zoveel anderen over het speciaal daarvoor donker gebeitste parket van het SMAK. Op zoek naar schoonheid en naar de troost die zij mag bieden. Er zijn dekens en verwrongen karkassen waarin je nog een half mens herkent. Het indrukwekkende paard dat ophangt in een grote ruimte en dat je zou willen strelen.

Er is angst, er is schaamte maar er is ook de belofte van tederheid en zorgen voor. (Misschien ben ik aan de beterhand).

WP_20141019_006

Demotiveren voor dummies

Het moet niet altijd positief nieuws zijn. We hebben al genoeg handleidingen bij het leven genre “7 dingen die je nooit moet zeggen tegen singles die net hun huisdier zijn verloren” of “22 tips voor ruglijders met astma-aanvallen die graag romantische strandwandelingen maken”. Neen, vandaag hebben we eindelijk nog eens aandacht voor de witte welvaartsmotor van deze samenleving, de bezieler van de heilstaat der KMO’s, de patroonheilige van de Hardwerkende Vlaming, ofwel hij (en in sommige gevallen zij) die door het leven gaat als “den baas”.

Den baas is het Alfa en het Omega der dingen natuurlijk, en heeft een miljoen dingen tegelijkertijd aan zijn hoofd want de loonlasten zijn te hoog en de belastingen ook al en het personeel te lui en te weinig competent. En je kunt geen krant meer open slaan of het gaat over de balans tussen werk en privéleven of over burn out. Uiteindelijk ben je als baas beter af zonder personeel, maar ja, ontslagpremies en vakbonden en al. Nochtans is de oplossing klaar en simpel: demotiveer uw werknemers! De kans is groot dat ze dan zelf andere horizonten opzoeken, en jij hebt er geen last meer van. Opgeruimd staat netjes!

Met deze simpele tips klaart u de klus in geen tijd.

  1. Eén baas is geen baas.

Bazen zijn tof. Bazen zijn prachtig. Bazen zijn gewoonweg de max. Je kunt er dan ook niet te veel van hebben. En je personeel krijgt er ook nooit genoeg van! Een getuigenis van ene Wendy die verder anoniem wenst te blijven:

Ik heb 4 bazen. Om te beginnen is er mijn directe chef. Toffe gast, die zelf het goede voorbeeld geeft door mails te versturen tot diep in de nacht. Maar er is natuurlijk ook zijn baas. Die heeft soms ook dringende zaken die moeten afgewerkt worden, en omdat mijn bureau in zijn gezichtsveld staat is het niet meer dan normaal dat hij soms op mij af komt gestormd met één of andere taak.

En dan zijn er ook nog de 2 zaakvoerders/aandeelhouders van het bedrijf waar ik op de payroll sta. Die kunnen natuurlijk ook altijd langskomen of mailen met een opdracht. Die dringend moet uitgevoerd worden. Zonder dralen ook. En zo geraakt mijn dag goed gevuld.”

  1. Details, details, details.

Grote lijnen en visie, allemaal goed en wel. Details, dat is pas belangrijk! En het leuke is, je kunt er je werknemers zo heerlijk de kast mee opjagen. Als ze zich de hele dag de schoenen van onder het lijf lopen om één of ander evenement in goede banen te leiden, waarom zou je dan niet eens gaan mierenneuken over een brochure die verkeerd ligt, een logo dat scheef staat, een banner die volgens jou niet op de juiste plaats is opgesteld of – en hier kun je echt scoren – je naam die op je badge AAN elkaar geschreven is in plaats van VAN elkaar.

Creatief zijn is hier de boodschap: zoek elke keer een ander detail om te mekkeren, dat verhoogt het gevoel van onzekerheid omdat je werknemer nooit kan anticiperen op wat je gaat zeggen en hij zal zeker nooit het gevoel hebben dat hij een goede prestatie heeft neergezet.

  1. Apprecieer het werk van uw werknemers op uw eigen manier.

De tijd van Baas Gansendonck is al een tijdje voorbij. Maar dat wil niet zeggen dat er geen manieren genoeg zijn om het werk van uw werknemers te appreciëren en tegelijkertijd niet te appreciëren. Voorbeeldjes?

  • Zeg: deze taak heb je goed gedaan, maar <insert waslijst aan dingen (zie ook vorige punt) waar “ruimte” is voor verbetering>.
  • Laat duidelijk merken dat je een document waar je 37 keer DRINGEND om hebt gevraagd niet hebt gelezen.
  • Kom onvoorbereid en steevast te laat toe op meetings. Niets dat je minachting voor je personeel dikker in de verf zet.
  1. Delegeer.

Delegeren is een kunst. Een mens kan nu eenmaal niet alles zelf doen, zoals koffie halen bijvoorbeeld. Of restaurants boeken voor jouw leuke avondactiviteiten in exotische steden. Het leukste is delegeren aan mensen die niet weten dat je dingen aan hen hebt gedelegeerd. Out of the blue kun je dan plots mails beginnen sturen met ‘kun je er in het vervolg zorgen dat x of y wordt opgevolgd, want ik zie dat dat hier weer helemaal in de soep loopt’. Zorg er ook voor dat x of y een complete pietluttigheid is die in wezen weinig te maken heeft met de kerntaken van de werknemer in kwestie. Zoals het opzetten van de Kerstboom, ik zeg maar wat.

Zomer in de stad

Uit een café klinkt de klagerige stem van Billy Idol die zegt dat het hot in the city, hot in the city is tonight. Het is dat uur waarop er nog een restje licht in de hemel hangt terwijl het toch al donker is. De deftige mensen zeiden ‘allez, het is tijd om naar huis te gaan’ en haastten zich naar de laatste tram of bus. Zij die achterbleven begonnen luider te praten en fanatieker te drinken. De cafébazen draaiden de knop nog een slagje meer naar rechts.

Restantjes hitte sluipen als mistige slangen over de grond en slingeren zich om de benen van de passanten. Uiteraard de walmen van vet en zweet en neergeslagen stof. Niemand weet het maar iedereen verlangt naar regen die valt in drommen en bellen op de grond maakt, en deze gekmakende warmte wegspoelt.

Uit riolen komen ze gekropen, de gekken en de freaks. De verstotelingen en de verschoppelingen van de dag. Het uitschot, het proletariaat van lompen. De schurftlijders, de junkies, de dwazen en de zotten met hun weggevreten tanden, hun draderige haren en hun zwarte nagels. De zurige geur die hun komst aankondigt voor je hen ziet. In een verlaten winkelstraat klemt een verschrikte man wat hij bezit in halfvergane plastic zakken. Hij ziet je niet, hij mompelt wat.

Er hangt iets wulps in de lucht en ook iets met bloed. Vrouwen laten hun schelle lach klinken met een zenuwspoor er in, duwen grijpgrage handen weg. Hij laat nog eens hetzelfde aanrukken, de barman zet LA Woman op. Mensen knikken op het ritme, voeten en handen bewegen onbewust. Demonen maken zich op om over te nemen. Een oude kerel schuifelt binnen en probeert indruk te maken met gelamineerde poëzie die op geen kloten trekt. Een zatte kerel trakteert hem een pint en vraagt iets over het rijmschema. De dichter wordt kwaad en gooit zijn papieren in het rond. De barman maakt zich groot en wijst naar de deur en moet tenslotte toch vanachter de bar vandaan komen om hem bij zijn kraagt te pakken en met een schop in zijn achterste de deur uit te schoppen. De kleinburgerij heeft weer iets om thuis te vertellen.

Welcome to the Jungle, krijst Axl Rose en overstemt daarmee het schuifelen van stoelen. De dronkaard headbangt uit de maat, smakt zijn hoofd uiteindelijk toch tegen de bar, zwiept daarna achteruit en krijgt van de barman een handdoek om zijn bloedneus te stelpen. Er wordt een taxi gebeld.

Ik wil dansen, zegt de vrouw. Kom, laten we gaan dansen, zegt de vrouw. Goed dan, zegt de man, maar waar?

Op weg naar de danskeet pakt ze zijn arm, hij rookt een sigaret. Haar hakken klikklakken op de kasseien, op een triestig plein krijgt een schizofrene dakloze visioenen van de  marcherende legers van de apocalyps. Iets knettert witheet in zijn hoofd, zijn brein een oververhitte kerncentrale. Stemmen donderen, sterren schitteren als zonnebollen in de lucht. Een klok bimbomt en elke slag is een slot van de hellepoort die ontsloten wordt.

Dit is de perfecte storm.

Gehad

Ik ben het beu, ik ben het zat, ik heb het helemaal gehad. Met die leventjes van zijde en die meninkjes van papier, met dat suikeren gestel. Met die porseleinen koppetjes en die principes van bordkarton. Met die luciferhouten beentjes en die octopussenhandjes, met die engelharen baardjes. Met die pijntjes en die kwaaltjes, met die lifjes en die lafjes. Met die ruggengraat van gyproc en die zenuwen van spinrag. Met dat bloed dat smeekt om Dettol. Met die pauwenveren ogen en die hermelijnen buikjes. Met die geheugens van goud en zilver en diamant. Met die glimlachjes van zirconium en die ademtochtjes van plutionium. Met die hartjes van glas in lood en die skeletten van pekelharing. Met die naveltjes als zwarte gaten.

Ik ben het beu, ik ben het zat, ik heb het helemaal gehad. Met die traagheid, met die dwaasheid, met die laksheid, dat onverschil en dat hoog gegil. Met dat blaten zonder wol. Met dat zeuren en dat zagen zonder eind. Met die zwakheid en die lafheid en altijd maar excuses. Met dat zitten en dat gapen, met dat tsjilpen en dat bleiten zonder dat er iets verandert. Met die gelatenheid en onze schaapachtigheid. Met dat zwijgen in een hoekje. We willen brood en we willen spelen. We krijgen brood en we krijgen spelen. We janken niet en we schreeuwen niet. We durven niet en we willen ook helemaal niet. We denken niet en we doen de moeite niet. Het is te ver, we zijn te moe, we zijn te bang en ons been doet zeer. Het regent of het hagelt en de bus was weer te laat. Het boeit ons niet, we kunnen niet. (Maar het doet ons wel heel veel verdriet).

Ik gruwel van deze tijden waarin we schooien en bedelen om te krijgen wat ons toekomt. We worden belogen, we worden bedrogen, we worden bestolen en we zeggen netjes dankuwel mijnheer, mevrouw. Onze handen zijn gebonden. We zijn geknecht, getemd en we zijn gemuilkorfd, we zijn verdwaasd en gedrogeerd. We zijn junks en we zijn loosers, we slikken op bevel. We zijn o zo bang en we zijn o zo broos. We vitten op elkaar, dat lukt ons wonderwel.

Waar is het revolte en het oproer? Voor wanneer het bonken op de tafels? Hoe lang nog zullen wij dat pikken, het spekken van de banken, het stromen van het water naar de overvolle zee? Het geregel, het geritsel, het gespin, het gesjoemel en gedraai? Wanneer is het genoeg en wanneer zijn wij het beu? Wanneer laait onze woede op? Wie staat op en wie blijft zitten, wie geeft op en wie gaat door? Wie houdt het vuur brandend in de haard, wie gaat zitten op de stoep?

Ik wens ons ijzeren vuisten en een wil van staal. Spieren als taaie touwen en een gemoed van zachte klei. Een laserstraffe blik en kuiten van beton. Een hoofd dat snakt naar vrijheid en polsen zonder ketens. En af en toe wat stampen in de kloten.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 2.609 andere volgers