Feeds:
Berichten
Reacties

Gehad

Ik ben het beu, ik ben het zat, ik heb het helemaal gehad. Met die leventjes van zijde en die meninkjes van papier, met dat suikeren gestel. Met die porseleinen koppetjes en die principes van bordkarton. Met die luciferhouten beentjes en die octopussenhandjes, met die engelharen baardjes. Met die pijntjes en die kwaaltjes, met die lifjes en die lafjes. Met die ruggengraat van gyproc en die zenuwen van spinrag. Met dat bloed dat smeekt om Dettol. Met die pauwenveren ogen en die hermelijnen buikjes. Met die geheugens van goud en zilver en diamant. Met die glimlachjes van zirconium en die ademtochtjes van plutionium. Met die hartjes van glas in lood en die skeletten van pekelharing. Met die naveltjes als zwarte gaten.

Ik ben het beu, ik ben het zat, ik heb het helemaal gehad. Met die traagheid, met die dwaasheid, met die laksheid, dat onverschil en dat hoog gegil. Met dat blaten zonder wol. Met dat zeuren en dat zagen zonder eind. Met die zwakheid en die lafheid en altijd maar excuses. Met dat zitten en dat gapen, met dat tsjilpen en dat bleiten zonder dat er iets verandert. Met die gelatenheid en onze schaapachtigheid. Met dat zwijgen in een hoekje. We willen brood en we willen spelen. We krijgen brood en we krijgen spelen. We janken niet en we schreeuwen niet. We durven niet en we willen ook helemaal niet. We denken niet en we doen de moeite niet. Het is te ver, we zijn te moe, we zijn te bang en ons been doet zeer. Het regent of het hagelt en de bus was weer te laat. Het boeit ons niet, we kunnen niet. (Maar het doet ons wel heel veel verdriet).

Ik gruwel van deze tijden waarin we schooien en bedelen om te krijgen wat ons toekomt. We worden belogen, we worden bedrogen, we worden bestolen en we zeggen netjes dankuwel mijnheer, mevrouw. Onze handen zijn gebonden. We zijn geknecht, getemd en we zijn gemuilkorfd, we zijn verdwaasd en gedrogeerd. We zijn junks en we zijn loosers, we slikken op bevel. We zijn o zo bang en we zijn o zo broos. We vitten op elkaar, dat lukt ons wonderwel.

Waar is het revolte en het oproer? Voor wanneer het bonken op de tafels? Hoe lang nog zullen wij dat pikken, het spekken van de banken, het stromen van het water naar de overvolle zee? Het geregel, het geritsel, het gespin, het gesjoemel en gedraai? Wanneer is het genoeg en wanneer zijn wij het beu? Wanneer laait onze woede op? Wie staat op en wie blijft zitten, wie geeft op en wie gaat door? Wie houdt het vuur brandend in de haard, wie gaat zitten op de stoep?

Ik wens ons ijzeren vuisten en een wil van staal. Spieren als taaie touwen en een gemoed van zachte klei. Een laserstraffe blik en kuiten van beton. Een hoofd dat snakt naar vrijheid en polsen zonder ketens. En af en toe wat stampen in de kloten.

Book Challenge.

- Ah, hier zie. Nog zo’n pseudo-intellektueeltje dat moet showen met de boeken die ze heeft gelezen.

- Goh ja, showen … Ik vond het gewoon een tof spelletje.

- Jaja, dat zal wel. En? Staat Dostojevski er bij? Ook moeten opzoeken zeker hoe je dat precies moet spellen?

- Euhm, nee. Allez, hij staat er niet bij, maar ik wist wel op voorhand hoe je dat spelt. Met een V en niet met een W. Dat heeft te maken met de transcriptieregels herinner ik mij uit een vaag verleden.

- En daarbij, 10 boeken die je leven veranderen. Dat bestaat niet. Hoogstens twee misschien. En dan nog.

- Mja, ik had het zo niet begrepen eigenlijk. Memorabele boeken hadden ze mij gezegd. Dus ja, boeken die je op de één of andere manier zijn bijgebleven.

- Staan er strips in je lijstje?

- Nee, ik lees dat eigenlijk niet graag, strips.

- Ik wist het wel. Snob.

 

Mijn lijstje dus. Omdat ik er niet kan over zwijgen.

  1. De geverfde vogel (J. Kosinski)

Met voorsprong het meest gruwelijke boek dat ik ooit las. Joodse jongen wordt tijdens de oorlog ondergebracht bij Poolse boeren die daaraan een aardige zakcent willen verdienen. Eenzaam en kwetsbaar als hij is wordt hij het mikpunt van de meest gruwelijke mishandelingen door primitieve mensen. Blijkbaar min of meer autobiografisch, Kosinski leefde en werkte daarna grotendeels in de VS. Pleegde zelfmoord door in bad een plastiek zak over zijn hoofd te trekken, wat naar verluidt één van de zachtste manieren is om de boel hier de boel te laten. Heb ik mij laten vertellen ooit, maar ik ben niet van plan ervaringsdeskundige te worden.

  1. De Meester en Margarita (Boelgakov)

Ah, toch een Rus. Toen ik Slavistiek studeerde moesten we er elk jaar 10 lezen (in het Nederlands welteverstaan). Dus ja, ik heb al die dikke Dostojevski truffels gelezen en zelfs met redelijk wat plezier. Zeker toen ik door begon te krijgen dat dat constant aangehouden lichtelijk hysterische toontje iets te maken had met wat Professor Soëp de ‘Russische Ziel’ noemde. Tolstoj heb ik dan weer in de hoek gezwierd. En toen begon ik aan De Meester en Margarita (inspiratie geweest trouwens voor Sympathy for the Devil van de Stones) en ik werd aangenaam verrast door de lichte elegantie van het boek (ik kan het moeilijk anders omschrijven). Maar lees het eens, en laat mij weten wat je ervan vond.

  1. Tender is the night (F. Scott Fitzgerald).

Moet gij nu altijd speciaal doen? Waarom kun je niet zoals iedereen The Great Gatsby nemen? Gewoon, omdat ik Tender is the Night liever heb gelezen. De tragiek is tederder, minder egocentrisch dan in The Great Gatsby. Het geestelijke en lichamelijke verval is bijna tastbaar, het afglijden in decadentie onafwendbaar. Werkelijk een pareltje van de wereldliteratuur.

  1. Hasse Simonsdochter (T. Beckman)

Historische jeugdroman van de onnavolgbare Beckman. Wat Harry Potter is voor de millenials, was Beckman voor mijn generatie. Alles van Beckman dat bij ons binnenkwam werd letterlijk stukgelezen.

  1. Christiane F (Christiane F.)

Staat hiertussen omdat het boek mij als 13jarige deed dromen van wilde nachten in duistere discotheken, dansen en onbetamelijke hoeveelheden drugs nemen. Raar om te zeggen misschien, maar ik wilde haar leven, meemaken wat zij had meegemaakt. Maar ik woonde in fucking Brugge en daar was geen hol te beleven en bovendien vonden mijn ouders mij veel te jong om alleen bij nacht en ontij over straat te zwerven. (Tegelijkertijd luisterde ik ook heel veel nar Heroïne Godverdomme van Doe Maar hoor!)

  1. The Catcher in the Rye (Salinger)

Eigenlijk is dat zelfs geen boek meer voor ‘mijn generatie’ omdat het zich afspeelt in de Jaren ’50. Mijn leraar Engels raadde het ons aan toen ik het 5de of 6de middelbaar zat en ondanks de setting (kostschool & rijke ouders in de jaren ’50) toch heel erg veel herkenning. Teenage angst en what not. Het onbegrip van de wereld dat je op die leeftijd ervaart. Ik probeerde het boek ook te pitchen bij mijn dochter, maar die lustte het niet. Zij was dan weer zot van ‘The Perks of Being a Wallflower’ waarin ik een beetje gelijkaardige thematiek zie. Om goed te zijn zou ik het boek nog eens moeten herlezen zodat ik kan zien of er nog wat van overblijft. Maar het maakte zoveel jaren geleden wel een verpletterende indruk, ja.

  1. L’Etranger (Camus)

Wat zou een mens zijn zonder goede taalleerkrachten die je stimuleren of zelfs dwingen om uitstekende boeken te lezen? Ik weet niet meer of het verplichte lectuur was, maar het moet zeker wel Beethoven (bijnaam van de leraar in kwestie die hij kreeg omwille van zijn haardos, ondertussen ligt hij al goed en wel onder de zoden en als het niet zo’n goddeloos figuur geweest was, ik zou gezegd hebben ‘God hebbe zijn ziel’. Maar dit allemaal terzijde).

Opnieuw een mokerslag eigenlijk. Ik was enorm onder de indruk van de zeer afstandelijke vertelstijl van Camus, iets wat ik jarenlang heb proberen nadoen.

Dat The Cure hier zijn inspiratie haalde voor Killing An Arab is ondertussen ook al een weetje dat iedereen bekend is.

  1. Het Leven voor de Mens (Atwood)

Atwood moest er bij, het maakt op zich zelfs niet zoveel uit met welk boek. Ze slaagt er altijd in om de meest vreemde universa te beschrijven, bizarre dystopieën waarin mensen of mensachtigen weinig invloed lijken te hebben op het eigen lot. Ze zijn overgeleverd aan perverse dynastieën en tirannen of het slachtoffer van de extreme natuur om hen heen.

  1. I Know This Much Is True (Lamb)

Wally Lamb is in deze contreien wellicht niet zo bekend. Ik pikte het boek ‘Vergeef Mij’ jaren geleden op in zo’n goedkope boekhandel waar ze normaal gezien enkel pulp verkopen. Deze roman is echter verre van pulp of goedkoop. Een complexe familiegeschiedenis, gezien door de ogen van twee broers (een tweeling) waarvan de ene lijdt aan schizofrenie en de ander zich verantwoordelijk voelt. Geschetst met op de achtergrond het Amerika van de jaren ’50, in the great American novel traditie.

  1. Trainspotting (Welsh)

Ik las het boek voor ik de film zag. Net verhuisd naar Slough in 1996 en ik probeerde de eenzaamheid en de twijfel te verdrijven door te lezen. Na de eerste paar zinnen twijfelde ik: was dit boek wel in het Engels geschreven? Herbeginnen. Verdomd ja, dat leek toch wel erg goed op Engels, maar wat waren al die vreemde woorden daartussen? (Juist ja, Schots, and with a little help from my housemates kreeg ik het onder de knie). In mijn herinnering rauwer en complexer dan de film.

 

- Allez, doe jij nu ook al mee aan dat soort dwaas gezever over lijstjes en zo? Je krijgt daar toch nooit alles in?

- Nee, ik weet het. Easton Ellis zit er niet in, Allende niet, Marquez niet. De Ontdekking van de Hemel niet, JMH Berckmans evenmin. Geen poëzie van Enquist, of Jotie T’Hooft.

- Voilà, het is daarmee dat ik daar weiger aan mee te doen. Ik wil mijzelf niet beperken en ik zou mij veel te schuldig voelen tegenover die schrijvers die ik over het hoofd zou zien.

- Pffft, daar trek ik mij niet te veel van aan. Het is een momentopname. Vraag het mij volgend jaar nog eens, en grote kans dat het lijstje er helemaal anders uitziet.

- Denk je? Want ik zie wel een thema in jouw lijstje.

- Ik ook. Ik ben altijd al zot geweest van drugs en waanzin precies.

- En van outsiders.

- En van outsiders. Tiens, tiens.

Eilandje

Opeens was Olav Grondelaers terug op Radio Klara en prompt won ik in zijn Happy Hour twee vrijkaarten voor een Literatuurfestival tijdens de autoloze zondag in Antwerpen. Zoals het ondertussen gaat tussen ons stippelde mijn lief een haalbaar plan uit terwijl ik een beetje met mijn kop in de wolken liep. Als er iets was dat ik wilde zien, dan was het Joost Zwagerman over zijn laatste, nl. Americana. omdat ik hem daar al over bezig had gehoord in Pompidou ook op Klara. Lief is gek van oorlog en kiest voor zichzelf een lezing over Literatuur en Oorlog of Oorlog en Literatuur, ik wil er vanaf zijn. In de aanloop naar die zondag zeggen we minstens één keer per dag tegen elkaar dat we dus nog nooit samen in Antwerpen geweest zijn en dat het van ons allebei echt wel heel lang geleden is dat we nog in Antwerpen waren en dat dat toch eigenlijk best wel raar is want dat er eigenlijk niet zoveel mis is met Antwerpen en dat er ook wel toffe dingen zijn in Antwerpen.

Op de trein was de conducteur een dikbuikige olijke West-Vlaming.’Ja, mijnheer, Beveren-Waas, mijnheer? Ja, daar stopt de trein ook ja, altijd in het weekend. Maar wel pas om vijf voor twaalf hé. Ja, ik weet het mijnheer, dat dat een raar uur is, maar verder kan ik daar eigenlijk ook niets aan doen mijnheer’. We ergeren ons gezamenlijk aan het meisje dat haar koffer niet achter of boven de zetel wegbergt en we voelen onze liefde groeien.

Half op het gevoel en met het andere oog op de kaart wandelen we naar het Eilandje. We vergapen ons een beetje aan het MAS en zoeken ons suf naar het paviljoentje waar we onze tickets moeten afhalen.

Later, in de Noorse Zeemanskerk interviewt Marc Reynebeau (die we ook al in de trein zagen) Marijke Libert en Stefan Hertmans (die op hetzelfde terras als wij van een koffie slurpte) over hun beider romans. De polemiek die Grunberg in gang stak over de echtheid en de authenticiteit van de cahiers van Hertmans’ grootvader wordt aangeraakt en de rol van de schrijver om het verleden te reconstrueren en op te vullen met wat had kunnen waar zijn. Is het verslag van een ooggetuige meer waar dan wat een schrijver er achteraf van brouwt? Uiteindelijk verzandt het gesprek net iets te veel in de persoonlijke motieven van Libert en hoor ik net iets te veel dat er een angst zat die moest losgelaten worden. Boeiend, zou mijn dochter zeggen.

We haasten ons naar het Felixpakhuis om er de clash te zien tussen Baudet en iemand anders, onderweg hebben we het nog over Oorlog en Terpentijn. Lief heeft het gelezen, ik nog niet. Hij vond het prachtig, maar zou het ‘jammer’ vinden als zou blijken dat de dagboeken een verzinsel waren. Mij zou het niets uitmaken denk ik. Russel had er vast ook iets interessant over te zeggen, over wat ‘echt’ nu precies is.

Gezeten in een witte zetel hoor ik Baudet vooral kraaien ‘dat is onzin’ en ‘wat is daar nou Europees aan?’. Op geen enkel moment wordt hem gevraagd waarom hij ongeveer alles als ‘onzin’ bestempelt. Ergens onderweg bekent hij dat hij allergisch is aan ‘linkse mensen en Europa’. Ik ben al lang blij dat ik geen 15 € heb neergeteld om dit dovemansgesprek te mogen bijwonen. Schaamlijk, zou mijn dochter zeggen.

Zwagerman is ziek en heeft afgebeld en van Vekeman is er ook al geen spoor te bekennen zodat wij ook op het gemak richting huis sukkelen. En onderweg nog even mopperen tegen elkaar dat ze dat wel eerder hadden mogen zeggen van Zwagerman want dat we dan nog Philipp Blom hadden kunnen zien.

Op de trein.

- Schatje.

- Hmmm?

- ‘t Was leuk hé, vandaag?

- Ja. En gisteren ook eigenlijk. En vrijdag ook.

- Wat hebben wij ook weer gedaan vrijdag?

- …

- Ja, dat was ook leuk.

 

Van binnen naar buiten.

Van buiten naar binnen kijken, zo voelt het altijd. Je bent de eenzame man op een bankje bij de speeltuin. De kinderen spelen, de moeders bekijken je vreemd. Niemand praat met je of nodigt je uit. Jij deed je hele leven niets anders dan je vreemdeling voelen tot je op een dag merkte dat je vreemdeling was.

Je beweegt vreemd. Hoekig en luid, te luid. Je wil aaien maar je strijkt alweer tegen de haren in. Je spreekt, maar de woorden vallen verkeerd. Je probeert ze op te rapen en terug te duwen in je mond, maar ze pulveren in je hand. De wind blaast het zwarte stof over het dorp en regent neer op witte lakens en vers gepoetste auto’s. De mensen kijken boos en schreeuwen, je loopt weg, het bos in. Er is zoveel dat je zou willen begrijpen.

Je hebt altijd gehouden van dode kuikentjes en woelen in het zand. Van weggegooide kraaltjes en poppen zonder hoofd. Van oude mensen en hun geur, van hun treuzelen en hun verhalen. Het is alsof je oud geboren bent. Tijdens het speelkwartier schop je tegen een steentje aan. Je telt de spijlen in het hek of hinkelt in je eentje de hemel in. (Wan, toe, triejaplenie zing je in je hoofd. Je kaatst drie ballen tegen de muur.)

Je zou een feest willen waar je welkom was en waar je zou blijven tot iedereen naar huis ging. Iedereen zou je naam kennen en weten wie je was, vanbinnen. Er zouden lampionnen hangen. Je zou voor een keer niet de behoefte voelen het feestgedruis stil en ongezien achter je te laten omdat je verdwaalde in gesprekken en schaterlachen dat je niet begreep.

Maar je loopt over straat, alleen op een avond. In knusse huiskamers heerst harmonie. Mensen lachen buiten op het terras van een café. Je kent ze niet. Niemand kijkt op. Je streelt de hond die weggeschopt wordt. Hij bijt. Wat is het dat mensen opgeven om ergens bij te horen? Wat is het dat ze kennen, wat is het dat ze weten? Wat is het dat hen bindt? Welk spel spelen ze en welke regels worden gevolgd? Mag ik mee spelen? De stilte valt.

’s Nachts zie je de maan uit je raam in een verder donkere nacht. Een witte zwijgende schijf, waar je desondanks naar blijft staren. Altijd iemands ketter en vloeken in een volle kerk. Altijd ongelovig als een Thomas. De maan reist 14 volle graden in een nacht.

Ik blijf er niet voor thuis, maar gisteren deed de gelegenheid zich voor en dus ging ik er maar voor zitten. Zomergasten, het drie uur durende speelkwartier voor de intellectueel of voor iedereen die zich intellectueel waant. Soms valt het mee, soms valt het tegen. De constante is wel dat voor- en tegenstanders van het programma klaar staan met het fileermes om zowel gast als gastheer genadeloos de keel over te snijden.

Twee mooie momenten zijn mij bijgebleven, naar het einde toe zakte de soufflé een beetje in elkaar en werd er net iets te veel in clichés gegrossierd.

De eerste keer dat er iets gebeurde was toen Van Reybrouck het had over de vorig jaar overleden Friese dichter Tsjêbbe Hettinga. Hij beschreef hoe ze elkaar ontmoet hadden en hoe ze vrienden waren geweest. Toen stokte hij even, je zag hem iets wegslikken. Wilfried De Jong liet het gebeuren, liet Van Reybrouck naar adem happen. En toen ging het weer voort. Over de poëzie van Hettinga, het Fries, de paarden. Niet onverschillig, maar met veel liefde. Met een beheerste en ingehouden emotionaliteit.

Het is iets dat we niet meer lijken te kennen, die pudeur. Een ouderwets woord dat niet meer gebruikt wordt omdat het overbodig is geworden. Luidruchtig ventileren we elk emotietje dat ons overvalt in de uren dat we wakker zijn. We lijken op ongedisciplineerde peuters die voor elk pijneke – ingebeeld of niet – een portie moederkeszalf eisen van onze peers op onze sociaal-emotionele netwerken. Op quasi ironische wijze krijsen we om aandacht op het moment dat onze koffie te koud of te heet is, de radio een verkeerd muziekske speelt of de juffrouw aan de kassa een slechte dag heeft. We zagen over onze eerste wereld probleempjes via de hashtag #fml en we zakken niet eens door de grond van schaamte. We vervallen in onnozel, puberaal en goedkoop sentiment en we vinden van onszelf dat we diepzinnig en authentiek zijn. We kokketeren met emotionele dipjes en innerlijke autisten om interessanter te lijken dan we ooit zullen zijn. Luid klinkende holle vaten zijn we, met de diepgang van FC De Kampioenen. Leeghoofdige egocentrische exhibitionisten, haantjes op een mesthoop.

Verdriet, pijn, ziekte en ander leed: het is onderdeel geworden van citius, altius, fortius. Wie biedt meer dan een depressie en een angstaanval? We klagen over het gebrek aan privacy, maar zijn er wel als de kippen bij om onze meest intieme gevoelens in de etalage te zetten in ruil voor wat bijval of een virtuele knuffel van één of andere wildvreemde. Een schouderklopje van iemand met veel volgers. Een homeopathische verdunning van gevoelens, omdat we te bang, te laf en te onvolwassen zijn om ons nog werkelijk te laten raken,  kwetsen of engageren.

Schroomvallige sereniteit zoals we gisteren zagen – ook toen het ging over het absurde verlies van vrienden – waar en wanneer zijn we dat eigenlijk kwijt geraakt? (En vinden we het ooit nog terug?).

Melancholia.

Ik heb deze zomer nooit helemaal begrepen, nooit helemaal gevat. De dagen werden uitgerokken tot ze doorzichtig waren, ik bekeek ze achter glas. Het is alsof je je geliefde streelt met rubberen handschoenen aan. De regen valt en valt en valt. Ik ben geheel uit onrust opgetrokken nu, mijn lichaam vertrouwt me voor geen meter. De hele dag worstel ik met het leven. Een weerbarstige telefoon, het stof dat uit het niets verschijnt in hoeken en in kieren. Afwas, rommel en vuile ruiten. Sleutels die verdwijnen, planten die verkommeren. Op het werk wordt mijn blik wazig, mijn gedachten dwalen af. De tredmolen stopt nooit. De aarde draait rond haar eigen as aan 1674 kilometer per uur, de dagen snellen voorbij. Het enige wat ik doe is bijbenen en achter de feiten aan hollen. De wereld is te wreed geworden en ik wil het niet meer weten.

(In het jaar 2006 reed ik met mijn vrienden helemaal naar het Zuiden van Europa. Een karavaan van vluchtelingen voor het leven. De Extremadura bleef maar duren. Woestijn, een eindeloze autostrade en veel tankstations. Ik vreesde en ik hoopte dat ik zwanger was – niets van dit alles was waar. Het was loeiheet in Portugal, ik verdorde waar ik bij stond. De bomen in het landschap waren klein en krampachtig, enkel aan de kustlijn ontdekte ik wat kleur. Een koffie voor een paar centen, de gebronsde mannen spraken Frans. In hun eigen taal sprak de herinnering aan de wereldnatie die zij ooit waren, heersend over zeeën. Na 2 weken stak de zon mij grondig tegen, de hitte benam me de adem. Ik verlangde naar de koelte van het normale leven, naar regen op mijn huid. En ik dacht dat je ondertussen terug zou zijn gekomen. Vanuit Spanje reed ik in ruk door naar huis, als een waanzinnige jockey joeg ik mijn reisgenote op. Lange ritten, korte pauzes. Een koffie hier en daar, en vooral veel onrust om me wakker te houden. Op de ring rond Parijs begon het eindelijk te regenen, ik was opgelucht. Dit kende ik. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik een ongeval gebeuren, ik duwde op het gaspedaal. Misschien was de auto achter mij in de problemen geraakt door een onverwacht manoever dat ik had gemaakt tijdens het wisselen van rijstroken. Het kon me niet schelen, ik hield mijn blik gefocust op de borden boven de weg. Naar het Noorden, naar huis.

Het duurde twee dagen voor ik het zoemen in mijn oren en ogen kwijt raakte. De regen kletterde tegen de ramen, dag na dag. Ik bracht 14 dagen in de zetel door, omdat ik dan zeker de bel zou horen als jij kwam. Een andere man bood mij onbijt aan. Ik weigerde beleefd. Verder herinner ik mij niet meer zoveel, behalve de eenzaamheid die mij verpletterde).

Ik hou niet meer van dikke regendruppels in de zomer nu.

Het membraan dat mij van de rest van de wereld scheidt. Ik wil schreeuwen ‘heb mij lief’, maar ik ben luchtledig en ik durf niet bovendien.

Terug/Weg

Verdwalen in de statige steden van het oude Europa, dat anachronistische continent dat niet meer weet waar het begint en waar het eindigt.  Deze breedsprakerige boulevards en weidse pleinen droegen vroeger andere namen en behoorden andere landen toe. De geschiedenis golft heen en weer, volkeren spoelen aan als wrakhout op oevers van rivieren. Ze drogen hun kleren, rechten hun rug en bouwen wijken en kwartieren waar ze bidden wonen werken. Hun bloed verdunt, hun taal wordt week, ook hun levens behoren nu deze stad toe. Geschiedenissen worden legendes, kronieken van verbeelding en wensdromen. We kennen de generaals, de keizers, de rijkaards en de grootheidswaanzinnigen. We zijn de dienstmaagden vergeten, de leerlooiers, de beenhouwers, de bakkers. Als het goed is krijgen ze een achterafstraatje toebedeeld.

In dit kluwen van veldslagen, invasies, heersers die komen en gaan, grenzen die schuiven en weer teruggelegd worden, migraties van verre volkeren moet iets gedestilleerd worden dat identiteit heet. Er is taal, religie, grond, beroep. Stambomen die uitgevonden worden en waar men zich aan vastklampt zoals een drenkeling aan een stuk van de mast. We proberen de uitkomst te zijn van een vergelijking met louter onbekenden. We graven onze wortels op en poetsen de blazoenen tot ze blinken in de zon. We negeren de moordpartijen op onschuldigen, de armoede, de hongersnoden, de domheid, het slaafse volgen van volksmenners en poujadisten.

In Boedapest laat ik mij leiden door mijn nieuwsgierigheid, ik slenter en ik stop. Onbeschaamd dring ik onverwachte binnenpleintjes in, negeer de meisjes en hun koffies. Ik kijk naar boven en zie spuwertjes en versierde frontons. Bloembakken en andere tekenen van leven. Ik zweet en op het einde van de dag doen mijn voeten zeer. Heel de stad lijkt aan het knutselen geslaan. Klokken van oude vinylplaten, tassen van overbodige mesh banners, juwelen, bestek, meubels. Hebbedingetjes voor de hedendaagse hipster. Trendwatchers aller landen, verenigt u. Hier valt iets nieuws te ontdekken, een vibe te beschrijven, het abnormale te normaliseren en te marketen. Te targeten en geld aan te verdienen.

Er staat wijn op de kaart en de rekening komt met de mededeling ‘service not included’ dik en rood omlijnd. We vermijden de keten waar schreeuwerig de happy hours geafficheerd worden, omdat we daarvan ongelukkig worden.

Onveranderlijk grijsbruin is de Donau waarvan we de loop volgen. Soms snelstromend, andere keren breed en languit gestrekt in het landschap. Havens, binnenschepen, halve tankers glijden onbekommerd voorbij. Waar, o waar is de Donau blauw?

Als Boedapest een weerbarstige tiener is, dan is Wenen een gezette dame in een bejaardentehuis. Goed geconserveerd, zoals ze zeggen, maar een beetje saai. Er is bladgoud van de kelder tot de nok, plaasteren dikbuikige engeltjes overal. Beate Marias, treurige Jezussen en onnoemelijk veel lijdende heiligen. Krullen en tierlantijntjes, waanzinnige exuberante, exorbitante decoratieve excessen. Het is de eerste keer tijdens de reis dat ik de drang heb om het steedse leven te ontvluchten. Ik heb even genoeg van mensen die tegen me opbotsen en arrogante obers. Zoals de dichters uit de Romantiek verlang ik even naar koele wouden en lieflijk stromende beekjes. De barokke overdaad komt me even de oren uit.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 2.451 andere volgers