Feeds:
Berichten
Reacties

Ik las in de krant deze hartenkreet van een anonieme twintiger. Omdat ik het advies aan deze getroubleerde ziel een beetje zoutloos vond, heb ik er een eigen draai aan gegeven. Ook een probleem dat het deskundige advies van Wendy kan gebruiken? Mail naar liefstelita@gmail.com 

Hoi Wendy,

Twee jaar geleden werd ik smoorverliefd op een collega. We hadden regelmatig seks maar hij wilde zich niet binden. Maar ik bleef hem verleiden en na een tijd werd hij ook verliefd. Onze relatie gaat goed. Hij is superlief en doet alles voor me. Maar ons leven is saai: overdag werken, ’s avonds met ons bord op schoot voor tv. Twee weken geleden heb ik via Facebook iemand leren kennen die een avontuurlijk leven leidt: hij reist veel en zingt bij een band. We chatten regelmatig. Ik voel me schuldig, maar ik ben zo verliefd… Moet ik nu mijn vriend, die ik ook supergraag zie, verlaten?

 Anonieme twintiger

Hoi Anonieme twintiger!

Je hebt iemand gevonden die een avontuurlijk leven leidt en tijd heeft om daar elke dag op Facebook met jou over te chatten? Dat is er eentje uit de duizend, zoveel is zeker. Over dat zingen bij een band heb ik wel een beetje mijn twijfels: meestal betekent dat dat hij te dwaas of te lui is om een instrument te leren bespelen. Schrijft hij zijn eigen teksten? Dan is het dubbel opletten geblazen, want voor je het weet zit je met een pseudo-intellektueel type opgescheept that always has to express his feelings in bad English. Maar goed, misschien kom je uit één of ander boerengat waar men altijd een beetje sneller onder de indruk is dan normale mensen. (Dat zou trouwens ’t een en ’t ander verklaren). Je bent nog meer gejost als het een kerel betreft die in één of ander dwaas dialect zingt, want dan kun je je de volgende jaren verwachten aan onderbetaalde optredens met een slechte geluidsinstallatie op pakweg Zeverrock. Als je geluk hebt krijg je nog twee drankbonnetjes per persoon om bier van matige kwaliteit te zuipen bij de bol Américain die je in de ‘artiestenlounge’ op je bord gekwakt krijgt. Pluspunt is wel: het verorberen van die bol Américain is wel behoorlijk avontuurlijk te noemen, dus dat aspect van jullie eventuele relatie is alvast in orde.

Nu de vraag van 1 miljoen dus: moet je je vriend verlaten? Om het met Filip Kowlier te zeggen: mobanint! Zo’n tamzak die alles voor je doet en ’s avonds met een wezenloze blik voor de TV zijn patatjes en zijn groentjes zit op te smikkelen kun je beter in de buurt houden. Avontuurlijke types staan er om bekend twee linkerhanden te hebben, en als je ooit een carport of een veranda wil (en geloof me: dat zul je echt ooit willen!) dan is het beter om zo’n makkelijk te verleiden goedzak in de buurt te hebben. En verder heb je van mijnheer ‘wat is er vanavond op TV schatje’ toch geen last? Laat die mens toch gewoon vegeteren op jullie sofa uit de Weba!

Het is wel de bedoeling dat je ondertussen een affaire begint met de avontuurlijke zanger. Laat hem honderduit vertellen over zijn voettochten in Tenerife en zijn beklimming van de Kemmelberg. Zeg af en toe eens ‘amai!’ als hij weer voor de dag komt met een onwaarschijnlijk verhaal, dat hebben zulke types graag. Het enige dat je moet onthouden is dat je NOOIT eerlijk antwoord geeft op de vraag ‘wat vind je van mijn muziek/zang/teksten?’. Zeker niet als hij op voorhand te kennen geeft dat ‘je gerust kritisch’ mag zijn. Doe. Het. Niet. Zijn muziek/zang/band is de beste en het zijn natuurlijk die klootzakken bij Studio Brussel en Radio 1 die zijn doorbraak – die hij meer dan iemand anders verdient – tegenhouden door hem van de playlist te weren. Jij bent er om instemmend te knikken en hem over de rug te aaien als zijn onnozele single die zijn band uitgeeft in eigen beheer (liefst met jouw centen) weer eens is geflopt.

Vergeet ondertussen niet de man in de zetel op geregelde tijdstippen te voeren!

Veel succes!

Wendy

 

From disco to disco

The Fuse – Rue Blaes. Oktober 1997, 23h06

-          ‘C’est combien?’ Ik schreeuw mijn vraag in het oor van de blonde jongen met piekjeshaar.

-          ‘Sept cent la pièce. Mille balles les deux.’ Hij moet mijn twijfel zien, want hij zegt gauw: ‘Tu ne regrettras pas, ce sont des tonneaux rozes, très fort’.

Ik duw hem 2 blauwe briefjes van 500 frank in de hand, hij scharrelt in zijn heuptasje en haalt 2 roze pilletjes tevoorschijn. We hebben nu nog 200 frank over hebben om de rest van de nacht door te komen.

Lorenzo, Stephane en ik. Lorenzo is mijn lief, maar ook weer niet helemaal. Dat wil zeggen dat we leven, doen en laten alsof we een koppel zijn, maar op de vraag hoe lang we al samen zijn antwoorden we verontwaardigd: ‘niet’. Stephane is de beste maat van Lorenzo, ze zitten samen op internaat. Ik ben een jaar jonger, maar bleef tijdens de humaniorajaren niet hangen en zit nu in mijn eerste jaar aan de universiteit. Geschiedenis, maar het boeit me niet zo.

Feesten in The Fuse op zaterdagavond is rebels en mysterieus.

-          Wat ga je doen, zaterdagavond?

-          Bof, ik ga nog eens naar de Fuse gaan. Dave Clark komt draaien, ’t wordt mega.

Je leeftijdsgenoten die het moeten hebben van Studio Brussel fuiven in de sporthal vinden je een lefgozer en een voorloper.

De spanning in je buik begint al in de namiddag op te bouwen. Outfits en kapsels worden op voorhand zorgvuldig uitgekozen, net als de inhoud van je rugzak/handtas. De wandeling door de onbekende en donkere straten tussen het Zuidstation en de Blaesstraat en de vage onrust omdat je je verhalen over Brussel herinnert die spreken van verloedering, overvallen en messentrekkerij. In de ogen van bange mensen uit de provincie is Brussel een onstabiel oorlogsgebied, je blijft er beter weg.

Als je tot je eigen opluchting de juiste straat hebt gevonden, ook deze keer heelhuids en zonder kleerscheuren, begint het aanschuiven. Je monstert de extravagante uitgaanskledij van de andere hipsters avant la lettre en je bent blij dat je geen al te zware vorm-  en stijlfouten hebt gemaakt. Je bent geen trendsetter, maar je valt ook niet uit de toon als een meisje van de boerenbuiten.

Het binnenlaten van de samengetroepte feestvierders voor de deur gebeurt volgens een geheim algoritme dat enkel gekend is door de buitenwippers. Je wacht op de stoep, probeert er cool uit te zien en je hoopt dat je niet te gretig in de richting van kleerkasten voor de deuren kijkt. Dan, altijd even onverwacht, een discreet knikje in jullie richting. Je stapt de trappen op, de deuren zwaaien open. En daar sta je dan, overweldigd en nietig, in het Walhalla van de techno. Het avontuur kan beginnen.

Omdat ik meer dan genoeg heb aan wat ik spottend kinderporties drugs noem, ga ik als eerste naar het toilet om daar de helft van een pilletje af te bijten. Ik ben zenuwachtig. Ik ben altijd zenuwachtig hier, bang om betrapt te worden. De meer ervaren uitgaanders beweren dat er tussen de directie en de flikken afspraken zijn gemaakt: per weekend moeten ze zoveel dealers aan de politie verklikken, en dan wordt de dancing verder met rust gelaten. Er is ook nog een ander indianenverhaal dat circuleert over de schone juffers en pronte jongemannen achter de bar die naast pintjes van 100 frank het stuk ook XTC verkopen. Er is iemand die een vriend heeft die iemand kent die dat heeft gezegd, dat soort shit.

In het pishokje haal ik de pil uit mijn zak en bijt er op goed geluk een stukje uit. Een harde bittere smaak verspreidt zich in mijn mond. Vlug naar de lavabo voor een slok water zodat ik niet begin te kokhalzen. Hopelijk krijgt de toiletjuffrouw geen argwaan. Terug naar buiten, in de gang wacht Lorenzo. We kijken elkaar sluiks aan en ik probeer hem zo onopvallend mogelijk de rest van mijn pil door te geven, maar ik beschik nog niet over de cool van doorgewinterde stiekemerds en het voelt alsof we  opvallen als een roze olifant in een kinderboerderij.

 

The Fuse – Rue Blaes. Oktober 1997, 23h47

Mijn ogen voelen alsof iemand er een wollen dekentje over heeft gelegd. Het is moeilijk uit te leggen, ik probeer de lichtbollen weg te knipperen. Geluid raast in en uit mijn oren. Ik streel mijn eigen armen, heb warm en koud tegelijk. Ik ben zacht, vanbuiten en vanbinnen. ‘Hier’, zegt Stephane. ‘Een kauwgum’. Hij staat zelf ook al driftig te kauwen en zag mij waarschijnlijk ook de typisch gekke bekken trekken van pillenslikkers en speedsnuivers. Sjieken helpt een beetje. Ik glimlach breed, voel de neiging hem aan te raken. Of te zeggen dat ik hem graag zie. Ik streel door zijn haar. Hij trekt mijn hoofd naar zich toe, we kussen: lang en met veel tong. Dan kijk ik naar Lorenzo. Hij knipoogt en trekt me mee, de dansvloer op.

Die staat al behoorlijk vol, de eerste DJ voor deze avond zet er enthousiast de beuk in. Uptempo beats en daarbovenop simpele repetitieve melodieën, af en toe zangintermezzo’s of prekerige stukjes spoken word. Korte lyrics, suggestieve teksten, gehijg. Higher is het kernwoord. Laagjesmuziek. We deinen allemaal mee op het grondritme, ik voel me vloeibaar worden. Het lijkt alsof de muziek langs mijn navel in mij binnendringt en zich van daaruit verspreidt over de rest van mijn lichaam. Het knettert onder mijn hersenpan, ik kan niet anders dan dansen, dansen, dansen.

Ik anticipeer als een helderziende op de veranderingen op de maat van de muziek, dein perfect synchroon mee met de dreunende bassen en de lijven om me heen. Naadloos schakel ik tussen de wisselende beats per minuut, glimlachend. Mijn ogen dicht en ik word één met alles dat er is.

Dit hier is ons wekelijks ritueel, onze nachtelijke hoogmis. In deze tempel vieren we het leven en verjagen we de dood. Het ritme waarop we ons unisono bewegen is oeroud en brengt ons in een roes. Hier zijn wij verbonden met elkaar en alles wat ons overstijgt. Hier zijn we high en onbevlekt, vrij en allemaal gelijk. Moderne mystici, geile gelovigen. Hogepriesteressen en sjamanen zijn we, Graalridders. We zijn ingewijd en uitverkoren. We spreken met de doden en vrijen met de geesten. We heffen onze handen hoog in aanbidding en zetten onze lippen aan kelken en gifbekers en drinken tot de droesem. God is niet voor niets een DJ, tegenwoordig. Een sater met een panfluit, een rattenvanger met een mengpaneel.

Hij dirigeert ons als een horde bronco’s over oneindige steppes. Laat ons draven en tempert vervolgens het tempo even zodat iedereen terug op adem komt. Uiteindelijk mondt zijn set uit in een razende zotmakende galop. De zaal kolkt, explodeert. We joelen, fluiten, zweven, grijnzen als gekken. Zilveren confetti valt, stroboscopen wit metalig licht flitst. Ik strek mijn armen en open mijn handen voor dit manna uit de hemel en mijn hart bonkt uit mijn borstkas van vreugde.

Een hand op mijn rug. Ik draai me om en zie een meisje staan met elfenoortjes en vleugeltjes op haar rug. Ze biedt me een half opgerookte sigaret aan, en ik trek gulzig. Het roken helpt me om weer wat bij zinnen te komen, me te herinneren wie en waar ik ben.

 

The Fuse – Rue Blaes. Oktober 1997, 02h54

De chillout. Het is hier donker en op de TV-wand achteraan word een Manga vertoond. Sexy meisjes met ogen als vliegende schotels en immer blozende kaken flitsen over het scherm. Ze worden woordeloos achterna gezeten door vileine bad guys en worden op het einde gered door de Japanse versie van de ideale schoonzoon. De muziek hier is stiller, rustiger. Ambient, bedoeld om visioenen die beneden werden opgewekt te laten verstillen, het jachtig kloppende hart tot rust te manen en de opgefokte zintuigen te laten bekomen van teveel prikkels. In het halfduister vang ik flarden van gedempte gesprekken op. Ik hoor woorden maar ik kan er weinig betekenis aan vastknopen en leun achterover, doe mijn ogen even dicht in de hoop dat de wereld even stopt. Mijn brein lijkt wel gekookt.

Wij zitten met ons drie in één van de lage fauteuils, genieten nog na van het ongebreidelde dansen beneden. Lorenzo probeert een sigaret te rollen, het lijkt eeuwig te duren. Zijn handen trillen, zijn vingers zijn bezweet. Stephane diept uit zijn rugzak het plastic flesje op dat we gevuld hebben met de goedkoopste vodka uit de goedkoopste supermarkt. Dat gieten we voorzichtig bij het glas cola dat we gekocht hebben aan de bar. Er rest ons nog 100 frank om de rest van de nacht door te komen.

De sigaret die Lorenzo uiteindelijk gerold heeft gekregen is zo scheef en Stéphane zegt: ’t Is precies uwe piemel’. We lachen hysterisch en lang.

 

Hallepoortpark. Oktober 1997, 06h22

Het is koud, het is donker en het miezert. We zitten met ons drie op een bankje in een park dat tussen twee drukke Brusselse invalswegen ligt. Ondanks het uur raast het verkeer al langs beide kanten voorbij. De sliert rode achterlichten doet me denken aan het liedje van Raymond van het Groenewoud. Ik neurie in mijn hoofd ‘Brussels by night … allemaal lichtjes …. veel strangers in the night … ‘. De rest van de tekst ken ik niet, dus die drie zinnetjes gaan op een eindeloze repeat.

Twintig minuten of wat geleden stuiterden we buiten uit de Fuse. Straks nemen we de trein terug naar de provincie waar Lorenzo en ik de rest van de dag in een veilig en een warm bed zullen doorbrengen, ergens tussen waken en slapen in. Ik klappertand, mijn partykleren zijn niet op herfstelijke dauwtripjes berekend. Lorenzo legt zijn arm om me heen en aan de andere kant doet Stephane hetzelfde. Ik krijg het er niet warmer van, maar het is wel fijn.

Stephane heeft een probleem. Hij moet rond een uur of 9 thuis zijn opwachting maken omdat hij de ‘ik ga babysitten smoes’ heeft gebruikt. Zijn ouders houden hem redelijk kort. Twee keer een jaar over moeten doen, betrapt op het smoren van joints en geld gestolen van zijn grootmoeder. Oké, dat geld was eigenlijk een lening. Stephane had dat heus wel teruggelegd op het moment dat hij die wiet had kunnen verkopen. Maar dat duurde gewoon iets langer dan verwacht, zodat het er uiteindelijk niet meer van kwam. Dikke pech dus is het algemene besluit.

-          Zo kun je niet naar huis, zegt Lorenzo. Je pupillen staan nog veel te groot.  Je moeder doet een hartaanval als ze je zo ziet.

-          Merde. Merde! Stéphane trekt zenuwachtig van zijn sigaret. ‘Ik wist het hé. Ik had nooit mogen meegaan met jullie. Mon père, il va me casser la gueule.

-          Misschien kunnen we wachten tot er een apotheker open gaat en oogdruppels kopen? Misschien dat dat helpt, zeg ik.

-          Meiske, het is zondag. En daarbij tegen dat er een apotheker zou opengaan moet ik eigenlijk al bijna thuis aan de ontbijttafel zitten.

-          Juist, knik ik. Daarbij, we hebben eigenlijk toch geen geld meer.

We verzinnen mogelijke smoesjes, maar we zijn nog half high we komen niet echt ver. Zelfs ons klinken de meeste excuses vergezocht en ongeloofwaardig.

We steken nog een joint op, nog altijd onbesloten over wat Stephane te doen staat. Ik begin het nu wel erg koud te krijgen en wil gewoon naar huis. Lorenzo probeert hem te overhalen gewoon met ons mee te komen, zijn roes uit te slapen en vanavond dan zijn opwachting te maken.

-          Pffft, wat je ook doet, je hebt het toch aan je rekker, brom ik. Bel gewoon straks naar huis, zeg dat je met Lorenzo hebt afgesproken en dat je pas vanvond weer thuis zult zijn.

 

Station Brussel Zuid. Oktober 1997. 07h12

Het station is op dit uur en deze dag bijna verlaten. We zitten met ons drieën op een bankje op het uiteinde van een perron. Nog 17 minuten en de trein komt. Ik verlang er naar om thuis te zijn, warm te hebben en de afgelopen nacht in mij te laten bezinken. Chocomelk te drinken. Naast mij babbelen Lorenzo en Stephane, hun gedempte stemmen zoemen als een bromvlieg in mijn oor. Ik soes weg en denk aan duizend dingen tegelijk. Een ongekende maalstroom aan gedachten, een woordeloze grijze brij die me lijkt te overspoelen. De geschiedenis van de hele wereld, van elke man, elke vrouw, elk kind in mijn hoofd gepropt. Ik voel eeuwen verstrijken. Als ik mijn ogen open zie ik dat er amper 2 minuten voorbij zijn gegaan.

Het gezicht van Stephane is lijkwit, paniek in zijn ogen. Lorenzo probeert hem te kalmeren, maar ook de gedachten van Stephane rennen rondjes in zijn hoofd. Ik wil wel iets zeggen, maar het lijkt allemaal zo futiel. Als ik mijn mond open ben ik alweer vergeten wat het was. Ik pak zijn hand die ijskoud is, maar hij schijnt het niet te voelen.

-          Hij gaat slecht, zeg ik tegen Lorenzo.

-          Ik weet het. ’t Is ook altijd hetzelfde met hem.

Stephane staat recht, begint te ijsberen en herhaalt voor de zoveelste keer ‘il va me casser la gueule’. Zijn vader is een driftkop met Siciliaanse roots.

Lorenzo probeert een sigaret te rollen, maar zijn vingers zijn te klam. Met mijn handen in mijn zakken geklemd geef ik hem aanwijzingen. Niet dat het veel helpt.

Onze trein komt het station binnengereden, langzaam, bedachtzaam.

Als ik opkijk zie ik Stephane op de rand van het perron staan en mijn hart bevriest.

11426093-011426093-1

 

Het valt weinig voor, dat je ’s morgens uit je bed tuimelt en nog voor je kop koffie op is een uitnodiging van Bart Eeckhout om te twisten achter de kiezen hebt. Op den duur wordt het toch wel weer ‘shouten’ natuurlijk.

Weet je nog, Bart, hoe Sofie Peeters een jaar of 2 geleden met haar documentaire ‘Femme de la Rue’ een schokgolf door de samenleving joeg? Het enige dat ze daarvoor hoefde te doen was een doodgewone dag van een doodgewone vrouw in een doodgewone wijk in beeld te brengen. Was er eigenlijk iemand niet gedegouteerd door de manier waarop die verliep? Zoals ze voortdurend aangesproken en tegengehouden wordt door mannen op de straat. De kusgeluidjes, het gesis, de doorzichtige pogingen tot complimentjes die overgaan in gratuite beledigingen (hoer, slet!) als duidelijk wordt dat ze er niet op in gaat.

Als ‘Femme de la Rue’ 1 verdienste heeft gehad, dan is het wel dat de docu liet zien dat ‘een beetje seksisme’ niet bestaat. Bestaan er gradaties? Oh ja, zeker wel. Verkracht worden is erger dan nageroepen worden op straat. En dat verhoudt zich dan weer op een andere manier tegenover de loonkloof, maar op de één of andere manier hangt het wel allemaal samen. En ook:  het ene seksisme is niet ‘echter’ dan het andere. Het heeft allemaal impact: als jonge (of niet zo jonge) vrouw voortdurend het recht moeten afdwingen op je veilig voelen in de openbare ruimte is vermoeiend en zou niet moeten hoeven. En het voelt even ‘echt’ aan als je te realiseren dat je misschien een job niet krijgt omdat je een vrouw bent. Of wel de job krijgt, maar minder carrièreperspectieven dan je mannelijke collega. Enzovoort enzoverder.

Je bent vast slim genoeg om de analogie met het racismedebat te ontdekken. Zijn jullie bij De Morgen hardcore racisten? Nee, dat denk ik niet, en dat heb ik ook nooit en nergens beweerd. Maar was de bewuste zinsnede van Hans Vandeweghe over ‘Afrikanen die zich geen 6 weken kunnen concentreren’ racistisch geladen? Oh ja, absoluut wel. En dat aanklagen is niet het ‘verabsoluteren’ van racisme en spijkers op laag water zoeken. Net zomin als Femme de la Rue seksisme ‘verabsoluteerde’ en er daardoor voor zorgde dat ‘echt’ seksisme als onderwerp van tafel werd geveegd.

Bloeden uit duizend kleine sneetjes, hoorde ik onlangs Asha ten Broeke zeggen. Ze had het over hoe mannen en vrouwen voortdurend blootgesteld worden aan alle mogelijke stereotiepe voorstellingen van hoe ze zouden moeten zijn, wat ze wel of niet kunnen, waar ze voor deugen en waarvoor net niet. En hoe dat daadwerkelijk een verschil maakt in je leven.

Eén Marokkanenmop kan grappig zijn, maar komt nooit alleen. Ted Bwatu is Antwerpen niet ontvlucht omdat hij 1 enkele negermop van Alex Agnew moest verduren. Maar het was wel één van de vele druppels die de emmer lieten overlopen. En hoe welkom denk je dat iemand met een migratie-achtergrond zich dan voelt zoals dat dan zo mooi heet als hij voortdurend in het stereotiepe cliché van ‘ongeconcentreerd’ wordt geduwd. Niet die ene keer in een krant door een columnist die gedurfd wil zijn en er plezier in schept tegen al te politiek correcte schenen te schoppen (dat komt er gewoon bij hoor), maar elke dag van de week wel op de één of andere manier. De woning die net verhuurd is als jij belt. De dancing die net vol is als jij toekomt. De job die je op het lijf is geschreven maar waarvoor je toch weer niet in aanmerking komt. De onverholen verbazing over het goede Nederlands dat je spreekt.

Racisme is niet enkel ‘echt’ op het moment dat je in een wit pak kruisen verbrandt op de parking van De Morgen, zoals je vorige week al grappend op Twitter schreef. Het is niet enkel ‘ernstig’ op het moment dat mensen afgeknald worden omdat ze de verkeerde kleur of godsdienst hebben. Racisme kent veel gedaantes, vormen en gradaties. Je zegt dat  het keurslijf van afgedwongen eenheidsdenken over racisme jou en je krant niet past. Fair enough, maar in één en dezelfde adem eis je wel dat anderen – die zowel groot racisme als al te banale discriminatie dagelijks aan den lijve ondervinden – jouw visie op wat racisme nu echt en werkelijk is onderschrijven , want anders. (Ja, wat anders eigenlijk?)

We kunnen blijven discussiëren tot we een ons wegen, dus ik laat het hier maar bij. Voor ik je een prettige verderzetting van het weekend wens nog 2 tips: in The Guardian verscheen eerder deze week een uitstekend en onderbouwd artikel over waarom Afrikaanse teams onderpresteren. Aan een gebrek aan concentratie leek het in elk geval niet te liggen. En ten tweede: het is niet omdat het kantoor van de CEO dicht bij de receptie ligt, dat hij (meestal is het een hij) daarom een receptionist is. Iemand die dagelijks meerdere pagina’s in de krant volschrijft is geen columnist, maar een volwaardig lid van de redactie, ook als hij Hans Vandeweghe heet.

De zijlijn.

Geamuseerd sta ik aan de zijlijn. Niet om instructies uit te delen (ben je gek?), wel om te gniffelen met het schouwspel dat zich in de arena afspeelt en me tegelijkertijd te verwonderen over het gedrag van de hordes supporters op de tribunes. De koele kinderen met hun broek vol swag die zich anders nooit buiten wagen zonder de kapmantel van de ironie beschermend om de schouders geslagen laten zich volledig gaan. Nu mag het, nu mag de adrenaline vrijuit stromen en mag de passie eindelijk van de ketting. Het eeuwige schouderophalen (kan het mij wat schelen vraag ik je?) wordt vervangen door gebalde knuistjes in de lucht.

Week na week wordt bijna geruisloos de opdracht van informateur De Wever verlengd. Er wordt wel wat over geschreven, maar echte aandacht vangt het allemaal niet. Misschien moeten we verkiezingen telkens rond een uitbarsting van brood en spelen organiseren, dan zijn we tenminste verlost van politici die zich schwalbegewijs (en dus in de hoop een tegenstander een gele kaart te bezorgen) met veel theater druk maken om niets. Nu het alziende Saurons-oog van de media ander vertier verslaat is er misschien een kans op iets dat op visie lijkt in het beleid te smokkelen. (Ik ben naïef, ik weet het).

Ik ging naar de dokter en weet je wat hij zei? Weet je wat hij zei? Hij zei dat hij het ook niet wist en dat ik rusten moest. En ademen, maar niet te snel. Maar opgewonden ben ik wel. (Vorige week kreeg ik bericht dat een verhaal dat ik instuurde voor de kortverhalenwedstrijd uitgeschreven door de krant ‘Brussel Deze Week’ bij de 8 laureaten zit en dus ergens deze zomer gepubliceerd wordt. Volgende week valt het officiële verdict met een prijsuitreiking en ik hoop dat Marc Didden er zal zijn met wie ik natuurlijk niet op de foto zal durven. Ben je gek? Laat die mens toch met rust, en daarbij: hij heeft wel wat anders te doen).

Omdat ik nog altijd leef alsof ik hier eeuwig zal zijn (ondertussen begint het besef binnen te sluipen dat ik waarschijnlijk al over de helft zit en ik mij dus beter wat zou haasten, maar daar komt vooralsnog niet veel van in huis) loop ik qua literatuur en films bijna een goed decennium achter. Zo komt het dat ik pas enkele weken geleden de in mijn ogen uitstekende prent ‘A Winter’s Bone’ zag. Sterke vertolkingen, zeer sfeervolle fotografie en een goed verhaal. Het is zo’n film waarin veel gezwegen wordt en die deels lijkt opgebouwd uit losse fragmenten waarvan het niet altijd onmiddellijk duidelijk is welke plaats die in het verhaal innemen. Je moet er wel even je hoofd bij houden dus. Ik hou daar wel van, van dat lichtjes dwingende karakter van een film of een boek waarin alles belangrijk is zodat je aandacht volledig wordt opgeëist. De setting van het verhaal deed me denken aan Tartt’s The Little Friend, aka de meest gehate roman van het Westelijk halfrond of zoiets. In tegenstelling tot de rest van de wereld heb ik dat boek jaren geleden wel graag gelezen, en de broeierige sfeer ervan blijft me tot vandaag bij. Er zijn een aantal sleutelscènes die ik me nog altijd haarscherp herinner. Ter vergelijking: een paar weken geleden las ik Barnes ‘A sense of an ending’ en ik moet al diep in mijn geheugen graven wil ik mij nog het verhaal voor de geest halen.

Weet je wat ik ook grappig vond? De zoveelste poging tot vadermoord van Peter Casteels op Joël De Ceulaer. De laatste schreef een boek getiteld ‘Gooi God Niet Weg’ en Casteels schoot in (uit?) zijn atheïstische krammen op zijn blog. Ik Heb Altijd Gelijk is de redelijk pompeuze titel ervan, en als kritische Freudiaan met een hekel postmoderne ironie zal ik Peter natuurlijk nooit geloven als hij mij zal willen overtuigen van het postmoderne ironische gehalte van dat label. In zijn boek probeert De Ceulaer te doorgronden waarom pakweg 3/4de van de wereldbevolking nood heeft aan een godsbeeld. Casteels’ steen des aanstoots is de manier waarop De Ceulaer geen heil ziet in kunst als manier om de mensheid naar een hoger kennisniveau te tillen. Om het ongelijk van Joël te bewijzen komt Peter aandraven met het feit dat hij van een reeks als The Wire veel geleerd heeft over het drugsmilieu van Baltimore en de  werking van de politie aldaar. Jaja, dat is natuurlijk wereldse kennis waar een jonge kerel uit wat is het? Antwerpen? iets aan heeft. Voor wie kennis op wil doen over het misdaadmilieu in Halle en omstreken kan ik kunst aanraden in de vorm van Witse, en van Hubert Damen kunnen we collectief leren wat politiecommisarissen op leeftijd drijft.

Moeha.

Dat je je abonnement op een krant opzegt door middel van een open brief, het is een beetje pathetisch. Maar nu ‘Thuis’ er voor een maand of drie mee is opgehouden zijn mensen vast op zoek naar een nieuwe portie dagelijks drama. Daarbij, een groot deel van de media drijft op de cyclus van relletje schoppen – reageren – tegengas geven en de volgende dag helemaal opnieuw beginnen. De Griekse tragedies zijn niets tegen de Dramatische Titels met veel Uitroeptekens!!! waarmee de consument gelokt moet worden. Steekvlamjournalistiek en steekvlampolitiek lijken verwikkeld in een eeuwigdurend kat-en-muisspelletje, waarbij de één de ander achternaloopt tot plots – om een onbekende reden – de muziek verandert van toonaard en de rollen weer worden omgekeerd. Het riedeltje fantaseert u er vast zelf bij.

Maar goed, mijn eigen pathetische afscheidsbrief dus.

Hoe raar het ook mag klinken in deze zoutloze tijden, toen De Morgen bij ons thuis binnenkwam betekende dat nog iets. Een onbeschaamd linkse gazet die mijn vader trots op tafel zwierde ’s morgens aan de ontbijttafel. De Morgen lezen was niet minder dan een statement, en het lief waar ik mee aanhield tijdens mijn jaren aan de universiteit kon levendig vertellen over de collectebussen waar hij enkele jaren daarvoor mee geschud had om de krant van het faillissement te redden. Zonder al te nostalgisch te worden: het waren tijden waarin mensen nog op onironische wijze geëngageerd waren en zich oprecht identificeerden met wat ze Waar en Juist vonden. Toegift aan de meer cynische lezers: het is waar dat al dat engagement niet buitensporig veel heeft opgeleverd, maar dat is dan weer een ander verhaal.

Soit, we wijken af en dat is niet de bedoeling. Kort en krachtig moeten we zijn, de lezer blijft niet hangen bij zoveel goedkoop sentiment. Ook toen ik het huis uit was ben ik De Morgen blijven lezen. Niet dat ik zelf altijd een abonnement had, maar er was altijd wel iemand die ik kende of een huisgenoot die dat wel had. Of we namen collectief een abonnement of ik kocht losse nummers. Om maar te zeggen: De Morgen is gelijk een oud lief van mij. De laatste jaren zagen we elkaar vooral online en in het weekend, maar toch. Al was de liefde na al die jaren wat bekoeld, er bleef er toch een zekere genegenheid. De herkenning van de letterzetting bijvoorbeeld, die me lang noopte tot de uitspraak dat De Standaard vooral een saaie krant was.

Maar er waren ook ergernissen, zeker de laatste tijd. Niet alleen omwille van dat papierverspillende magazine dat uiteindelijk enkel een vehikel is voor advertenties van laaifstaailgedoe (adverteren doet leven, ik begreep dat) maar vooral door de racistische blunders. De gorilla-Obamafoto’s waarop een halfslachtig excuus volgde. We hadden het collectief niet begrepen. De zin die stelde dat de redactie van De Morgen dacht dat ‘racisme is deze tijden en in deze maatschappij’ helemaal niet meer aanvaard was en hen dus deed besluiten dat die ‘satire’ wel zou passeren zindert nog na. Ik kon er niet bij hoe wereldvreemd, hoe afgesloten van de echte wereld zo’n redactie dan wel niet moest zijn. Maar goed, zoals je een lief ook niet buitengooit omdat hij met een ander kustte, zo legde ik me neer bij dat sorry, not so sorry editoriaal. Omdat ik dacht dat de les geleerd was, en we met een schone lei terug van start konden.

Dit weekend was het opnieuw prijs: badinerend geneuzel over hoe ‘neger’ echt niet beledigend is op basis van etymologie (geeuw, die hadden we nog niet gehad). De hoofdvogel werd afgeschoten door sportjournalist Hans Vandeweghe. ‘Afrikanen, ach, die kunnen zich niet gedurende zes weken concentreren. Dat is statistisch en empirisch bewezen’. U denkt dat ik parafreer en overdrijf? Nope. In 2014 wordt dergelijke puur racistische nonsens nog altijd afgedrukt en verspreid.

En het spijt me: maar voor dat soort gore toogpraat wil ik niet betalen. Het kruipt me op dit moment zelfs onder mijn vel dat ik door middel van mijn lopende abonnement zelfs een klein deel heb bijgedragen aan de vergoeding van iemand die zulke prietpraat vertelt. Ik krijg het ook niet in mijn kop gestoken dat de redactie zo’n dingen laat passeren en al helemaal niet in het licht van de faux-pas van de afgelopen maanden.

Tijd voor iets anders dus. Blendle bijvoorbeeld, dat wil ik wel eens proberen.

En voor wie er nog aan twijfelt: neen, De Morgen en ik, we zijn niet als goede vrienden uit elkaar gegaan.

 

Blanco

In een niet nader genoemde grote stad van een niet nader genoemd land wordt het volk op een zonnige zondag naar de stembus gesommeerd. Nu ja, zonnig. Eigenlijk regent het zo hard dat de voorzitter van een niet nader genoemd stembureau zich afvraagt of de zondvloed is begonnen. Tegen de middag breekt plots de zon door, en in een lichtjes feestelijke stemming komt de bevolking haar stem uitbrengen. Tot grote verbijstering van de machthebbers zijn die overwegend blanco. In die mate zelfs dat het niet uit te maken valt welke partij heeft gewonnen en wie de verliezers zijn. Na gepalaver over en weer wordt beslist om de stemming een week later te herhalen, en ondertussen worden de burgers bestookt met de oproep om hun verantwoordelijkheid te nemen. Er worden complotten vermoed van staatsontwrichtende radicale fracties die de geesten en de harten van brave mensen hebben vergiftigd.

Het resultaat van de volgende stembusgang is geen verrassing. Nog massaler dan de vorige edities dwarrelen de oningevulde stembiljetten uit de urnes. De politici plegen overleg op het hoogste niveau, de legertop wordt er bij gehaald en de stad wordt in quarantaine geplaatst. Zonder politici – zo is de redenering – is het een kwestie van dagen vooraleer de chaos regeert en zal er gesmeekt worden naar de terugkeer van het politieke establishment.

In de stad gaat het leven ondertussen gewoon door. De aangekondigde staking van de vuilnismannen waar de overheid voor één keer naar uitkeek wordt opgeschort. De scholen blijven open, de ziekenhuizen, de winkels, de restaurants … Alles functioneert en de sfeer is gemoedelijk.

Hoe dit verhaal verder afloopt leest u zelf wel in ‘De Stad der Zienden’ van Saramago. Het boek is voer voor de stelling dat noch in de politiek, noch in de rest van ons bestaan ooit zaken gebeuren die al niet beschreven werden in de literatuur. Wie het leven wil kennen moet lezen, of zich op een andere manier aan kunst blootstellen.

Voor één keer kijk ik uit naar maandag, omdat ik hoop dat deze circusvoorstelling ‘kiescampagne’ geheten dan eindelijk voorbij zal zijn. Ik ga stemmen voor de goeie van mij, jij voor de goeie van jou.

Er zijn dingen waar de politiek niet bij kan. De vraag is: hoeveel geduld heb je met een kind dat zijn wiskunde niet begrijpt en tranen in de ogen heeft van frustratie? Neem je de auto om naar de apotheker te gaan of haal je toch de fiets van stal? Loop je de kantjes er af, melk je het systeem uit gewoon omdat het kan en het net niet illegaal is? Rijd je het gras of laat je het groeien? Ga je uit of blijf je thuis? Hoe hard erger je je aan kinderen die spelen in het park? Sta je op of blijf je zitten in de bus? Wassen op 40° of op 60°?

De absurde banaliteiten van ons dagelijks gespartel en de keuzes die we maken.

We kunnen blanco stemmen. Blanco leven dat gaat niet.

 

Gewoon.

‘Zeg, die laatste blog van jou. Waar gaat die eigenlijk over? Allez, ik bedoel: wat was de inspiratiebron?’ vraagt mijn lief van de overkant van de tafel. Hij doopt een stukje brood in de saus. We zitten in één van die goedkope Turkse restaurants in de Sleepstraat. We hebben geaperitiefd in de bar van een duur restaurant dat altijd volzet is en waar we misschien eens zouden gaan eten. Het geklungel achter de bar waar drie mensen een soort absurd ballet opvoerden om onze cocktails te shaken doet ons deze beslissing voor onbepaalde tijd uitstellen.

Ja, wat was de inspiratiebron? Ik begin een incoherent verhaal over een radiopresentatrice die een serie op de radio aanbeveelt met de woorden ‘kei graaf’. Een jonge kerel die de opiniepagina’s van een krant onveilig maakt, niet met jeugdige branie maar met de arrogantie en het uitgespreide ego van hoofdredacteuren op leeftijd. Hij steelt zonder scrupules de stem van zijn leeftijdsgenoten en maakt die tot de zijne. De generatie in wiens naam hij meent te spreken is succesvol en de kansen groeien als plukklare vruchten aan de bomen, het is enkel kwestie van ze in je schoot te laten vallen. Er zijn geen losers, drop-outs of verstotelingen die op jonge leeftijd al murw geschopt zijn door het leven. Er is geen angst, er is geen depressie, er is geen leven op de vlucht of op de dool. Er is geen wanhopig zoeken naar werk, eender welk. Neen, zijn generatie is op zoek naar een leuke job die uitdagend en spannend is en die hen naar plaatsen zal brengen waar de zon altijd schijnt en de champagne koel staat. Zijn generatie kent geen leden die opgegroeid zijn in beschimmelde krotten waar sponzen boterhammen uit de supermarkt dun belegd worden met goedkope confituur.

Ik hap naar adem, mijn lief luistert en eet ondertusen onverstoorbaar verder. Hij wacht op wat er nog zal volgen en probeert ondertussen orde te scheppen in de chaos, niet enkel die van mij.

Dan vertel ik verder over hoe ik niet snap dat emoties op TV verpatst worden. Dat niemand het principe zelfs nog maar in vraag stelt en dat er dus lang verloren familiebanden aangehaald worden onder de blik van een camera, een geluidsman en een interviewer/presentator. Dat een camera niet enkel registreert, maar ook de ervaring tekent, bijstuurt, inkleurt. Dat mensen zich anders gaan gedragen als er een camera in de buurt is, zelfs al willen ze het zelf niet. Zelfs al merken ze het zelf niet. Enfin, zeg ik, hoe haal je het eigenlijk in je hoofd om dat te vragen aan de mensen, of ze dat willen doen?

Mijn lief kijkt me aan, maar ik merk aan zijn blik dat hij het niet helemaal snapt. Nu ja, zeg ik, uiteindelijk gaat het gewoon waarover dat de mensen willen dat het gaat hé.

We spreken over andere dingen dan, ik laat de helft van mijn eten liggen. Later wil ik op de tram stappen die de verkeerde richting uitgaat, maar hij is helder genoeg van geest om ons de juiste te laten nemen.

Wat ik niet prijsgeef: het beeld van de verdronken zeeman dat ik heb uit een nieuwsbericht over een zeeman uit Chili die in de Gentse haven tussen wal en schip terecht kwam en verdronk.

Wees toch eens niet zo hermetisch, foeter ik tegen mezelf. Gééf de mensen iets waar ze iets aan hebben, dat ze kunnen vasthouden. Iets om je aan te herkennen. Schrijf over de dingen die je graag hebt of eet, over je banale ergernissen in plaats van altijd zo raar en zo speciaal te willen doen.

Ach, denk ik bij mezelf. Als ik nu eens wat meer hartelijk was en wat minder stug. Open in plaats van gereserveerd als een oud lid van oude adel met oud blauw bloed in de aderen. Als ik nu eens de kunst leerde van ergens bij te horen, van vriendelijk te zijn en te blijven tegen de juiste mensen in plaats van afwachtend en onzichtbaar. Ik ben aaibaar als een bosje prikkeldraad.

 

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 2.367 andere volgers