Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Psychologie’ Category

Vrouwen kunnen niet parkeren. Mannen zijn nu eenmaal beter in wiskunde en wetenschappen. En volgens bepaalde bestsellers komen  vrouwen zelfs van Venus, mannen van Mars en is communicatie tussen beide seksen bijna onmogelijk. Cordelia Fine, neurowetenschapper en doctor in de pyschologie, maakt in haar boek ‘We komen allemaal van Mars’ brandhout van dat soort stellingen en noemt het ronduit ‘neuroseksisme’.

Op 19 september gaf Cordelia Fine aan de KUL een lezing onder de titel: ‘Women and Men are from Earth: The real science of sex differences’. (Vrouwen en mannen komen van Aarde: de echte wetenschap over sekseverschillen). Daarin gaat Fine dieper in op de basisstellingen van haar boek en vertelt ze meer over haar kritische positie ten opzichte van de conclusies die neurowetenschappers trekken op basis van neurologisch onderzoek dat tegenwoordig vooral gebeurt door het afnemen van fMRI’s (brainscans).

Populaire literatuur over sekseverschillen.  

Toen Fine als ouder van 2 kinderen zelf een aantal populaire boeken begon te lezen over opvoeden (o.a. Why Gender Matters: What Parents and Teachers Need to Know about the Emerging Science of Sex Differences door Leonard Sax) werd ze getroffen door beweringen zoals ‘nieuw wetenschappelijk onderzoek heeft nu onomstotelijk aangetoond wat we al langer dachten, namelijk dat het mannelijke en het vrouwelijke brein intrinsiek van elkaar verschillen’. Mannen en vrouwen zouden op een heel andere manier informatie en talige impulsen verwerken. En die vaststelling zou dan weer moeten leiden tot verklaringen over waarom vrouwen nu eenmaal niet zo goed presteren in pakweg wiskunde en waarom het voor mannen quasi onmogelijk spreken is over hun gevoelens of wat hen bezighoudt.

Alleen, zo bewijst Fine in haar boek, is het wetenschappelijk onderzoek dat dergelijke intrinsieke verschillen blootlegt helemaal niet zo consistent als de populaire literatuur beweert. Kort gezegd: boeken zoals ‘Vrouwen komen van Venus, Mannen komen van Mars’ mogen dan wel aangenaam zijn om te lezen, u hecht er best niet al te veel geloof aan (om niet te zeggen: helemaal geen).

Onderzoek.

Maar waar komen al die publicaties dan vandaan? Waarom worden we de laatste jaren overspoeld met studies over hoe verschillend mannen en vrouwen wel niet van elkaar zijn, hoe ze anders denken, voelen en zich dus helemaal anders gedragen? Is daar dan helemaal niets van waar?

Fine verwijst tijdens haar lezing naar een studie die in 1995 in het befaamde wetenschappelijke tijdschrift Nature verschijnt en die één van de eerste is die rapporteert over de verschillende manier waarop mannen en vrouwen informatie verwerken. Voor die studie worden 19 mannen en 19 vrouwen aan 3 verschillende taken onderworpen terwijl er ondertussen scans van hun breinen worden genomen. Voor 2 van de taken worden geen verschil vastgesteld in de manier waarop beide geslachten informatie verwerken. Voor de andere taak worden kleine verschillen gerapporteerd, dus daarover wordt uitgebreid bericht.

En dat is een trend die sindsdien enkel is versterkt: studies die geen of zeer weinig verschillen aantonen worden ofwel niet gepubliceerd en liggen in het beste geval stof te vergaren in allerlei archieven. In het zeldzame geval dat zo’n onderzoek wel gepubliceerd raakt krijgt die uiteraard niet dezelfde aandacht als weer eens een studie die schreeuwt hoe zeer mannen en vrouwen van elkaar verschillen, laat staan dat deze doorsijpelt naar de populaire pers en zich zo nestelt in het bewustzijn van mensen.

Gelijkenissen worden dus onder de mat geschoven en de eventuele verschillen die in sommige studies – dikwijls op zeer kleine testpopulaties en met dus veel kans op toevalstreffers – worden breed uitgesmeerd. (Volgens Fine zijn tot 75% van de onderzoeken die op verschillen wijzen uitgevoerd op te weinig testpersonen).

Ons beeld over de zogenaamde verschillen tussen mannen en vrouwen is dus niet enkel gestoeld op dubieus onderzoek maar wordt ook nog eens versterkt doordat er niet bericht wordt over de vele studies die geen significante verschillen aantonen. Meta-onderzoek (een onderzoek dat alle onderzoeksresultaten over een bepaald onderwerp groepeert en bestudeert) is trouwens zeer duidelijk: er is geen verschil in de manier waarop een ‘vrouwelijk’ en een ‘mannelijk’ brein talige informatie verwerken.

Conclusies.

Een ander heikel punt in de wetenschappelijke methodiek die gehanteerd wordt is de manier waarop de sprong gemaakt wordt van de constatering van een bepaald feit naar de conclusie die er aan wordt vastgemaakt. Zo wordt de algemeen aanvaarde (en foute) stelling dat hersenen van mannen gemaakt zijn om zich te focussen op 1 enkel probleem en dat die van vrouwen zich meer concentreren op de globaliteit van de dingen nogal vaak in het geweer gebracht om de ‘natuurlijke’ aanleg van mannen voor wiskunde en wetenschappen te verklaren. Terwijl het net zo logisch zou zijn om te stellen dat een brede kijk op de dingen – wat dan weer een exclusief vrouwelijke insteek is blijkbaar – evenzeer in aanmerking komt als kwaliteit om wetenschappelijke problemen te benaderen.

Het gaat zelfs zo ver dat studies die een totaal verschillend testresultaat hebben, toch tot dezelfde conclusie komen. De prefrontale cortex is bijvoorbeeld het gedeelte in het brein dat verantwoordelijk wordt geacht voor emotionele controle. Er zijn studies die aantonen dat in geval van emotionele stress mannen meer activiteit hebben in dat gedeelte, andere studies bewijzen hetzelfde voor vrouwen en nog andere studies rapporteren geen verschil. De conclusie in elk van die gevallen was wel dezelfde: mannen zijn beter in staat dan vrouwen om hun emoties onder controle te houden.

Hoe toevallig! En dat heeft natuurlijk niets te maken met het heersende discours over vrouwen die emotionele kippetjes zijn die niet in staat zijn om het hoofd koel te houden op momenten dat het er op aankomt rationele beslissingen te nemen.

Aangeboren.

Een denkfout die bovendien vaak voor komt is de aanname dat bepaalde fenomenen die in de hersenen aangetroffen worden per definitie aangeboren zouden zijn. Onze hersenen zijn bij de geboorte lang niet volgroeid, en het is geweten dat bepaalde verbindingen tussen de twee hersenhelften (zoals het corpus callosum bijvoorbeeld) sterker worden onder invloed van opvoeding en andere prikkels. Hoe kinderen gesocialiseerd worden heeft invloed op de hersenontwikkeling. Bij die socialisatie hoort ook de voortdurende confrontatie met stereotypes over gender zoals ‘meisjes zijn niet goed in wiskunde’ of ‘jongens huilen niet’. Veel meer dan aangeboren verschillen in de hersenen beïnvloeden dergelijke denkbeelden wel degelijk het denken en het gedrag van jongens, meisjes, mannen en vrouwen.

Uniek.

Zijn er dan helemaal geen verschillen tussen mannen en vrouwen, hoor ik u al denken? Wees gerust, die zijn er. Alleen zijn ze veel miniemer dan wordt aangenomen en zijn de gelijkenissen veel groter, zo wijst wetenschappelijk onderzoek uit. Elk mens is een uniek individu, met een even unieke set aan karaktertrekken waarvan er sommige als ‘vrouwelijk’ bestempeld kunnen worden en andere weer als ‘mannelijk’. Mensen verschillen van elkaar, veel meer dan dat er sekse-onderscheid is.

Cordelia Fine.

Voor mensen die het nog niet deden: het boek ‘We komen allemaal van Mars’ (de vertaling van ‘Delusions of Gender’) is een absolute aanrader voor wie meer wil weten over dit razend interessante onderwerp. Het is bovendien een verademing omdat het je in staat stelt in het verweer te gaan tegen de immense hoeveelheid onzin die erover verschijnt onder titels zoals ‘uw man begrijpt u niet, maar hij kan er niets aan doen’ of ‘waarom vrouwen jaloers zijn’.

Daarnaast is Cordelia Fine een aangename spreker, die er moeiteloos in slaagt haar publiek te boeien en daarbij – hoe onvrouwelijk – de nodige portie humor niet schuwt.

Advertenties

Read Full Post »

Deze week zei een jonge vrouw tegen me: ‘Mijn leven is één grote, latente paniekaanval’. Ik heb weet van andere jonge mensen die Xanax nemen om hun angsten de baas te kunnen. Het verbaast me telkens weer, omdat net zij alles binnen handbereik lijken te hebben. Ze zijn vaak hoog opgeleid, in het bezit van één of meerdere masters waarvan ik niet wist dat ze bestonden. Daarnaast zijn ze quasi zonder uitzondering creatief; ze tekenen, schilderen, dansen, schrijven, dichten. Opgegroeid in het digitale tijdperk, smartphones altijd in de hand. Jobs in de media of marketing, of onderzoek aan een binnenlandse of buitenlandse universiteit. Het lijkt alsof het hen nergens aan ontbreekt, alsof ze alles hebben. En toch zijn ze in de greep van angsten en depressies.

Het is een publiek geheim dat wij Belgen in Europa koplopers in het gebruik van antidepressiva. Zelfmoord is in dit land de eerste doodsoorzaak bij mannen tussen 30 en 50 jaar en bij vrouwen tussen 20 en 40 jaar.

We doen aan preventie en sensibilisering als het gaat over doden in het verkeer, we zamelen massaal geld in om het onderzoek tegen kanker en HIV een duwtje in de rug te geven. Maar over de epidemie van angst, depressie, burn-out en andere veel voorkomende geestelijke problemen die jaarlijks vele slachtoffers eist zwijgen we in alle talen.

Ik vroeg aan de vrouw die haar leven beschreef als één lange patente paniekaanval wat ze zag als oorzaak van die onrust. ‘Denken dat je verschillende dingen tegelijk kan doen, en liefst tegelijkertijd. Noem het multitasking. Noem het leven in het nu.’, was haar antwoord.

Ik moest denken aan wat Paul Verhaeghe zegt in zijn boek ‘Identiteit’ dat vorig jaar verscheen, en waar hij – als één van de weinigen – de kat de bel durft aanbinden. Hij wijst op de grote paradox: onze samenleving is nog nooit zo veilig geweest als nu, en toch lijken we met zijn allen meer en meer in de ban van de angst. Angst om niet goed genoeg bevonden te worden, bang voor het oordeel van de ander.

Verhaeghe heeft het verder ook over wat hij de vernietigende invloed noemt van onze meritocratie. Het lijkt alsof succes in het leven enkel en alleen afhangt van een individuele keuze. Alsof sociale afkomst en het milieu waarin iemand opgroeit van geen tel meer zijn. Dat succes wordt dan ook nog eens in de eerste plaats afgemeten aan geld en de sociale status die iemand bereikt. Met welke auto men rijdt, of we het laatste nieuwe model telefoon hebben, welke reizen we maken en of er ‘manager’ op ons visitekaartje staat. Onze kinderen moeten hippe hobby’s beoefenen en hoogbegaafd zijn. Geen wonder dat de één na de ander afhaakt in deze doldwaze wedloop naar meer geld en meer succes, al dan niet onder invloed van een uitgeputte geest in een even uitgeput lichaam.

Praten doen we er niet of nauwelijks over. Weet u wie van uw vrienden, kennissen of collega’s pillen slikt om overeind te blijven? Wie van hen elke week bij de therapeut op sofa zijn hart en ziel uitstort en poogt om in deze gefragmenteerde wereld waar ‘echt’ contact zeldzaam is terug zijn of haar plaats te vinden? Waarschijnlijk niet, want op een enkeling na wil men met zijn of haar angsten of depressie niet te koop lopen. Het is nog altijd een teken van zwakte in de ogen van velen.

Wanneer komen we eindelijk op voor meer geld en dus hulp voor hen die lijden? Wanneer vinden we het eindelijk genoeg en zorgen we voor breed opgezette preventie- en sensibiliseringscampagnes om vroegtijdig signalen op te vangen en het aantal zelfmoorden terug te dringen?

Hoe lang zullen we nog morsen met het talent van jonge mensen die deze maalstroom niet langer aan kunnen?

In De Standaard: Trots op de gym, beschaamd om de therapeut.

Via Tales from the Crib (blog) – Beside the Ditch (blog)

Paul Verhaeghe over ‘Identiteit’ in NRC.

Read Full Post »

Een relatietje.

Spijt?

Was het een gebroken man, die we op Ter Zake zijn verhaal zagen doen? Zat daar iemand die gebroken was door wroeging en handenwringend een publieke schuldbekentenis deed, hopend op vergeving? Of zat Vandereycken daar omdat hij zich eindelijk ontmaskerd wist,  probeerde hij controle te houden over de communicatie door zelf als eerste zijn verhaal te doen? Had hij spijt van zijn gedrag, of vond psychiater Vandereycken het eerder spijtig dat zijn spelletje uit was?

Laten we wel wezen: natuurlijk gaat het over het laatste. Wie echt spijt heeft over zijn daden, stopt dat gedrag lang voor er camera’s in de buurt zijn om het mea culpa op te nemen.

Minzaam, beheerst en zonder veel emotie deed Vandereycken zijn verhaal. Dat hij relatief beroemd was. Dat hij toch een fameuze carrière had uitgebouwd. En dat er helaas pindakaas ook een donkere bladzijde was waar hij het moreel enorm lastig mee had. En dat hij dan maar – als dat nodig zou blijken – vervroegd met pensioen zou gaan.

Schuldbesef? Ah ja. Het zinnetje over ‘de brokstukken die niet meer te ruimen waren’. Die brokstukken, dat waren de patiëntes die Vandereycken onder zijn hoede had en waar hij ongeoorloofde relaties mee aanging.

Deontologie. 

En ja, Vandereycken wist het wel. Relaties, zelfs vriendschapsrelaties met patiënten zijn uit den boze. Men kan niet tegelijkertijd therapeut, vriend, minnaar of geliefde zijn. Moeilijk is het niet. De regels waar therapeuten zich aan te houden hebben (psychologen zowel als psychiaters) zijn zonneklaar: men heeft buiten de therapie geen contact met patiënten. En binnen het kader van de therapie gedraagt men zich professioneel, en stelt men geen handelingen die eventueel als grensoverschrijdend beschouwd zouden kunnen worden. Punt.

Die elementaire deontologische regel is er niet om therapeuten met de neiging om hopeloos ‘verliefd’ te worden op tal van patiënten te kloten. Die regel is er in de eerste plaats om patiënten te beschermen en hen van een veilige omgeving te verzekeren om te werken aan hun geestelijke en mentale gezondheid en te leren omgaan met hun trauma’s. Dat patiënten zeer dikwijls gevoelens krijgen voor hun therapeut is normaal, en wordt al door Freud beschreven als ‘erotische overdracht’.

Dat hoeft ook niet te verwonderen: de veiligheid, aandacht, begrip, hulp en (h)erkenning die een therapeut biedt na een dikwijls zeer lange periode van worsteling met zichzelf, kan bijna niet anders dan leiden tot zeer intense gevoelens ten opzichte van de therapeut. Het is net de taak van diezelfde therapeut om een zeer duidelijke positie in te nemen tegenover zijn of haar patiënten en een veilige afstand te bewaren. Enkel op die manier wordt er vooruitgang geboekt en wordt de patiënt richting zelfredzaamheid of genezing gestuwd.

Kwetsbaarheid. 

Wie een therapeut opzoekt doet dat niet voor de lol. De  anorexiapatiëntes van Vandereycken al helemaal niet, voor hen kon een goede behandeling het verschil maken tussen leven en dood. Tussen genezen en levenslang hervallen. Tussen ooit een normaal leven kunnen opbouwen en zwerven van de ene opname naar de andere. De correlatie tussen eerdere ervaring met seksueel misbruik en anorexia is trouwens zeer groot.

Het is dus des te wraakroepender dat patiëntes met een dergelijk ziektebeeld overgeleverd werden aan Vandereycken die hen onder het mom van ‘verliefdheid’ in een ‘relatie’ manipuleerde en er ongeoorloofde seks mee had. Zal ik even de persoonlijkheidskenmerken van anorexiapatiënten zoals ze worden opgelijst door Vandereycken zelf citeren? Hier gaan we: overmatig inschikkelijk, introvert, competitief, perfectionistisch, impulsief. Voor iemand als Vandereycken – specialist is in de materie – is het een koud kunstje om patiëntes met een dergelijk ziektebeeld in te laten stemmen met een ‘relatie’.

De gevolgen laten zich raden: zelfmoord en zelfmoordpogingen op het moment dat Vandereycken, zijn speeltje beu, een einde maakt aan de relatie. En dan hebben we het nog niet gehad over het teniet doen van mogelijk jaren van vooruitgang. Patiënten kunnen weer terug naar af, zien hun terugkeer naar een ‘normaal’ maatschappelijk leven alweer uitgesteld.

Het einde van de relatie betekent in deze ook het einde van de therapie en een nieuwe zoektocht naar een geschikte therapeut. Die nieuwe therapeut mag trouwens beginnen met het opruimen van de ‘brokstukken’ achtergelaten door Vandereycken. Begin na een dergelijke ervaring maar eens opnieuw het zo noodzakelijke vertrouwen tussen patiënt en therapeut op te bouwen.

Het menselijk leed en de maatschappelijke kost van de folietjes van Vandereycken zijn niet te overzien.

Schandpaal. 

De reacties op de bekentenis van Vandereycken uit de sector zijn op zijn minst gemengd te noemen. Meer dan een vluchtig excuus richting slachtoffers kon er niet af. In het algemene discours werd het woord ‘slachtoffers ‘ zelfs niet gebruikt, terwijl die term wel degelijk op zijn plaats zou zijn. Op de radio (Hautekiet) werd verklaard dat er aandacht moest zijn voor de ‘kwetsbaarheid van de therapeut’. Yves Desmet riep ons op om toch mensen die ‘verliefd’ werden buiten de norm niet klakkeloos aan de schandpaal te nagelen. De roep om nuance klonk zo sterk, dat een sterke veroordeling van het totaal laakbare gedrag van Vandereycken er niet meer leek af te kunnen. En dat terwijl we nu toch al zouden mogen weten dat het erkennen van de slachtoffers een eerste stap is naar genezing.

Asymmetrische relaties. 

De nieuwspraak vierde hoogtij. In plaats van te spreken over ongeoorloofd machtsmisbruik ten aanzien van patiëntes dook de term ‘asymmetrische relaties’ op. Zo is het makkelijk natuurlijk om seksueel misbruik door personen met een machtspositie – want dat is het – onder de mat te schuiven. Vandereycken ontkende – het zal geen verrassing zijn – formeel dat er sprake zou zijn van verkrachting, of van seksueel ongewenst gedrag. Elke vorm van seksuele handelingen gebeurde met volledige instemming van beide partijen, zo klonk het. Dat is natuurlijk een bewering die niet vol te houden op het moment dat één van beide partners door de vorm en de aard van de relatie van zijn vrije wil is beroofd. U weet het of u weet niet, maar in België is ook penetratie afgedwongen door middel van list gelijkgesteld aan verkrachting.

Verliefd. 

Ach, klonk het hier en daar, die man was verliefd. Dan kon het toch geen kwaad? Oh nee? Ik zou de pedofielen die ‘verliefd’ zijn op hun slachtoffer niet te eten willen geven.

Men kan zich trouwens de vraag stellen hoe ziek iemand zelf wel niet moet zijn om keer op keer ‘verliefd’ te worden op de te behandelen patiëntes. Die systematiek van een verfijnde modus operandi is niet gelijk te stellen met ‘het uit het oog verliezen van de grens tussen empathie en seksueel misbruik‘, zoals Desmet deed in De Morgen. Vandereycken is niet de therapeut de na jaren trouwe dienst een éénmalig accident de parcours heeft. Het is een man die systematisch en gedurende lange jaren de grenzen van het toelaatbare opzocht en overschreed. Hij kon dat doen door het wegkijken van zijn collega’s en het stilzwijgen van zijn professionele omgeving onder het mom van zijn vele ‘verdiensten’. Doen alsof ‘verliefdheid’ ook maar de minste vorm van excuus levert is niet enkel tergend naïef, het doet ook afbreuk aan het leed van de vele slachtoffers.

Read Full Post »

Lorin Parys. 

Af en toe word ik door tinternet attent gemaakt op de schrijfsels van ene Mijnheer Parys. Het gevolg is meestal wat milde ergernis. Parys heeft een rubriekje in de Standaard dat de ‘De Paradox van Parys’ heet. Over het algemeen zijn zijn redeneringen zo consistent als een brik karnemelk en zijn argumenten makkelijker te doorprikken dan een tros ballonnen die per ongeluk in een cactuswoud terecht zijn gekomen.

Ik begin bijna te vermoeden dat Van Parys ergens een sekstape liggen heeft waar hij de hoofdredactie van de krant in kwestie mee kan chanteren, want ik kan geen andere reden bedenken waarom een gazet die zich laat voorstaan op het predikaat ‘kwaliteit’ week na week onzin van dat kaliber blijft publiceren.

Volgens zichzelf is Parys een ‘doener’ (ja, van veel nadenken kun je hem niet beschuldigen). Hij is ook COO (dat is Chief Operations Officer, meisjes en jongens) van Uplace. Ja, dé Uplace. Naar eigen zeggen heeft hij op die manier meer dan 3.000 jobs gecreëerd door het bedenken van een lifestyleconcept in vastgoed. We gaan even voorbij aan het feit dat het nog hoogst onzeker is dat dat spel ook effectief gebouwd zal worden, mijnheer Parys schrijft zonder omkijken toch lekker zomaar eventjes 3.000 gecreëerde jobs op zijn conto. Als ik Parys een boek zou aanraden, het zou Kaas zijn van Elsschot.

Gisteren verscheen zijn stukje onder de titel ‘Het Zwakke Geslacht‘.  In die column komt Parys via een kronkelig pad van halve waarheden en verkeerd geïnterpreteerde feiten tot de conclusie dat mannen tegenwoordig ‘het zwakke geslacht’ zouden zijn en de onschuldige slachtoffers van een complot genaamd ‘omgekeerd seksisme’.

Zwak versus sterk. 

Om te beginnen de titel. Het Zwakke Geslacht. In 2012 moeten we het blijkbaar nog altijd stellen met die gedateerde dichotomie van het ‘sterke’ versus het ‘zwakke’ geslacht. Dat is niet de schuld van Parys natuurlijk, en we kunnen niet van bedenkers van ‘lifestyleconcepten in vastgoed’ verwachten dat ze er op hun eentje in slagen om oude paradigma’s achter zich te laten. Fair enough. Maar kunnen we misschien de wedloop tussen de seksen stoppen en onze complementariteit en sterke punten gebruiken? En zouden beide geslachten er geen baat bij hebben om – ik zeg maar iets – een beter evenwicht te creëren tussen werk en vrije tijd? (Enzovoort, enzoverder, ik kan hier moeilijk een exhaustieve lijst publiceren van alle vlakken van het maatschappelijke leven waar er nog ruimte is voor verbetering).

Mannen op de arbeidsmarkt.

Parys begint zijn column met de vaststelling dat de economische crisis ‘een pak harder’ toeslaat bij mannen dan bij vrouwen. De werkloosheid bij mannen stijgt, die bij de vrouwen daalt. De reden die hij daarvoor aanhaalt is dat vrouwen vaker tewerkgesteld zijn in sectoren die niet zo onderhevig zijn aan economische schommelingen zoals de zorg en het onderwijs. Dat klopt. Zorg en onderwijs zijn ook die sectoren waar er vaker part-time gewerkt wordt en waar er minder te verdienen valt. Waarschijnlijk is dat laatste één van de redenen waarom deze sectoren door mannen minder aantrekkelijk bevonden worden.

Een andere reden voor de kwetsbaarheid van mannen op de arbeidsmarkt – zo haalt Parys aan – is het feit dat jongens (mannen) vaker dan meisjes de schoolbanken verlaten zonder diploma. Die vaststelling is correct. Maar mijnheer de COO slaat de bal behoorlijk mis op het moment dat hij zegt ‘meisjes blijken nu ook gewoon slimmer‘. Meisjes en vrouwen zijn inderdaad op het vlak van onderwijs aan een serieuze inhaalbeweging bezig, ook in studiegebieden die vroeger meer ‘mannelijk’ terrein waren zoals de exacte en de toegepaste wetenschappen. Dat heeft op zich niets te maken met pure intelligentie, wel met een aantal andere factoren die meer van psychische en emotionele aard zijn. Zo hebben meisjes over het algemeen een betere studie attitude dan hun mannelijke collega’s, om maar iets te zeggen. Over het verschil in studieresultaten tussen jongens en meisjes is trouwens genoeg vakliteratuur te vinden. En deze inhaalbeweging op de schoolbanken vertaalt zich nog altijd niet op de arbeidsmarkt.

Omgekeerd seksisme.

‘Hebben wij mannen een probleem? Lijden wij in stilte als slachtoffers van omgekeerd seksisme?’ vraagt Parys zich ongegeneerd af. Hij citeert David Benatar die aanhaalt dat mannen dan wel oververtegenwoordigd zijn aan de ‘top’ van de maatschappij (wat daar dan ook mee bedoeld wordt), maar dat ze tegelijk van dezelfde oververtegenwoordiging genieten in de ‘kelder’ van de maatschappij die dan moet bestaan uit ‘daklozen, gevangenen en schoolverlaters zonder diploma’. En dat moet het bewijs zijn van het bestaan van omgekeerd seksisme? Ik dacht het niet.

 Ten eerste: mannen scoren over het algemeen beter aan de extremen van het spectrum, vrouwen zijn dan weer beter vertegenwoordigd in het midden. Ik heb het nu over een aantal ‘meetbare’ zaken zoals bijvoorbeeld intelligentie, leeftijd of bepaalde ziektebeelden. Er zijn bijvoorbeeld meer mannelijke genieën (IQ hoger dan 150) dan dat er vrouwelijke genieën zijn, maar er zijn ook meer mannelijke ‘debielen’ (IQ tussen 50 en 70).

Vrouwen leven gemiddeld langer omdat mannen en jongens onder invloed van testosteron meer risico nemen, meer ongelukken hebben en dus vroeger sterven. Mannen plegen ook meer zelfmoord en leven over het algemeen ongezonder, gaan zich meer te buiten aan overmatig alcohol- en druggebruik. Het feit dat vrouwen langer leven kun je dus bezwaarlijk afschuiven op ‘omgekeerd seksisme’.

Ga direct naar de gevangenis. 

Ten tweede: mannen plegen ongeveer 90% van de geweld- en zedendelicten. Dat de ratio man/vrouw in de gevangenissen ongeveer 10/1 is, ligt dus niet aan ‘omgekeerd seksisme’. Het ligt wel aan het feit dat mannen gewoon meer strafbare feiten plegen en dus logischerwijze sneller een kaartje krijgen richting gevangenis. Als mannen nu eens zouden stoppen met gewapende overvallen plegen of tijdens vechtpartijen andere mensen de kop in te slaan, er zou minder reden zijn om mannen op te sluiten. Het is natuurlijk maar een idee hoor, Lorin.

Keuzevrijheid. 

In de laatste twee paragrafen gaat Parys helemaal loos. Sta mij toe te citeren.

“Op sommige vlakken hebben vrouwen vandaag meer keuzevrijheid dan mannen. Als vrouw kun je er vandaag voor opteren voluit voor een carrière te gaan, thuis te blijven om voor de kinderen te zorgen of beide te combineren. Alleen is diezelfde beweging voor mannen niet gevolgd. Want laat ons eerlijk zijn, een man aan de haard, die lachen we vierkant uit. Een man wordt geacht voor het brood op de plank te zorgen; een vrouw mag kiezen”.

We kunnen dus besluiten dat Lorin Parys COO van Uplace is geworden (een functie die hij combineert met het voorzitterschap van de RVB van de organisatie Flanders DC) omdat hij bang was uitgelachen te worden mocht hij ervoor gekozen hebben om zijn carrière op een lager pitje te laten draaien om tijd te maken voor zijn kinderen?

En het pleidooi van Monica De Coninck enkele weken geleden waarbij mannen en vrouwen opgeroepen worden om een evenwichtiger verdeling inzake werk/gezin na te streven heeft Parys in al de drukte van het lobbyen op het kabinet van minister Schauvlieghe waarschijnlijk niet gehoord. Ik weet natuurlijk niet in welke kringen Parys zich meestal beweegt, maar de meeste mannen die ik ken zijn niet te beroerd om de zorg voor hun kinderen op zich te nemen, ouderschapsverlof aan te vragen en op allerlei andere manieren te investeren in de opvoeding en de toekomst van hun kinderen. Kan het allemaal nog beter? Uiteraard! Maar stellen dat ‘een man geacht wordt brood op de plank te brengen‘ en laten uitschijnen dat dat het enige is dat een man geacht wordt te doen is intellectueel oneerlijk. Het enige dat Parys doet is zichzelf (en bij uitbreiding ‘de mannen’) wentelen in de rol van slachtoffer van het ‘omgekeerde seksisme’.

Cliché. 

De voorzitter van de raad van bestuur van Flanders DC eindigt zijn lamlendig betoog met een cliché van formaat: “En voor wie nog niet overtuigd zou zijn dat mannen het moeilijk hebben: van ons wordt verder niet verwacht dat we onze emoties tonen, de weg vragen of echt zeggen hoe die rok eruit ziet. Je zou van minder beginnen te twijfelen”.

Maar gij dutske toch! Ik laat per direct een pallet papieren zakdoekjes leveren op het hoofdkwartier van Flanders, District of Creativity.

Een mens zou eigenlijk verwachten dat een organisatie die werkt aan een cultuur van ‘creativiteit, innovatie en ondernemerschap’ geleid zou worden door iemand die zelf blijk geeft van creativiteit, originaliteit en vernieuwing. Mis poes! De RVB wordt daar voorgezeten door een ouderwetse macho die uitblinkt in bekrompenheid.

Read Full Post »

“I think it’s less about grief than remembrance,” she said. “Grief starts to become indulgent, and it doesn’t serve anyone, and it’s painful. But if you transform it into remembrance, then you’re magnifying the person you lost and also giving something of that person to other people, so they can experience something of that person.”

Patti Smith, in een interview dat je hier kunt lezen.

Ik heb de laatste tijd genoeg kunnen nadenken over verlies, verdriet en hoe dat op een mens (of toch de mens die ik ben) inwerkt. Af en toe observeerde ik een beetje verwonderd mijzelf, en hoe ik op de dingen reageerde.

Rouwkledij, waarom bestaat dat eigenlijk niet meer? De eerste twee weken nadat Mara was gestorven, liep ik rond alsof mijn vel van kop tot teen één grote brandwonde was. Ik kan het moeilijk op een andere manier uitleggen. Zoals bij brandwonden de aanraking van een laken of ruwe kledij pijn doen, zo werd ik gekwetst door harde woorden en zielloos cynisme. Ik wilde zachtjes en liefjes toegesproken en aangeraakt worden, ook door de caissière van de Delhaize. Ik had zin om onbeleefde chauffeurs die toeterden en zwaaiden en gebaarden te stoppen, zodat ik hen verontwaardigd kon toesnauwen of ze zich wel realiseerden dat wij net in onze familie een kind verloren waren??? En toen besefte ik dat ‘men’ dat niet aan mij zag, dat verlies. Voor zij die mij kennen was het waarschijnlijk duidelijk, dat ik met mijn voeten sleepte en dat in mijn ogen droefheid de bovenhand haalde. Maar dat zijn tekenen die slechts zichtbaar zijn voor geoefende ogen van zij die nabij zijn. Voor alle anderen ben je gewoon maar iemand, die in de weg loopt of verstrooid blijft staan als het al lang groen is geworden.

En ik moest denken aan alle andere keren, dat ik ook toeterde of cynisch deed. Hoeveel keer ben ik niet diegene geweest die onwetend zout in de wonde wreef? Hoevele keren heb ik iemand tot haast en spoed aangemaand, terwijl die enkel stil wilde blijven zitten?

Nog niet zo heel erg lang geleden droeg wie een verlies te betreuren had het uniform van de rouwenden. Volgens strikte regels werden weduwen in het zwart gestoken, of men droeg een rouwband om de arm. In elk geval, het was voor onwetende buitenstaanders duidelijk dat enig mededogen gepast was. Het concept zou me wel van pas gekomen zijn (en nu moet ik mij tegenhouden om niet uit te barsten in een tirade tegen dit postmodernistische tijdperk zonder Grote Verhalen).

Maar door terug aan het werk te gaan beginnen de dingen min of meer in hun plooi te vallen. Je merkt dat er ook nog een leven is buiten dat ene feit waarrond je meende je bestaan te moeten laten pivoteren. Er is voor Mara en na Mara, maar evengoed moet de gele zak met restafval zondagavond buiten gezet worden. En voor je het weet, durf je terug te lachen om een onnozele lol op facebook. Eerst is dat nog een beetje stiekem, want als Iemand Die Iets Te Verwerken heb je toch een bepaalde status op te houden. De waardigheid van het slachtoffersambt moet toch bewaakt worden. En je voelt je toch ook een beetje schuldig. Want jij denkt aan vuilbakken of je durft lachen, eten, spelen, werken, onnozel doen, sporten, … En zo snel al! Is dat eigenlijk normaal?

Waarschijnlijk is dat normaal, zeker als we niet wijsneuzerig vragen ‘wat is dat, normaal?’ Het is ook een gemis van iemand die er nog niet was. Het is anders, denk ik, op het moment dat er iemand wegvalt die je écht hebt gekend, waar je herinneringen aan hebt, waar je gewoontes mee had opgebouwd. Het heeft jarenlang geduurd, bijvoorbeeld, dat ik in de stad of op café een krullenbol zag met een bril en dat ik dacht: ‘Hey, daar is Jo!’, om dan een fractie van een seconde later te beseffen dat het Jo natuurlijk niet kon zijn, want die is dood. (Full story here).

En bij mij was het vooral verdriet om het verdriet van iemand anders. Voor mijn nicht zal het wel anders zijn, maar zij begint nu toch al voorzichtig te zeggen dat ze het opnieuw wil proberen. En dat jaagt mij enorm veel schrik aan, maar tegelijkertijd weet ik ook dat dat eigenlijk een goede zaak is. Wij (als in: onze familie) zullen toch niet twee keer na elkaar door zo’n stom, onnozel toeval getroffen worden.

En Patti Smith heeft gelijk. Het is een raar ding, dat ‘slachtofferschap’. Je krijgt respect toegezwaaid, en anderen noemen je ‘sterk’ terwijl je daar zelf helemaal niet van overtuigd bent. Mensen willen vanalles voor je doen, in een onhandige poging je verdriet te milderen. Ik kan me goed voorstellen dat die self indulgence waar ze het over heeft om de hoek ligt te loeren. Transform it into remembrance, and the story becomes an entirely different one …

Read Full Post »

Deze week zag ik een openlucht vertoning van de film ‘Vie Héroïque‘, over het leven van Serge Gainsbourg. De setting was een beetje sprookjesachtig, en er viel geen regen. Met een beetje goede wil zou je van een van een zwoele zomeravond kunnen spreken, maar een mens moet nu ook weer niet te zeer overdrijven. Het was de tweede keer dat ik de film zag, wat me beter toelaat om er een objectiever (lees: minder emotioneel) oordeel over te vellen. ‘Vie Héroïque’ is eigenlijk best een fijne film. Al snel wordt namelijk een alter ego van Gainsbourg geïntroduceerd, dat een complexe relatie heeft met het hoofdpersonage. Het is stouter en minder verlegen, en zorgt ervoor dat Gainsbourg zich op een bepaald moment volledig op zijn muziek toelegt en het schilderen erbij laat inschieten. Maar het is ook venijnig en niets ontziend. Het is wreed, sarcastisch en denkt dat het zich alles kan permitteren omdat het een artiest is. Een goeie artiest, dat wel.

Vie Héroïque is natuurlijk geen objectieve biografie, maar dat pretendeert de film ook niet te zijn. Het deed me vooral nadenken over artiesten en hoe ze dikwijls de mensen rondom zich behandelen. Het lijkt er wel op alsof de meeste (of toch vele) artiesten in de breedste zin van het woord een patent hebben om zich als een rasechte klootzak te gedragen. Het is natuurlijk de aard van het beestje: om een echte kunstenaar te kunnen zijn, moet je je uiteraard durven laten raken, en komen de emoties in het kwadraat opzetten. Elke onzekerheid, elke twijfel, elk onverwerkt trauma, wordt genadeloos op de partner uitgewerkt. Zijn er kinderen, dan worden deze veelal emotioneel verwaarloosd of gewoon regelrecht naar de kloten geholpen door het genie in kwestie. Alles voor de kunst, zeker?

In de jaren 80 las ik in de krant een oproep van Jan Decorte. Hij zocht mensen, jongeren met een goed idee. Je moest eerst een brief schrijven (zo ging dat in die tijd) en was je idee goed genoeg, dan mocht je het aan de meester zelve komen uitleggen. De besten zouden dan samen met hem hun idee verder mogen uitwerken. Ik schreef en brief en op een regenachtige zaterdagnamiddag (denk ik) mocht ik me melden in de Brusselse Beursschouwburg. In het halfduister van de theaterzaal zat ik daar, met nog een paar tientallen anderen op de klapstoeltjes. We wachtten, tot de deuren van zaal met veel gedruis openklapten en mijnheer Decorte himself zijn opwachting maakte. In zijn kielzog Sigrid Vinks, toen al zijn vrouw. Hij zette haar op een bepaald moment zonder enige gêne ferm te kakken voor alle aanwezigen. Ze was wel zo slim om niets terug te zeggen. Achteraf heb ik ergens gelezen dat hij tijdens die periode ferm aan de coke zat. Die namiddag zal geen uitzondering geweest zijn.

Het was de bedoeling dat iedereen zijn idee kwam uitleggen. Iedereen die het lef had gehad om een brief in te sturen was gewoon uitgenodigd, Decorte had uiteraard nog geen enkel epistel gelezen. Eén voor één werden we op de scène gesommeerd om onze inval uit de doeken te doen. Daar stond je dan, met die volgspot op je smoel, waardoor je moest spreken voor een zwart gat. Het leek wel een politieverhoor, maar dan erger. Stond je idee hem niet aan, dan werd je gewoonweg de grond ingeboord. Van mijn eigen passage herinner ik me nog maar weinig. Zware vernedering is me bespaard gebleven, gelukkig.

Van het project zelf is niets meer vernomen. Maar als ik nu Decorte, als mannetje dat veel te vroeg oud is geworden op TV zie moet ik altijd denken aan die namiddag. Een paar jaar geleden nog eens in De Laatste Show, met Sigrid. Hij was ziek geweest, een diepe depressie. In één of ander interview drukte hij zijn spijt uit over hoe hij zijn vrouw had behandeld. Hij maakte brokken, zij ruimde de scherven. En opnieuw. (x 1.000). Hij maakte carrière en furore, zij kreeg steevast een rol in zijn producties. Blijkbaar is de rol van muze, (ah ja, achteraf wordt de vrouwen altijd de rol van muze toebedeeld hé) en surrogaatmoeder voor sommige vrouwen genoeg. Blijkbaar is de eer die daarmee gepaard gaat voldoende om alle vernederingen en wanhopige momenten te compenseren. Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik het niet zou kunnen. Ik had hem de kop ingeslagen. (Nee, dat is niet waar. Ik zou gewoon weggegaan zijn).

Read Full Post »

En niet met een gordijnenkoord, maar door haar parachute te saboteren. Een man verloor zijn vrouw, twee kinderen hun moeder, een aantal anderen een vriendin. Zo gaat dat, als iemand in de fleur van zijn of haar leven de dood wordt ingejaagd.

Voor die moord is Els Clottemans beschuldigd en werd ze uiteindelijk door een assisenjury veroordeeld. 30 jaar, eerste kans op vervroegde vrijlating in 2019. Dat is natuurlijk op voorwaarde dat de uitspraak in cassatie zal gehandhaafd worden. En aan elke toog, op elke trein, tram & bus, in de kantines en de refters, op blogs en op statussen wordt in alle toonaarden ‘schande’ geschreeuwd over deze veroordeling. Want de veroordeelde zou veroordeeld zijn zonder enige bewijslast, en tegelijkertijd gruwelt men zoals men dat doet tijdens het bekijken van een thriller of een horrorfilm en zegt men ‘het zou mij ook kunnen overkomen’. En men voelt opwinding opstijgen vanuit de onderbuik, en men dagdroomt over hoe het zou zijn om de hoofdrol te spelen in een dergelijk schouwspel. Heel even verdwijnt de saaiheid en de sleur van het eigen leven naar de achtergrond en lonkt er avontuur en heldendom. Maar dan komen de chips en de TV-worstjes en gaat men over tot de veilige orde van de dag. Men nestelt zich onder een dekentje en kijkt naar C.S.I. of Witse, en we kunnen het vervolg van ‘you have the right to remain silent’ opdreunen.

Bewijs wordt gereduceerd tot DNA-sporen of vingerafdrukken en liefst een bekentenis. En – zo weten we ondertussen – dat was er niet in het geval van Els Clottemans. Ergo, haalt de verdediging aan, is de onschuld van deze verdachte een vaststaand feit. Of toch niet helemaal?

Er is een tijd, nog eens niet zo erg lang geleden, dat DNA niet geanalyseerd kon worden, dat men geen bloed kon analyseren of vingerafdrukken nemen. Ook toen al werd er recht gesproken en werden mensen veroordeeld. Het is dus onzin om te zeggen dat enkel DNA, bloed of getuigen als bewijs kunnen aangevoerd worden.

Er is het concept van de ‘ernstige vermoedens’ of ‘ernstige aanwijzingen’ zoals dat beschreven staat in het Strafwetboek. En als we alles op een rijtje zetten, dan kunnen we rustig stellen dat die er waren.  Zo werd ze verschillende malen betrapt op leugens in haar verschillende verklaringen, weigert ze een test te ondergaan met een leugendetector en is er het verhaal over de pilot-chute. Ze ging in het verleden, bij het versturen van anonieme brieven en het plegen van anonieme telefoontjes erg ver om niet betrapt te worden. Ze maakte zich dus een methodiek eigen, die er op gericht was om de sporen van haar daden uit te wissen.

En pas daarna komt de hele persoonlijkheidsanalyse. Ze scoort erg hoog op de psychopatietest, psychiaters die haar onderzoeken hebben het over een narcistische en theatrale persoonlijkheid met een laag empathisch vermogen. Ze probeert haar ondervragers te manipuleren.

Een twaalfkoppige jury hoort vier weken lang verdediging, openbare aanklager en burgerlijke partijen en komt tot de conclusie dat Clottemans schuldig is. Maar de vox populi weet het beter. Terwijl het best eens zou kunnen dat 1 + 1 ook deze keer gewoon 2 is.

Read Full Post »

Older Posts »