Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2015

(Nvdr: dit is het vijfde deel van een kortverhaal. De vorige delen vind je hier: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5). 

Telefoon

Jean-François merkt niet dat de deur van zijn cel wordt geopend. Het licht uit de gang valt op zijn gezicht, dat er in zijn slaap merkwaardig vreedzaam uitziet. De bewaker die is binnengekomen rammelt ongeduldig met zijn sleutelbos bij het oor van de slapende gevangene, maar ook dat gaat aan de man voorbij. Het wordt uiteindelijk een venijnig trapje tegen de benen zodat Jean-François uiteindelijk toch min of meer wakker schrikt. Nog voor hij zich goed en wel kan realiseren wat waar hij is en wat er gebeurt krijgt hij een GSM in zijn handen gestopt. ‘Tiens’, is alles wat de cipier zegt voor hij zich omdraait en de deur terug in het slot laat vallen.

Ontredderd blijft Jean-François in het halfduister zitten met de telefoon in zijn handen. Moet hij iemand bellen? Zijn advocaat? Zijn moeder? Zijn vriend en zakenpartner Baptiste? Hij staart naar toestel alsof het een baby is die hem tijdens een kraambezoek onverwacht in de handen werd geduwd. Uit het niets licht de display op en weergalmt het belgerinkel in zijn cel. Bijna laat hij de telefoon vallen en aarzelt daarna te lang om op te nemen, zodat nu de stilte in zijn oren suist.

Als een vijftal minuten later het gerinkel opnieuw begint is hij wel alert genoeg om op te nemen. Hij zegt niets.

– Hallo? Hallo? Cies? Ben je daar?

– Dirk? Ben jij dat?

– Wie anders? Godverdomme zeg, wat steek jij daar toch allemaal uit? Al een geluk dat ik tegenwoordig kabinetchef ben bij Buitenlandse Zaken.

Cies moet lachen.

– Allez, het is het moment om te beginnen stoefen. Proficiat hé, kerel.

Even blijft het stil aan de andere kant. Dan, ernstig.

– Ik ben uit mijn bed gebeld door de ambassadeur daar omdat Wesley De Brabander dood is aangetroffen in Kinshasha. En dat nadat hij klaarblijkelijk in jouw gezelschap een hele nacht heeft doorgebracht. Ik heb de familie op de hoogte moeten brengen en nu wordt er gewerkt aan een persbericht, want je kunt wel raden dat het nieuws al de ronde doet bij de journalisten. Voorlopig concentreren ze zich nog op De Brabander heb ik de indruk, maar het zal niet al te lang duren voor ze er achter komen dat er nog iemand anders bij betrokken is. Ik weet dat je hier al lang weg bent, maar heb jij er eigenlijk een idee van hoe groot dit nieuws is? Dat wordt hier niet alleen een nationaal hoofdpunt morgen, maar we krijgen ook al aanvragen uit Engeland, Duitsland en Frankrijk voor een verklaring.

Cies slikt iets weg, maar is toch wat gerustgesteld door de droge, feitelijke toon van Dirk.

– Sorry, de zenuwen. Ik weet eigenlijk niet goed wat ik moet doen. Of moet zeggen. Maar waarom bel jij eigenlijk?

– Voor twee zaken: ten eerste wil ik uit jouw mond horen wat er gebeurd is. Ik weet dat we al jaren vrienden zijn en ik denk niet dat je een slecht mens bent, maar als er één ding is dat ik in deze stiel geleerd heb dan is het wel dat vriendschap een mens kwetsbaar maakt. Je hebt 5 minuten om mij ervan te overtuigen dat ik een poging moet wagen om jou uit deze stronthoop te proberen redden. Of niet.

Voor de zoveelste keer die dag begint Cies zijn uitleg over het tuinfeestje en de fancy cocktails, maar hij wordt al snel onderbroken door Dirk.

– Ja, dat verhaal ken ik al. Ik heb je verklaring gelezen en ik heb ook al een babbel gehad met Mr. Oliver, dus dat is al oud nieuws. Wat me meer interesseert is wat jullie nog allemaal hebben uitgevreten toen jullie al in het etablissement van Madame Solange waren. Want daar blijf je ook in je getuigenis bijzonder vaag over.

– Dirk, jongen, ik weet het. Ik herinner mij er niet te veel meer van, dat is het probleem.

-Je herinnert je er misschien niet al te veel meer van, maar meer dan je op dit moment toegeeft. Nu heb je de kans, maar ik heb niet veel tijd of geduld.

Cies kreunt. En zucht.

– En dit blijft tussen ons?

– Voor zover mogelijk, maar ik kan niets garanderen.

Dan flapt Cies het er uit.

– Weet je wat het is? Die gast was een junk. Misschien geen hele, maar op zijn minst een halve. Het enige dat hem interesseerde waren drugs. Drugs en hoeren, om helemaal volledig te zijn. We zaten nog niet goed en wel in de taxi, of hij begon er al over. Waar we vrouwen konden oppikken? Ik heb hem gezegd dat dat geen probleem zou zijn, dat eerder het omgekeerde mij zou verwonderen. Precies of je kunt hier uitgaan zonder dat ze rond je nek komen hangen. Nu ja, ik snap het wel van hun kant. De meeste van die blanke vetzakken hier verdienen niet beter dan dat ze gezien worden als een portefeuille op pootjes.

– Waarom verwondert mij deze plotwending mij niet?, kwam Dirk er tussen. ‘Maar goed, vertel vooral verder’.

– Over die dope, dat heb ik hem uit zijn hoofd proberen te praten. Ja, dat hij eens Khat wilde kauwen, daar kan ik in komen, maar de rest? Je wilt niet weten wat ze hier in hun amfetamine-achtige brouwsels draaien om weg te zijn van de wereld. Je moet echt al goed zot zijn om je daar aan te wagen. Maar ja, mijnheer wist het beter hé. Hij wou en hij zou en hij moest. En dat dat toch niet te geloven was dat je hier in deze kringen nergens aan kon geraken en patati en patata.

– Mja, het was nu ook niet echt een staatsgeheim dat De Brabander op dat vlak geen doetje was. Doping, coke, een vechtpartij, er was altijd wel een reden waarom hij aan de deur gezet werd bij zijn voetbalploeg.

– Ik ga eerlijk zijn hé, Dirk. Hoe het allemaal is gegaan, ik weet het echt niet. Volgens mij heeft hij in de Ibiza Lounge het één of het ander toegestopt gekregen. Geen flauw idee van wat het kan geweest zijn, vergeet niet dat ik zelf ook al behoorlijk in de wind was. Maar ik ben er vrij zeker van dat ze mij daar ook iets gelapt hebben.

– En in dat hotel? Wat is er daar nog allemaal voorgevallen?

– Niets. Allez, toch niet in mijn kamer, ik was groggy. Ik zag het van uren ver aankomen dat ze zouden weg zijn met onze portefeuilles, horloges en GSM’s. Achteraf bekeken mag ik nog van geluk spreken dat ik mijn schoenen nog terug vond. Er was nog een van die meisjes die naar mijn kamer is meegekomen, maar zelfs al had ik gewild, ik had hem toch niet meer recht gekregen. Volgens mij heeft ze geholpen om mijn veters los te knopen en mij in dat bed te hijsen. En verder geen kloten eigenlijk.

– En Wesley heeft dan in zijn kamer alleen het feestje verder gezet?

– Alleen zou ik niet zeggen, maar toch zonder mij.

Dirk blijft even stil, ademt een paar keer zwaar.

– Goed, ik geloof je. Ik ga je niet vragen om te zweren dat je de waarheid spreekt, en ik moet hier nu een beslissing nemen, want het moet snel gaan. Ik ga ervan uit dat ik er geen spijt van zal krijgen? Er zitten geen andere adders meer onder het gras? Die meisjes waren niet overduidelijk minderjarig?

– Zeg!

– Oké, oké, maar ik moest het zeker weten. Luister goed, ik ga je vertellen wat er gaat gebeuren. Morgen komt er een Belgisch onderzoeksteam toe. Die gaan in elk geval toekijken op de autopsie, stalen nemen voor een uitgebreid toxicologisch onderzoek en tips geven omtrent het sporenonderzoek. Via de zendmasten proberen we jullie GSM’s al terug te vinden. Jij wordt morgen in de loop van de dag vrijgelaten, je advocaat komt je ophalen en levert je af op de ambassade. Daar zal een paspoort klaar liggen en het is de bedoeling dat je dan de eerste, de beste vlucht naar België neemt. Ik vrees dat je gloriedagen in Kinshasa voorbij zijn, kerel.

– Zou je denken?, schampert Cies. ‘En kan dat eigenlijk allemaal zomaar, dat een Belgisch onderzoeksteam zich moeit met een Congolese enquête?

– Neen, natuurlijk niet. Officieel wordt dat team uitgenodigd door de Congolese autoriteiten. Ik heb hier voor deze zaak zowat elke logebroeder die mij nog iets moest de arm omgewrongen om het zo geregeld te krijgen. En diegene die mij nooit iets verschuldigd waren ook.

Diezelfde avond nog zat Cies op vlucht richting Brussel. Hij verheugde zich niet op een kil weerzien met zijn vaderland.

Advertenties

Read Full Post »

(Nvdr: dit is het vijfde deel van een kortverhaal. De vorige delen vind je hier: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4 ) Enjoy … 

Het onderzoek

Het is nacht en Jean-François ligt ondanks alles te slapen als een klein kind dat de hele dag in de zandbak heeft gespeeld. Hij merkt niets van de kille harde vloer die zijn bed is, de stank van de emmer in de hoek van zijn hok of het rauwe schreeuwen van zijn medegevangenen die verderop in de gang in hun cel opeengepakt zitten als beesten.

Hij is simpelweg op. De hele namiddag en avond heeft hij doorgebracht in het gezelschap van ‘zijn’ advocaat en twee inspecteurs die hem probeerden te ondervragen. Hij wou enkel slapen, zich onderdompelen in vergetelheid. Wakker worden in een andere realiteit, waar niet was gebeurd wat toch was gebeurd.

De advocaat had gezorgd voor water en gekoelde Cola. En iets te eten, want Jean-François was werkelijk uitgehongerd geweest.

De ondervraging dan. Vastberaden maar vriendelijk was het duo er aan begonnen. Of Jean-François eens wilde beginnen bij het begin? Waar had hij precies Wesley De Brabander leren kennen? En of hij eens in detail wilde uitleggen hoe het kwam dat voornoemde Wesley De Brabander nog geen etmaal later zo dood als een pier werd aangetroffen in een schimmig rendezvous huis? Het antwoord op de eerste vraag was nog relatief gemakkelijk. Hij deed het relaas van het feestje bij de rijke Engelse zakenman en hoe hij was voorgesteld aan de voetballer die hij van naam kende. Daarna was zijn relaas wat waziger geworden. Ja, ze waren samen in een taxi gestapt, want ze waren dronken en vrolijk en Jean-François zou dat voetballertje eens het echte Kinshasa tonen.

De taxichauffeur had hen afgezet in Matongé, waar het zoals gewoonlijk na het zinken van de zon krioelde van het volk. Er waren hoeren en heren, die laatste netjes in het pak. Straatschoffies die sigaretten, aanstekers, illegaal gestookte drank, zakjes lijm en kauwgom aan de man probeerden te brengen. De massa wemelde in alle kleuren, maten en gewichten. Vanuit cafés en huizen weerklonk opzwepende muziek, hier en daar flikkerde neonverlichting. Er hing een geur van lichte verrotting, exotische kruiden en geil zweet. Er werd naar hen geroepen, ze werden bij de hand genomen en er werd natuurlijk geprobeerd om in hun zakken te zitten. Jean-François zag het gebeuren en gaf de kleine vingervlugge zakkenroller een speelse trap in de kont.

Hongerig en beneveld waren ze de eerste, de beste eettent in gedoken waar Jean-François de kok met veel gesten een aantal instructies had gegeven en verder luidruchtig onderhandelde over de prijs. Er was koud bier op tafel gezet en Jean-Francois had een beetje zelfvoldaan achterover geleund. Hij voelde zich de man. Ook tijdens hun maaltijd werden ze voortdurend benaderd door fixers, verkopers van obscure marchandise en vriendinnen voor een nacht. Wesley had zijn ogen uit gekeken, Jean-François had ze stuk voor stuk afgewimpeld. Als een man van de wereld, quoi.

Wesley had het allemaal geweldig gevonden. Hun eten was nog niet helemaal doorgeslikt of hij stond al recht, nieuwsgierig naar het volgende avontuur. Hij liet zich door Jean-François graag meetronen naar een club waar hij vroeger wel eens kwam. De bassen dreunden, de blazers schetterden en het was er bloedheet. Er waren nog een aantal tafeltjes vrij in wat vrij optimistisch de VIP-area werd genoemd waar het duo met de air van een paar filmsterren plaats nam. De ex-voetballer voelde zich meteen in zijn element en liet een paar flessen sterke drank en glazen aanrukken. Al gauw hadden zich een aantal pronte dames bij hen gevoegd, iets wat Wesley zeer op prijs leek te stellen. Jean-François schudde glimlachend zijn hoofd, Wesley haalde zijn schouders op en knipoogde vet. Ach, dacht Jean-Francçois nog, een keertje alle remmen los, het mag wel eens. Als hij het zich goed herinnerde had hij op een bepaald moment zelfs staan shaken op de dansvloer.

– ‘Tu danses comme un Blanc’, had er nog een van de meiden gelachen.

De inspecteurs noteerden ijverig, onderbraken hier en daar zijn relaas. Vroegen naar namen, wat ze precies gegeten en gedronken hadden. Hoeveel? Wie had er wat betaald en waarover hadden ze gesproken? Jean- François wist het allemaal niet zo goed. De club, dat was waarschijnlijk de Ibiza Lounge, veel andere zaken kende hij daar niet meer. Zijn wilde jaren lagen eigenlijk al achter hem. En waarover ze gepraat hadden? Met de beste wil van de wereld kon hij zich dat niet meer voor de geest halen. De gewone dingen? Ah ja, toch, Wesley was wel erg nieuwsgierig geweest naar zijn ervaringen met zwarte vrouwen. Of het klopte dat dat tomeloze seksbeesten waren zonder remmingen. Jean-François had hem een beetje moeten teleurstellen. Hij had wel een paar Congolese vriendinnen gehad, maar op ‘dat’ vlak had hij eigenlijk niet echt veel verschil gemerkt met zijn Belgische amourettes. Het leek hem vooral af te hangen van het temperament van de vrouw in kwestie, alle Jef Geeraertsen ten spijt. Die laatste opmerking veroorzaakte dan weer een Babylonische spraakverwarring, want de inspecteurs vroegen zich af waar die Monsieur Jef plots vandaan kwam en wat die met de hele zaak te maken had.

– ‘C’est un écrivain’, probeerde Jean-François hen duidelijk te maken.

– ‘Oui, oui, mais ou es-ce que vous avez rencontré ce monsieur? Et pourquoi es-ce qu’il est venu avec vous? Es-ce que vous savez ou il se trouve maintentant?’

Soit. Na een korte pause werd het misverstand uitgeklaard en kon Jean-François verder met zijn verhaal.

In de blubber van zijn geheugen probeert hij te zoeken naar feiten en de min of meer logische volgorde waarop die zich zouden afgespeeld hebben. Het was nog donker geweest toen Wesley en hij in het gezelschap van een stuk of drie, vier dames de Ibiza Lounge hadden verlaten. Hun namen? Euhm … Rosalie misschien? Merveille? Eigenlijk moest hij toegeven dat hij er geen flauw idee meer van had. Er was een klein heupflesje doorgegeven met een bitter drankje in. Hij had ook moeten overgeven op straat. Wesley had hem uitgelachen, en ze waren een ander café in gedoken om het feestje verder te zetten.

De ex-voetballer had ondertussen wel een heel innige conversatie aangeknoopt met één van de vrouwen uit het gezelschap.

– ‘Son nom?’ Vroeg de oudste inspecteur.

– ‘Je ne sais plus. Je me rapelle qu’elle était mince, portait une jupe en vert, fluo.’

De rest waren flitsen. Wesley die aan zijn mouw trekt en zegt: ‘Kom, ze gaan hier sluiten. Elodie kent een hotelletje in de buurt waar we kunnen crashen.’ Hij had nog aangedrongen op een taxi, wilde eigenlijk gewoon naar huis, maar daar had niemand oren naar gehad.

Read Full Post »