Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juli, 2015

(Nvdr: dit is het vierde deel van een kortverhaal. De vorige delen vind je hier: deel 1, deel 2, deel 3

Die morgen

Jean-François opent zijn ogen en voelt onmiddellijk dat er vanalles grondig verkeerd zit. Om te beginnen: waar is hij? Hij ligt onder een muf laken op een gammel bed. Alleen. Een vaal doek dient als gordijn, in de hoek van de kamer is op een tafeltje een teil met water gezet. Zijn hersenen bonken bijna uit zijn kop, met een droge tong probeert hij die smerige smaak uit zijn keel weg te slikken. Het is drukkend warm en de straatgeluiden verraden dat de dag niet meer zo jong is. Zijn kleren liggen verspeid op de grond, hij zoekt in zijn zakken naar zijn GSM. Weg. Zijn portefeuille is leeg.

Hij voelt zich gedesoriënteerd en suf. Verslagen laat hij zich terug op het bed zakken. Waar was hij gisteren? Hij herinnert zich flarden. Een feestje bij iemand in de tuin. Drank en hapjes. En iemand die aan hem was voorgesteld, waar hij verder had mee zitten praten. Hij weet bijna zeker dat hij in een taxi is gestapt toen hij al goed beschonken was, en overmoedig. Hij had nog zitten grappen en grollen met die jonge kerel op de achterbank, toen ze op weg geweest waren naar één van de meer volkse quartiers.

Langzaam begint het hem te dagen dat die ander zich daar ook ergens moest bevinden. In een andere kamer van dit goedkope hotel wellicht? Misschien zou hij daar kunnen zien hoe laat het was, uitvissen waar hij zich precies bevindt en hoe ze hier weg kunnen geraken. Fluks staat hij op, maar het wordt hem zwart voor de ogen en zijn benen lijken wel van papier-maché. Hij zakt terug op het bed, voelt zich misselijk. Er hangt een hardnekkige nevel in zijn hoofd die hem belet na te denken. Er schieten hem beelden te binnen die iets over de afgelopen nacht zouden kunnen vertellen, maar even goed kunnen het restanten zijn van levendige dromen.

Traag en voorzichtig waagt hij het een tweede keer op te staan, hij schuifelt naar de deur. Hij komt uit op een binnenpleintje met in het midden iets dat ooit een fontein was. Hij ziet een stuk of 8 deuren, die allemaal even stom staan te blinken in het zonlicht. Hij knippert met zijn ogen, houdt voor de zekerheid nog even de klink in zijn hand. Wat moet hij doen? Op alle deuren kloppen? Roepen? Hij wil hier weg, en wel zo snel mogelijk.

Plots merkt hij dat de deur van de kamer naast de zijn op een kier staat. Hij duwt ze open en ziet Wesley (ja zijn naam was Wesley, dat schiet hem nu te binnen) verkrampt liggen op het bed. Zijn huid is grauw en er hangt opgedroogde kots op zijn kin. Oh, God, laat het niet waar zijn, flitst het door het hoofd van Jean-François. Hij kon zich nog net omdraaien voor hij door zijn knieën zakte en bittere, groene gal op gaf.

– Qu’est-ce que c’est que ça?

Een schelle vrouwenstem riep hem ter verantwoording. De madame van het etablissement wellicht en Jean-François wees versuft naar de kamer waar Wesley lag. Kordaat zwaaide de matrone de deur open en stapte de kamer binnen.

– Oh, mon Dieu. Merde alors. Mais qu’avez vous faits ce matin? Il est mort, tu sais, ton copain.

– Je ne sais plus, mompelde Jean-François.

In het spektakel dat onvermijdelijk volgde kreeg Jean-François een hoofdrol toebedeeld. Nadat de vrouw eerst nog had geprobeerd om hem geld af te troggelen (wat hij niet of niet meer had) had ze vanuit haar kantoor de politie verwittigd. Die hadden rustig hun tijd genomen om af te komen, maar tegen die tijd had zich al een hele opgewonden menigte voor het hotelletje verzameld. Iedereen wilde een foto van de dode blanke man, en in ruil voor een paar centen in de hand van de uitbaatster mocht dat ook. Een paar ervan zouden later nog opduiken in de Belgische pers, of wat had je gedacht.

Uiteindelijk werd Jean-François voor ondervraging afgevoerd naar het politiekantoor waar hij vroeg om de Belgische ambassade te mogen bellen. Hij probeerde de situatie uit te leggen aan de culturele attaché die een vage kennis van hem was en die hij zonder veel moeite aan de lijn had gekregen.

– ‘Jean-François, je weet dat er niet veel is dat ik kan doen op dit moment. Ik zal eens rondbellen voor een advocaat en die zo snel mogelijk naar daar sturen’.

– ‘Ik weet het, maar godverdomme, ik hoop dat ik er hier niet ingeluisd wordt. Ik heb niets gedaan, ik ben onschuldig’.

– ‘Ja, dat kan allemaal wel zijn, maar je zult er toch nog niet zo gauw van af zijn vrees ik. Een zaak met twee blanken, elke wijkcommissaris van Kinshasha zal zich willen profileren op deze zaak’.

– ‘Typisch.’ Hij lachte droog om de opkomende paniek te verdrijven.

– ‘Zeg, de naam van je vriend? We moeten de familie in België zien te verwittigen en zo’.

– ‘Het was mijn vriend niet. Ik ben gisteren pas tegengekomen op dat feestje. En ik kan mij verder nog altijd niet herinneren wat er is gebeurd. Ik ben moe, ik voel me zo ziek als een hond. Ik wil hier weg’. Hij beet op zijn lip.

– ‘Ik versta het, probeer zo goed mogelijk mee te werken. Ik ga je advocaat je wat geld laten geven, zodat je tenminste kunt zorgen om de omstandigheden daar wat comfortabeler te maken. En ken je nog de voornaam van die jongen?’.

– ‘Wesley. Dat was zijn naam. Wesley De Brabander. Ex-voetballer en al’.

– ‘Jean-François. Ben je zeker? Dé Wesley De Brabander? Want als dat zo is, dan zit je niet tot aan je nek, maar tot over je oren in de stront!’.

– ‘Fuck, wat is dat toch met mijn hoofd? Ja, hij was het, ik heb op dat tuinfeest nog staan lullen over die goal tegen Anderlecht indertijd. Godmiljaar. Ik zweer het, ik heb die gast niet aangeraakt.’

– ‘Ik geloof je, maar dat is nu van geen tel. Ik verwittig direct de ambassadeur. En ik probeer zo vlug mogelijk zelf af te komen. Dit wordt echt een schandaal in België, dat besef je toch?’

Jean-François begon te snikken.

Advertenties

Read Full Post »