Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Film’ Category

Paterson is een film over een dichter. Hij is gedurende de week ook buschauffeur.
Elke dag wordt hij wakker rond kwart over zes. Ten laatste om half zeven.
Zijn mooie vriendin ligt naast hem en ze vertelt over haar droom.
Dat ze een tweeling kreeg of in het Oude Perzië een zilveren olifant zag.

Paterson bedenkt tijdens zijn eenzame ontbijt zijn eerste vers van die dag.
Hij schrijft alles op in een notitieboekje. Een geheim notitieboekje.
Niemand mag het lezen, behalve de kijker.
Daarna vertrekt hij met de bus.

Onderweg luistert hij naar de gesprekken van zijn passagiers.
De mannen scheppen op. De vrouwen rollen met hun ogen.
De anarchisten doen pedant.

’s Avonds keert hij terug naar huis. Hij haalt de post uit de brievenbus.
Zijn vriendin heeft gordijnen gemaakt of deurlijsten geschilderd.
Ze droomt ervan rijk te worden door cupcakes te bakken.
De volgende dag wil ze een gitaar krijgen en een beroemde country-zangeres worden.
Ze heeft heel veel dromen.

Paterson vindt het allemaal best.
Elke avond wandelt hij met de hond een blokje om.
Hij heeft een hekel aan de hond.
De hond heeft een hekel aan hem.

Daarna drinkt hij een pint in steeds dezelfde kroeg.
Het huis is mooi en altijd netjes opgeruimd.

Wat zou er toch kunnen gebeuren?

wp-image-136682864jpg.jpg

Read Full Post »

Nu – bij mij althans – de voetbalgekte over is, was het gisterenavond nog eens tijd voor een schaamteloos intellectueel divertissement. (Zo leef ik, mijzelf voor kortere of langere termijn verliezend in een beweging, een doel, een evenement, een hype. De enige constante is dat het sowieso weer overwaait, vroeg of laat. Het is uiteindelijk slechts een kwestie van tijd voor de dingen mij vervelen.)

Chantal Akerman dus. Ik hoorde voor het eerst over haar op Klara, tijdens het onvolprezen cultuurprogramma Pompidou. Het moet een jaar of 2 à 3 geleden zijn, ze leefde nog. Er was ergens een retrospectieve en iemand op de radio noemde haar toen de grootste Belgische cinéast en ik had er geen idee van wie ze was. Vorig jaar maakte ze een einde aan haar leven en werd ze tot in The New Yorker geprezen voor haar werk. Het moet nogal een sensatie geweest zijn in de jaren ’60 en vroege jaren ’70 toen Akerman op de proppen kwam met films die draaiden rond banaliteit en verveling, het mundane leven van huisvrouwen dat voordien onzichtbaar was. We hebben het dan over het echte leven, niet over het opgeblonken plaatje van jaren ’50 huisvrouwen dat in de reclame werd opgehangen.

Haar achternaam intrigeert me. Geen c of dubbele k na de A, waardoor die dus lang wordt, of dof. In elk geval geen ‘akker’, al zal het uiteindelijk wel op hetzelfde neer komen als je het etymologisch zou bekijken.

Mijn lief keek naar Duitsland tegen Italië, ik zette mijn koptelefoon op en doorbladerde YouTube op zoek naar Jeanne Dielman, maar het werd dus L’Homme à la valise (The Man with the Suitcase). Gedraaid ergens begin jaren ’80, maar (her)uitgegeven door Centre Pompidou in 2004.

Een vrouw – Chantal Akerman zelf? (in elk geval speelt ze de hoofdrol) – keert na 2 maanden terug (van waar of wat?) naar haar appartement om te werken. Behoedzaam probeert ze zich de ruimte weer toe te eigenen, herontdekt ze haar eigen plek. Ze opent ramen, bekijkt of het uitzicht nog hetzelfde is als toen ze het achterliet. Het lawaai van de straat? Dat gaat allemaal goed en wel tot blijkt dat de vriend die ze tijdens haar afwezigheid in haar flat liet logeren er nog altijd is. Wat volgt is een claustrofobisch en neurotisch-obsessief spel waarbij Akerman er niet in slaagt Henri te zeggen dat hij moet vertrekken. Ze verstopt zich bijna in haar eigen appartement en probeert haar bezoeker op alle mogelijke manieren te ontwijken. Meticuleus houdt ze schema’s bij van zijn komen en gaan, wanneer hij opstaat en zijn tanden poetst om haar eigen leven en werken daaraan aan te passen. Het begint met irritatie en het eindigt in complete vijandschap, een soort geweldloze loopgravenoorlog. Om die niet te verliezen durft ze op den duur haar flat niet meer te verlaten, laat ze haar boodschappen aan huis brengen.

Ik snap het wel, de weigering om (creatieve) arbeid te verrichten terwijl er iemand anders in de buurt is. Het vergt een hoge mate van intimiteit omdat je je tijdens het schrijven lijkt bloot te geven, er ligt altijd één of andere vorm van schaamte op de loer. Akerman kan evenmin werken als haar ongewenste gast te lang afwezig is, dan obsedeert ze over zijn terugkomst. Het is ook altijd wat.

De hele film is opgenomen in het appartement, waar we haar via een nauwe gang van de keuken naar haar werkkamer zien sluipen. De enige keren dat er gepraat wordt in de film is tijdens de toevallige ontmoetingen tussen Henri en Akerman. Muziek weerklinkt er nauwelijks, en dan nog alleen als de radio of de televisie op staat (Dogma 95 voor Dogma 95 zeg maar). Het is arty-farty natuurlijk, maar er gaat toch een zekere betovering van uit. De eenzaamheid, de lange, trage shots, de plotse uitbarstingen van absurd/grappige momenten. Ze noemde zichzelf een vrouwelijke Charlie Chaplin, en dat is niet eens zo gek bekeken. Bittere tragedie verzoeten met lichtjes surreële momenten, dat heeft ze in elk geval met hem gemeen.

Soit, Akerman zal nooit een groot publiek vinden. Dat hoeft ook niet.

En zoals de clichés het willen wonnen de Duitsers de match.

chantal1

 

Read Full Post »

De zijlijn.

Geamuseerd sta ik aan de zijlijn. Niet om instructies uit te delen (ben je gek?), wel om te gniffelen met het schouwspel dat zich in de arena afspeelt en me tegelijkertijd te verwonderen over het gedrag van de hordes supporters op de tribunes. De koele kinderen met hun broek vol swag die zich anders nooit buiten wagen zonder de kapmantel van de ironie beschermend om de schouders geslagen laten zich volledig gaan. Nu mag het, nu mag de adrenaline vrijuit stromen en mag de passie eindelijk van de ketting. Het eeuwige schouderophalen (kan het mij wat schelen vraag ik je?) wordt vervangen door gebalde knuistjes in de lucht.

Week na week wordt bijna geruisloos de opdracht van informateur De Wever verlengd. Er wordt wel wat over geschreven, maar echte aandacht vangt het allemaal niet. Misschien moeten we verkiezingen telkens rond een uitbarsting van brood en spelen organiseren, dan zijn we tenminste verlost van politici die zich schwalbegewijs (en dus in de hoop een tegenstander een gele kaart te bezorgen) met veel theater druk maken om niets. Nu het alziende Saurons-oog van de media ander vertier verslaat is er misschien een kans op iets dat op visie lijkt in het beleid te smokkelen. (Ik ben naïef, ik weet het).

Ik ging naar de dokter en weet je wat hij zei? Weet je wat hij zei? Hij zei dat hij het ook niet wist en dat ik rusten moest. En ademen, maar niet te snel. Maar opgewonden ben ik wel. (Vorige week kreeg ik bericht dat een verhaal dat ik instuurde voor de kortverhalenwedstrijd uitgeschreven door de krant ‘Brussel Deze Week’ bij de 8 laureaten zit en dus ergens deze zomer gepubliceerd wordt. Volgende week valt het officiële verdict met een prijsuitreiking en ik hoop dat Marc Didden er zal zijn met wie ik natuurlijk niet op de foto zal durven. Ben je gek? Laat die mens toch met rust, en daarbij: hij heeft wel wat anders te doen).

Omdat ik nog altijd leef alsof ik hier eeuwig zal zijn (ondertussen begint het besef binnen te sluipen dat ik waarschijnlijk al over de helft zit en ik mij dus beter wat zou haasten, maar daar komt vooralsnog niet veel van in huis) loop ik qua literatuur en films bijna een goed decennium achter. Zo komt het dat ik pas enkele weken geleden de in mijn ogen uitstekende prent ‘A Winter’s Bone’ zag. Sterke vertolkingen, zeer sfeervolle fotografie en een goed verhaal. Het is zo’n film waarin veel gezwegen wordt en die deels lijkt opgebouwd uit losse fragmenten waarvan het niet altijd onmiddellijk duidelijk is welke plaats die in het verhaal innemen. Je moet er wel even je hoofd bij houden dus. Ik hou daar wel van, van dat lichtjes dwingende karakter van een film of een boek waarin alles belangrijk is zodat je aandacht volledig wordt opgeëist. De setting van het verhaal deed me denken aan Tartt’s The Little Friend, aka de meest gehate roman van het Westelijk halfrond of zoiets. In tegenstelling tot de rest van de wereld heb ik dat boek jaren geleden wel graag gelezen, en de broeierige sfeer ervan blijft me tot vandaag bij. Er zijn een aantal sleutelscènes die ik me nog altijd haarscherp herinner. Ter vergelijking: een paar weken geleden las ik Barnes ‘A sense of an ending’ en ik moet al diep in mijn geheugen graven wil ik mij nog het verhaal voor de geest halen.

Weet je wat ik ook grappig vond? De zoveelste poging tot vadermoord van Peter Casteels op Joël De Ceulaer. De laatste schreef een boek getiteld ‘Gooi God Niet Weg’ en Casteels schoot in (uit?) zijn atheïstische krammen op zijn blog. Ik Heb Altijd Gelijk is de redelijk pompeuze titel ervan, en als kritische Freudiaan met een hekel postmoderne ironie zal ik Peter natuurlijk nooit geloven als hij mij zal willen overtuigen van het postmoderne ironische gehalte van dat label. In zijn boek probeert De Ceulaer te doorgronden waarom pakweg 3/4de van de wereldbevolking nood heeft aan een godsbeeld. Casteels’ steen des aanstoots is de manier waarop De Ceulaer geen heil ziet in kunst als manier om de mensheid naar een hoger kennisniveau te tillen. Om het ongelijk van Joël te bewijzen komt Peter aandraven met het feit dat hij van een reeks als The Wire veel geleerd heeft over het drugsmilieu van Baltimore en de  werking van de politie aldaar. Jaja, dat is natuurlijk wereldse kennis waar een jonge kerel uit wat is het? Antwerpen? iets aan heeft. Voor wie kennis op wil doen over het misdaadmilieu in Halle en omstreken kan ik kunst aanraden in de vorm van Witse, en van Hubert Damen kunnen we collectief leren wat politiecommisarissen op leeftijd drijft.

Moeha.

Read Full Post »

Gisteren onder een slecht gesternte dan toch maar naar het tweede deel van Nymphomaniac gaan kijken. Nieuwsgierigheid, daar is de kat aan doodgegaan. In zaal 5 van – jawel – de Studio Skoop ging de nymfomane haar vierde week in, en het volk stroomde massaal toe om dat te bekijken. Beetje jammer wel dat zaal 5 hoop en al plaats biedt aan pakweg 50 man/vrouw, dus het werd een beetje schuiven en verschuiven om niet met je neus op het scherm te zitten.

Maar goed. Na afloop zei mijn lief dat het De Wereld van Sofie was, maar dan voor seksverslaafden. Charlotte Gainsbourg in de huid van emotioneel kille vrouw die niet in staat is enige band met de wereld aan te gaan. Functioneert niet op het werk. Brengt haar kind in gevaar, laat uiteindelijk haar gezin in de steek. Masturbeert obsessief tot bloedens toe. Maar het is de maatschappij die ‘hypocriet’ is.

Von Trier stapelt de clichés op: de zwaar geschapen zwarte man. Een rant over hoe ‘de maatschappij’ diegenen die het goed kunnen zeggen maar slecht menen aanbidden en omgekeerd. Het is moeilijk om daar niet een verongelijkte verwijzing in te zien naar Von Triers rampzalige passage op Cannes van enkele jaren geleden. Afsluiten met een ontknoping die voor niemand onverwacht is.

Op het einde een rant over de dubbele standaarden waaraan vrouwen en mannen worden afgemeten. Jaja, we weten het wel, maar het extreme voorbeeld dat in de film wordt opgevoerd is niet echt een geloofwaardig rolmodel om om die realiteit aan te klagen.

Het zal wel aan mij liggen, maar ik word enigszins moedeloos van die mooi verpakte gebakken lucht. Dan nog liever het waarlijk hersenloze entertainment van een gemiddelde Hollywoodflick, dan dit gezwets waarmee men onder een bepaald slag intellektuelen wel zal scoren. Het soort mensen dat op Instagram enkel in beeld komt met de juiste boeken opengeslagen en incheckt in de juiste restaurants. Het soort mensen dat de minder hippe medemens wel mee wil op reis om de kosten te delen, maar achteraf zorgvuldig een fotoalbum samenstelt zonder de minder modieuze derde in beeld.

Op zondag luister ik ’s avonds tussen zes en acht naar Opus 14-18 op Klara. (Ach, meerwaardezoeker, laat vallen toch het hinkelspel der itempjes waarmee men tegenwoordig op Radio1 om de oren wordt geslagen, en laaf u aan de podcasts van Klara of France Culture of France Inter). In dat Opus wordt u gedurende 2 uren meegevoerd richting Groote Oorlog, zonder de vervuiling die human interest heet. Neen, op Klara wordt nog onbeschaamd aan volksverheffing gedaan, al mag het waarschijnlijk per decreet niet meer zo genoemd worden. Een stuk over ‘Treurend Ouderpaar’, het beeldhouwwerk van Käthe Kollwitz dat het kerkhof in Vladslo siert. Historica Sophie De Schaepdrijver nuanceert het beeld van de pacifistische kunstenares en haar protest tegen de oorlog. Volgens haar is het beeld een ode aan de opoffering van haar zoon en tegelijkertijd aan de ongeveer 65 miljoen jonge mannen die sneuvelden toen. Dan Rudyard Kipling wiens zoon ook viel, daar ergens in de Vlaamse polders. Volgens M. werd vorig jaar nog zijn stoffelijk overschot ergens gevonden. ‘Ze halen er daar elk jaar nog ik weet niet hoeveel skeletten boven’, zegt hij. Ik krijg een visioen van een boer die bieten oogst die groeien uit de buiken van gevallen soldaten, van aarde die gevet wordt door hun bloed en opengereten ingewanden.

Ik doe die opoffering gauw af als zinloos, wreed, overbodig. Niet meer van deze tijd, gelukkig maar. Vandaag staat Kiev in brand en geven jonge mensen hun leven voor grote woorden als Vrijheid en Democratie. Ik lach met mezelf als ik me realiseer hoe onconsequent dit denken is.

Read Full Post »

In het kader van het project ‘bezoek af en toe eens een cinema’ trokken mijn lief en ik gisterenavond naar de Studio Skoop. Het was de eerste keer in lange tijd dat die brave man zich niet in een Kinepoliscomplex bevond, want de verwondering over de infrastructuur en de organisatie was groot. En het klopt inderdaad wel dat daar de tijd is blijven stil staan, maar 1.000 keer liever de charme van de Studio Skoop dan de gladde en ijskoude Kinepolismachine waar je je toch altijd een beetje een lam voelt op weg naar de consumentenslachtbank. Sinds mijn studententijd is er aan het concept van de Studio Skoop niets tot weinig veranderd, behalve dan misschien dat je in het cafe niet meer mag roken. De rest is hetzelfde gebleven: het gezellige café, het voorhistorische hokje waar de kassajuffrouw of mijnheer in gaat zitten een half uurtje voor de voorstelling en de toegangsticketjes die ouderwets van het rollint worden afgescheurd. ‘Het is net alsof ik me in de jaren ’80 in de cinema van Ieper bevind’, gniffelde mijn gezelschap.

Maar goed Nymphomaniac dus. Ook 12 Years a Slave was even in de running geweest die avond, maar we voelden er beiden niet veel voor om de rest van de avond met bedrukt gemoed tegenover elkaar op een stoel te zitten, dus kozen we maar voor de laatste Von Trier. De film begon, en toen op het zilveren scherm in koeien van letters NYMPHOMANIAC verscheen klonk in de rij achter ons een paniekerige vrouwenstem: ‘Dat is hier toch voor Philomena hé?’. Niet dus.

Dat Von Trier een geweldige estheet is, bewijst hij direct al in het openingsshot: eerst enkel het geluid van de vallende regen, daarna inzoomend op volle dakgoten en andere details tot je op de grond van een onbestemde steeg een beweegloze lichaam van een vrouw ziet liggen. Bruintinten vormen de hoofdmoot van het kleurenpalet. Geen detail ontsnapt aan het alziende Von Trier oog: van kledij en kapsel van de hoofdrolspeelster tot de theepot in haar appartement; alles is doordacht op elkaar afgestemd. Het gehavende gezicht van Charlotte Gainsbourg is schaamteloos lelijk en schreeuwt ‘doorleefde authenticiteit’ zoals je nog maar weinig ziet in doorsnee films en series waar alles gericht is op verbloemen en uitvlakken. Nu ja, het is geen geheim dat Von Trier lef en overgave vraagt van zijn acteurs en daarvoor is hij bij Gainsbourg aan het juiste adres. Langs de andere kant moet er wel iemand vertellen aan Lars dat zijn tussenshots van de Horsehead Nebula ondertussen gezien en gekend zijn.

Verhaal en thema van de film dan. Ik verklap natuurlijk niets als ik zeg dat de titel van de film de lading probeert te dekken: een onverzadigbare seksbeluste vrouw vertelt over haar leven en de talloze mannen waar ze mee geneukt heeft. Alleen valt het – in dit eerste deel althans – reuze mee met die seksbelustheid. Niet dat er niet genoeg van bil gegaan wordt, alleen is het een danig zielloze bedoening waar de vrouw in kwestie bijzonder weinig plezier aan lijkt te beleven.  Joe laat zich berijden en blijft zelf passief, af en toe wordt een orgasme gesuggereerd. Het is haar – zo vertelt ze – vooral te doen om de pussy power die ze ontdekt als 15-jarige. Eens lief glimlachen, knipperen met de ogen en de mannen vallen bij bosjes in katzwijm. Of je troont ze in elk geval vlug mee naar de eerste de beste WC waar ze hun piemel in een soort levende lappenpop kunnen duwen tot ze klaarkomen. Wat ze dan blijkbaar ook zonder uitzondering doen.

Het soort beeld dat Von Trier hier ophangt is niet dat van bevrijdende seks om de seks waar beide partijen volop van genieten. Het is problematische seks, om een emotionele leegte te vullen of om een trauma te vergeten. Verveling te verdrijven en te verhinderen dat men wezenlijke vriendschapsbanden aangaat. Het is seks die er paradoxaal genoeg op  gericht is om elke vorm van intimiteit te ontwijken. In die zin is het eerste deel van Nymphomaniac een soort waarschuwing tegen seks.

De enige uitzondering op de regel is – surprise, surprise – seks met het geheime ingrediënt liefde. Casanova wist ons dat al te vertellen en die haalde de boter ongetwijfeld bij de Oude Grieken, dus onder deze zon niets nieuw.

Is Nymphomaniac I een goede film? Wel als je je kunt laten beroeren door de fotografie en scenografie en als je ontvankelijk bent voor de manier waarop Von Trier zeer subtiel een trauma suggereert dat zich wellicht in de familiesfeer afspeelt. IJzersterke scène ook die zich in het ziekenhuis afspeelt, één van de enige keren dat de film mij echt wist te raken met ongenadige rauwheid. Daar zie je Von Trier op zijn toppunt.

Maar voorlopig heb ik hetzelfde gevoel bij Nymphomaniac I als bij het lezen indertijd van La Vie Sexuelle de Cathérine M. : hoeveel talent moet je eigenlijk hebben om seks zo saai te kunnen maken? Laat u niet misleiden door het prentje hieronder: de poster is spannender dan de film.

Read Full Post »

De eerste keer dat ik een film zag van Quentin Tarantino, werd ik slecht. Het moet juli 1992 geweest zijn, en ik had mijn eerste academiejaar er op zitten. Eerste kandidatuur geschiedenis, 13 vakken. Voor 3 ervan was ik er door. Voor 1 vak (oefeningen Latijn & Grieks) had ik met moeite examen mogen afleggen omdat ik geen werkjes had afgegeven tijdens het jaar. Ik had geprobeerd om van onder mijn tweede zit uit te komen, maar daar hadden ze thuis geen oren naar.

Mijn geheugen bedriegt me, de feiten zijn van roestvrij staal. Mijn herinneringen vervormen het verleden, laten stemmingen en jaren en gebeurtenissen in elkaar over lopen.

Het is zomer, en warm. Een laatavondvertoning op zaterdag, een barstensvolle zaal. Ik in het gezelschap van mijn lief en de man die ik tegenwoordig af en toe zie opduiken in Ter Zake. Professioneel verontwaardigd, hamerend op de cijfers die het failliet van het grootkapitaal moeten bewijzen. Op het scherm ligt een man de hele film lang dood te bloeden op de tonen van muziek uit de jaren 70.

Wij drie brengen onze nachten door in het café van De Vooruit of in De Hemel. Ik bestel een rondje aan de bar en laat een pint tegen de grond kletteren. Ik ben dronken en kijk schaapachtig naar de barman, die me zonder veel plichtplegingen een nieuwe pint tapt die hij me niet aanrekent. (Misschien is dit niet gebeurd en heeft mijn brein deze gebeurtenis geconstrueerd, samengesteld uit stukjes andere dingen die er ooit wel waren).

Na de film. We waggelen als schapen mee, volgen het traject door hoekige gangen dat naar buiten leidt. Zaterdagavond (nog steeds) en de vrolijkheid heerst. Mensen hebben de film al van zich afgeschud nog voor de aftiteling ten einde liep. Wij houden onze bek. Ik ben lichtjes misselijk. Op café zullen mijn lief en zijn maat zich aan een marxistische analyse van de film wagen. Ik zal luisteren met de gretigheid van een jonge novice. Het marxisme veroordeelt het gebruik van het gratuite geweld en het ontbreken van enig klassenbewustzijn in de film. Het is ook altijd hetzelfde.

 

Read Full Post »

The Loneliness of the Long Distance Runner is zo’n titel waar romantische zielen zoals ikzelf zich van alles bij voorstellen. (In dezelfde categorie ook ‘Al te luide eenzaamheid’ van Hrabal, maar dat is dan weer een volledig ander verhaal).

Het boek heb ik eigenlijk nog niet gelezen, maar ik herinner mij flarden van de film, en mijn vader die ik om uitleg vroeg. Het is een rare speling van het lot dat ik mij uit mijn vroege jeugdjaren op zijn minst 2 loopfilms herinner: voornoemde Loneliness of the Long Distance Runner en Chariots of Fire. Van allebei staan me aangrijpende scènes bij in zwart/wit. Voor jullie is dat misschien een banaal gegeven, voor mij is het dat net iets minder. Ik geloof dat ik al in het vijfde of zesde leerjaar zat toen er bij ons voor de eerste maal een televisietoestel binnenkwam. Waarschijnlijk gekregen, en het kwam er op aan om het geruis en de sneeuw van de échte beelden te onderscheiden. De enige zenders BRT1 en BRT2.

Ik heb op dat toestel afleveringen gezien van Oshin en ik heb mijn moeder de oren van de kop gezaagd om op een zondagnamiddag te mogen kijken naar een verfilming van het jeugdboek De Spoorwegkinderen dat ik toen erg graag had gelezen.

The Loneliness of the Long Distance Runner is een typisch Angry Young Men verhaal.  Een jonge kerel, lower class die op het slechte pad raakt. In de jeugdgevangenis begint hij te lopen om zijn eenzaamheid en zijn frustraties kwijt te raken. Zijn talent zou hem een enkeltje richting vrijheid kunnen opleveren, maar hij kiest ervoor een dikke middenvinger op te steken richting establishment.

Van Chariots of Fire herinner me de heroïek en mijn vader die daar sentimenteel op reageerde. Dat van dat overdreven emotioneel reageren is niet helemaal atypisch, het zit een beetje in onze familie vrees ik.

Het blijft intrigerend, die fascinatie voor mensen die op hun eentje een uur of langer lopen. Die afstanden afleggen, lopend, waar anderen voor op de fiets of in de auto springen. Ik hou ervan, van die zelfgekozen eenzaamheid. Ik heb het eigenlijk altijd graag gedaan, dat lopen op je eentje. Als prille tiener heb ik een paar jaar aan atletiek gedaan, duurlopen stonden regelmatig op programma. Op zondagmorgen een uur lopen in een vochtig bos. Je moet het gedaan hebben om er charme van te kunnen proeven.

Deze week heb ik het, in voorbereiding van deelname aan de stadsloop van volgende week zondag, nog eens geprobeerd. Ik wilde er zeker van zijn dat ik 10 kilometer zou kunnen lopen. Ik heb er uiteindelijk één uur en 17 minuten over gedaan. Ik weet wel dat dat betekent dat ik op dit moment nog een gemiddelde snelheid haal van iets meer dan 8 kilometer per uur, wijsneuzen, maar snelheid is op dit moment het minste van mijn zorgen.

Eigenlijk komt het er voor elke duurloop op neer dat je doorheen de eerste 15 minuten moet worstelen. Er komt in dat eerste deel altijd een moment waarop je denkt dat je het niet zult halen, dat je je voeten met moeite van de grond geheven krijgt. Dat gaat over. En dan wordt het heerlijk. Het lijkt alsof je lichaam zich in een natuurlijk, oeroud ritme bevindt waar het thuis hoort. Je ademt in, je ademt uit. Je zweeft tussen twee passen in en je zou zweren dat je een hinde was.

Read Full Post »

Older Posts »