Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2014

Schluss damit!

I.

Zo. De deur die waarvan jij dacht dat ze wagenwijd openstond maar die ik hoogstens op een kier liet staan is niet enkel dichtgeslagen. Ze is op slot en ook vergrendeld. Ik doe het kettingkje er ook maar op.

Het doek is eindelijk gevallen over dit onnozele schouwspel waarin ik ook maar mijn tekst aflas. De klucht waarin jij pretendeerde dat ik jou zaken verschuldigd was: geduld, begrip, tijd, een luisterend oor, nabijheid, goede raad, iets dat jij als vriendschap omschreef (zoals je 4 losse eieren, een hoopje bloem, een bergje suiker en een klont boter ook als een cake zou kunnen beschouwen). Dat je mijn onwil en gebrek aan wederkerigheid niet zag of negeerde of niet begreep zegt ook al veel.  Jij was degene die je hand ophield en waarin ik (of iemand anders) in kon laten vallen: geduld, begrip, tijd, een luisterend oor, nabijheid, goede raad, iets dat jij als vriendschap omschreef. (Je deed alsof het andersom was).

Jij deed alsof je iets te bieden had: een handvol losse schroeven, wolken van melk, een afspraakje nabij het hondentoilet, een gemiste trein, een fiets zonder ketting, een binnenstebuiten gekeerde paraplu, een spannend boek waaruit het laatste hoofdstuk mist, een deurwaardersbezoek, een taartje zonder kersen, een natgeregende laatste sigaret, spijkers op laag water, een broekzak met een gat er in, een sleutel die niet past of afbreekt in het slot, een schot voor de boeg, je lievelingsrestaurant dat onverwachts gesloten is, wijn die smaakt naar kurk, diesel in plaats van super, een lege doos met een strik er om, vochtplekken in de muur, een dood wit konijntje, een doodgeboren kind, een halve zeester, een nacht zonder maan, een dag die slecht begint, een gebroken arm, een lamme vleugel, een rot ei dat stinkt als de pest, een verdronken matroos, dagenlang windstilte tijdens een zeilvakantie, een CD in de verkeerde hoes. werken op zondag en afbrekende veters.

Jij dacht dat ik zat te wachten op jouw aandacht. Ik deed alsof ik niet wist wat het onophoudelijk vragen of ik wel gelukkig was eigenlijk betekende. Na lang denken kwam je tot de conclusie dat hij geld had, alsof dat jouw zaken waren. En ook om te illustreren dat jij heus wel weet hoe de wereld draait. Ik diende mij te verheugen in en mij vereerd te voelen met jouw obsessieve volgen van alles wat ik deed en doe, de dingen die ik schrijf, de zaken die ik vind, de gedachten die ik denk, de haren die ik knip, de kleren die ik draag, de zalfjes die ik smeer, het uur waarop ik ga slapen. Elk gesprek dat je voert is een wedstrijd, een afvallingskoers of een arena die je zegezeker betreedt. Elke zin die je uitspreekt een zekerheid in steen gehouwen waarmee je de ander uit voorzorg eerst mee op de bek slaat.

Ik vroeg jou nooit ergens om, maar dat viel je nooit eens op.

 

II.

Je weet het natuurlijk niet, maar heerlijk is het.

Weet je nog, elke keer hoe je elke keer jij ‘iets deed voor mij’? Zitten op een terras. Een bezoek aan de bioscoop. Flaneren in de stad. In jouw vergiftigde genade mocht ik heel even bestaan. Zolang ik maar wist welke offers jij bracht. Je beloonde jezelf met een affaire (of twee) en liet mijn angsten woekeren als bruidssluier tijdens een vochtig voorjaar.

Nu nog altijd doe je alsof ik jou iets aandeed, terwijl ik ook maar gewoon verdween zoals je leek te willen toen. Omdat ik mezelf uitgomde en jij niet meer heerste werd je woede gewekt. Zo lijkt het alsof je nog altijd iets over hebt, met je handen houd je zoutzuur vast zodat je kunt klagen dat het brandt.

Advertenties

Read Full Post »

Sinds kort betrek ik een appartement boven een drukbezochte wasserette tussen een aantal hoge flatgebouwen. Vergaarbakken van miserie die men gemakshalve sociale woningen noemt. De meeste mensen in de buurt wonen te klein om plaats te hebben voor een wasmachine of een droogkast, of ze kunnen het zich simpelweg niet permitteren. In mijn appartement is de aansluiting voor een wasmachine onbereikbaar gemaakt, zodat ook ik verplicht ben mijn was uit te besteden aan het wassalon. Mijn huisbaas en de eigenaar van het wassalon zijn geheel en al toevallig dezelfde persoon, maar verder valt daar geen kwaad opzet in te bevroeden.

Boven het gele plakkaat waar in koeien van blauwe letters ‘DROGEN’ op staat woon ik nu. Gisteren moest ik van een vriend kijken naar de clip van Envoie, het gedicht van Hugo Claus dat op muziek werd gezet door Absynthe Minded (en waarvan kwatongen beweren dat de intro van het nummer gepikt is van Bob Dylan. Het antwoord daarop is natuurlijk dat ongeveer alles gepikt is van Bob Dylan. Of van de Beatles, ik wil er vanaf zijn). Tijdens één van zijn verre reizen probeerde hij de heimwee te temperen door in internetcafés dit nummer te bekijken op YouTube. ‘Mijn’ wassalon speelt een rol in die clip, zij het dan met knaloranje wasmachines, die ondertussen vervangen zijn door saaie aluminiumkleurige exemplaren.

Op zondagmorgen zie ik vanuit mijn raam een gele auto stoppen, zo’n nieuw model mini Cooper waar niet veel mini meer aan is. Op de zijkant staat in zwarte letters ‘TAXI WILLY’, daaronder een GSM-nummer. Een aandoenlijk parodietje op de beroemde yellow cabs uit de Verenigde Staten vind ik het, een mengeling van grootheidswaanzin en een Vlaamse kruideniersmentaliteit. Ik vraag me ook af wie nu in hemelsnaam zijn was komt doen met een taxi? Wat een absurde tegenstelling is dat niet?

Een bejaarde vrouw stapt uit, met haar van de kapper en zondagse make up. Een smaakvolle, bruin geruite deux-pièce en oudemevrouwen schoenen, een bril met een fijn, goudkleurig montuur. Dan hijst de chauffeur (Willy in eigen persoon?) zich uit de auto, zoals enkel net iets te zware mensen dat kunnen. Een kleine schommelbeweging die wordt ingezet, een rukje aan het stuur en hop, zo verlossen ze zichzelf uit de bestuurderszetel. In tegenstelling tot de deftige dame ziet de chauffeur er maar sjofel uit. Slordig grijzend haar, een vale anorak en een vuile broek. Het is alleszins Driving Miss Daisy niet. Uit de kofferbak haalt de man twee winkeltrolleys met daarin vuil wasgoed. (De trolleys doen me altijd denken aan mijn grootmoeder, omdat zij ook met zo’n ding achter zich aan elke week naar de markt ging. Mijn zussen en ik maakten er ruzie over en we onderhandelden over wie in het heengaan en het terugkomen de trolley mocht trekken).

Ondertussen helpt de chique dame op leeftijd haar man uit de wagen. Ze zijn op elkaar ingespeeld, merk je aan hun bewegingen. Terwijl hij leunend op zijn stok uitblaast (ik puf onbewust mee en word zowaar kortademig), rekent zijn vrouw af. Met een vastberaden beweging neemt ze beide trolleys vast en zet koers naar het wassalon. Haar man schuifelt haar achterna, en ik vraag me af waarom ze hem in hemelsnaam heeft meegenomen. Misschien kan ze hem niet alleen thuis laten. Misschien houden ze vast aan decorum.

De taxichauffeur bergt het geld op in zijn portefeuille die in de binnenzak van de anorak verdwijnt. Daarna steekt hij de parking over om ongegeneerd in de struiken te gaan plassen.

Read Full Post »

Slenteren.

Op mijn vaste slenterweg langs de online edities van de Belgische dagbladen en tijdschriften stoot ik in het tabblad ‘Boeken’ bij Knack op een bespreking van een essaybundel over lezen en schrijven, schrijven en lezen van Christiaan Weijts. Voor de goede orde: de bundel is van Weijts, de bespreking van Maarten Dessing.

Dit heerlijke citaat trekt mijn aandacht: “Op zoek naar een hotelkamer in Rome, zo schrijft hij, ontdekt hij dat je online nergens op kunt vertrouwen. Niet op de beschrijvingen van een riant ontbijtbuffet of de charmante, authentieke wijk. En niet op de onafhankelijke beoordelingen van eerdere bezoekers, die kunnen zijn geschreven door de hotelier zelf. Conclusie: ‘Ik leg mij erbij neer en accepteer dat reizen weer het ongewisse avontuur is dat het was in de tijd van Goethe’, besluit hij vergenoegd.”

Nu ja, niet dat het citaat op zich zo heerlijk is, maar wel de gedachte. Hoe Weijts onze controle en efficiëntiecultuur onderuit haalt. Reizen is niet langer doelloos meanderen door onbekende steden en landschappen of je laten verrassen door onverwachte ontmoetingen, smaken, geuren en ervaringen. Strak gepland en met de nodige kaarten en routes gedownload op onze slimme devices stevenen we tijdens citytrips recht op ons doel af, als een bende lemmingen die zich van de rotsen stort (ja, ik weet ondertussen dat dat van die lemmingen een mythe is, maar het is een mooi beeld). Op vakantie hebben we geen tijd te verliezen, elke seconde is een investering waarop een return moet behaald worden. Elke afwijking van de planning zorgt ervoor dat de vooropgestelde doelen onder druk komen te staan.

(Ooit liep ik tijdens een zomervakantie met het gezin rond in Triëste, op zoek naar het grootste plein dat langs 1 kant begrensd wordt door de Adriatische Zee. Het was heet, en in mijn kielzog slenterden drie onwillige kinderen en ook nog een onwillige man mee. Aan hun geslof achter mij kon ik horen dat ze zich afvroegen hoe ver het nog zou zijn en of we nog op tijd terug op de camping zouden zijn om te zwemmen. Ik vond het plein, voornamelijk op gevoel, alhoewel mijn humeur toen al naar gelijke diepte was gezakt als het enthousiasme van mijn gezelschap. Op het plein was niemand, en na 2 minuten ronddrentelen sommeerde ik iedereen terug naar de auto).

We racen wat af, op onze reizen. Met een Lonely Planet onder de arm wanen we ons even geen toerist. We zijn ervaren, arrogant, doeltreffend en voelen ons te goed voor de plekken die iedereen aandoet. Wij laten ons het geld niet uit onze zakken kloppen door de plaatselijke middenstand. We eisen waar voor ons geld. We zijn verzekerd, ingesmeerd, dragen de juiste schoenen en een hoed tegen zonnebrand. We sleuren een halve apotheek aan pillen, zalfjes en pleisters mee in onze beveiligde lichtgewicht rugzak.

Wij durven niet langer onbevangen zijn, we stappen geen restaurant of hotel meer binnen zonder dertig aanbevelingen te checken op het internet. We durven ons niet langer te laten teleurstellen en slijten dus platgetreden paden dieper in. Alles wat we doen moet voer zijn voor een juichbericht, een foto of een statusupdate. We zijn hoofdrolspeler, regisseur en producent van onze eigen Trumanshow.

Dit alles lijkt in tegenstelling tot wat Weijts zegt, maar dat is het niet. Hij weet dat de essentie van reizen is het ongewisse te omarmen. Onze ervaringen te laten inzinken in plaats van ze direct aan de wereld te presenteren op een gouden dienblad. Zelf te reflecteren in plaats van ons tentoon te spreiden en onze indrukken te laten verstoren door likes en favorites. Of erger: te reizen en te leven in functie van likes en favorites, als volleerde marketers.

Reizen als in de tijd van Goethe, toen de tijden trager waren en de mensen zonder veel haast op straat flaneerden. Toen we nog niet leden aan de illusie dat alles efficiënt moest zijn.

(Ik herinner me een autorit in Griekenland, die ik eerder hier beschreef).

Read Full Post »

(Dit is een kortverhaal in wording. Lees anders ook: De acteur). 

– Schatje, wie was dat aan de telefoon?

Hij ligt in de zetel, de afstandsbediening naar het scherm gericht als een pistool. Driftig drukt hij op de volumeknop.

– Godverdomme, dat spel reageert hier niet. Hoeveel keer heb ik eigenlijk al gezegd dat hier nieuwe batterijen in moeten eigenlijk?

– Geen enkele keer, denkt ze bij zichzelf, maar ze herkent de irritatie in zijn stem en houdt daarover maar haar mond. ‘Het was Katty’.

– Katty? Waar heb je het over, vrouwmens? Heftig schudt hij het bakje heen en weer en probeert zo het laatste sprankeltje energie uit de oude batterijen te puren.

– Ewel, Katty. Aan de telefoon.

Hij duwt op de pauzeknop, en plots is het stil in de kamer.

– Katty, van mijn werk, verduidelijkt ze als ze zijn lege blik ziet. Vast het resultaat van die 2 gin & tonics als aperitief, 3 pintjes bij het eten en nu stevig aan de rode wijn bij wijze van dessert. De ziel van Bacchus, zo noemt hij het. De kortste weg naar broodnodige inspiratie en verlichting, een barrière tussen zijn gevoelige natuur en de rest van de wereld.

– Wat moest ze? Kan die ons nu nooit eens met rust laten? Het was net zo gezellig.

– Vind je? Ze slikt haar woorden nog net op tijd in. ‘Ze wil dat ik kom werken. Het autosalon begint en er is een meisje ziek gevallen.’

 

Melissa had Marcel leren kennen toen ze als hostess bijkluste. Tijdens de ‘Nacht van de Poëzie’ van twee jaar geleden had hij een performance als rock’n’roll poëet ten beste had gegeven. Hij debiteerde provocatieve teksten in het Engels, Nederlands en Antwerps terwijl op de achtergrond doffe beats dreunden. Het publiek werd misselijk door het flitsen van stroboscopen en Marcel klom roekeloos op de opgestapelde versterkers en stage-divede tot verbijstering van het publiek. De gemiddelde bezoeker was meer gewoon aan gezapige mannen die zenuwachtig hun verzen van hun blaadjes aflazen en al naar gelang hun persoonlijkheid dankbaar, eerder verlegen en een enkele keer bijzonder zelfgenoegzaam het lauwe applaus in ontvangst namen.

Tegen de ochtend aan bemande Melissa met pijnlijke voeten de vestiaire. Ze glimlachte vermoeid elke keer zo’n dronken culturo haar naar haar telefoonnummer vroeg. Marcel, overmoedig door de mix van adrenaline en alcohol die nog door zijn aderen gierde was de zoveelste die het meende te moeten proberen. Maar in plaats van haar complimentjes en kushandjes toe te werpen, pakte hij het anders aan.

Een beetje onvast tastte hij zijn zakken af naar het plaatje met daarop het nummer van de kapstok waaraan zijn jas hing. In plaats daarvan vond hij zijn sigaretten en stak er een achter zijn oor. Daarna vroeg hij met een breed armgebaar: ‘Heb je mij gezien daarbinnen? Ik was nogal een beetje goed hé!’. Hij was de eerste die haar aan het lachen maakte en ze had zijn optreden ook wel goed gevonden.

– Ik was bang dat je je pijn had gedaan toen je in het publiek sprong. Allez, zo hoog!

De rest van de optredens had ze vooral flauw gewauwel gevonden, waarvan ze de helft niet eens begreep. Wat Marcel deed, dat was tenminste spannend geweest, al wist ze niet goed wat denken toen hij halverwege een paar minutenlang keihard STOMME KUT door de microfoon had getierd. Hij had echt boos geleken.

Ze haalde zijn jas van de kapstok toen hij na een kwartier sukkelen en zoeken toch zijn plakkaatje opdiepte uit zijn broekzak. Marcel bleef aan de vestiaire met haar praten. Vooral over zichzelf, maar dat bespaarde haar de moeite om veel tekst en uitleg te moeten geven over wie ze was. Bovendien had ze door zijn aanwezigheid geen last meer van andere mannen die haar wilden versieren.

Om zes uur ’s morgens zat haar shift er op. Alsof het vanzelf sprak hielp Marcel Melissa in haar jas en wandelde met haar mee. In de twintig minuten die de wandeling duurde zweeg hij bijna geen moment. Hij stelde, als een kleuter van vier, duizendeneen vragen.

– Wil jij kinderen?, vroeg hij.

– Wat is dat nu voor een rare vraag?, antwoordde ze.

– Een rare vraag, een rare vraag? Niets geen rare vraag, jij geeft een raar antwoord.

– Ok, ja, de vraag is misschien niet raar. Alleen is het een raar moment om zo’n vragen te stellen vind ik. We kennen elkaar niet eens!

– En dan? Je moet over zo’n dingen nadenken! Ik wil veel kinderen, zei hij stellig. Een stuk of vier, zeker. Liefst met een rijke vrouw, die veel gaat werken. Zo’n echte carrièrejaagster die veel op zakenreis moet. Dan blijf ik thuis om voor de kinderen te zorgen. Als ze naar school zijn dan schrijf ik magistrale romans, en na schooltijd ga ik met ze naar de speeltuin en speel ik voetbal met hen op straat. Ook met de meisjes. Meisjes die voetballen zijn cool, zo besloot hij dromerig.

Melissa moest een beetje lachen. Zijn naïeve denkbeelden vond ze schattig. Onjuist en daarom volkomen onbruikbaar, maar wel schattig.

– Je moet mij niet uitlachen! Zei hij semiverontwaardigd. ‘Ik meen het hoor’.

– Ik lach je helemaal niet uit. En ik geloof je wel hoor, voegde ze er snel aan toe.

– Als ik niet snel een vrouw vind, beland ik misschien in de gevangenis, zuchtte hij.

Daarop wist Melissa al helemaal niet wat zeggen. Uit de warrige uitleg die volgde kon ze opmaken dat hij zich een verblijf in de gevangenis beschouwde als een soort romantische retraite uit de maatschappij die hem tijd zou bieden om te schrijven en performances voor te bereiden.

Ze schreef het maar toe aan de drank en de euforie. Zattemanspraat.

– Hier is het, zei ze tenslotte.

– Hier is wat?

– Mijn huis natuurlijk, slimmeke!

– Natuurlijk, zei hij. Natuurlijk, natuurlijk, natuurlijk. Hij maakte een zwierige buiging en plantte op de rug van haar hand een natte kus. ‘Hier laat ik je los, Melissa. Van hieraf moet je gaan!

– Jaja, het is al goed, charmeur. Je moet niet overdrijven. Geraak jij wel goed thuis?

– Ah, thuis. Thuis staat er vanavond ook nog. En morgen trouwens ook. Weet je wat? Ga jij maar lekker slapen. Ik ga wat dwalen door de stad, en als je wakker wordt dan sta ik voor je deur met iets lekkers.

Daags na het optreden lieten critici zich in weekbladen en op weblogs lovend uit over het optreden van Marcel. Ze hadden het over ‘postmoderne, mondaine poëzie die de scheidslijnen tussen de verschillende genres en kunsttakken liet verdwijnen’.  Een ander sprak dan weer over ‘de Vlaamse incarnatie van Jim Morrison, met charmisma dat bijna zo tastbaar was als het condens dat zich vormde op het plafond’.  Er werd zelfs een stukje van het optreden van Marcel getoond tijdens het nieuws, en dat zorgde dan weer voor een uitnodiging voor een gesprekje in een een oh wat zijn we leuke jongens show op één van die nieuwe zenders. En weer was het bingo: de fuck you attitude, de welbespraakte charme en een gortdroog gevoel voor humor zorgden ervoor dat Marcel onthaald werd als een nieuwe James Dean, een moderne rebel zonder reden.

Een week later stond hij op een avond voor haar deur. Het regende hard maar vriendelijk, zoals het dat in de lente kan doen. Hij was doorweekt en hield in zijn hand een klein bosje bloemen waarvan ze kon zien dat hij die in het nabijgelegen park was gaan plukken. Ze vroeg hem binnen, waarop hij met zijn smerige schoenen de gang vuil maakte. Toen dat ze uit de keuken terugkwam met een kopje vers gezette koffie lag hij al zwaar te snurken in haar zetel.

Achteraf bekeken leek het alsof hij daar en dan, met alles wat hij had bij haar was ingetrokken. Hij halveerde zowat haar nachtrust. Hij praatte urenlang door over een breed scala van onderwerpen gaande van de prestaties van zijn favoriete voetbalploeg over het ontstaan van rode en bruine dwergen tot het analyseren van werkelijk elk personage dat in een film of een serie opdook. Een andere keer belde hij haar om 2 uur ’s nachts uit haar bed omdat hij ergens ronddoolde in de stad en hij de weg kwijt was. Hij was half in paniek, maar ze slaagde er in hem te kalmeren en een beschrijving te laten geven van waar hij was. Ze droeg hem op te wachten in het bushokje vlakbij en ging hem toen maar halen. Op haar vraag wat er eigenlijk aan de hand was geweest kon hij geen antwoord geven, of toch geen waar ze iets aan had. Hij zwaaide met wat verfrommeld papier en had een immens trieste blik in zijn ogen. Ze kleedde hem uit als was hij een kleuter van vijf en stopte hem daarna in bed. Ze hoorde hem nog mompelen dat hij vanaf morgen zijn medicatie trouw zou innemen en viel daarna als een blok in slaap.

Ze werden onafscheidelijk, Melissa en Marcel. Het is te zeggen: Marcels mediacarrière zette zich gestaag door, en Melissa volgde hem als een schaduw. Ze moest wel, want hij had geen rijbewijs. Dus voerde ze hem naar waar hij moest zijn en als het even kon ook nog op het juiste uur. Ze zag hem in de auto sigaret na sigaret opsteken in een poging zijn zenuwen onder controle te houden en probeerde hem te verhinderen zijn heil daarvoor in alcohol te zoeken. Ze probeerde hem zijn angstremmers tijdig en regelmatig te nemen, maar dat was een lastige klus omdat hij beweerde dat die pillen hem dwaas maakten en van zijn inspiratie beroofden. Als hij dan toch door angst en onrust werd overweldigd nam hij een veelvoud van de toegelaten dosis zodat hij dagenlang liep te suffen.

Backstage, tijdens optredens of in televisiestudio’s moest ze hem geruststellen, kalmeren en moed inspreken. Ze onderhandelde met zenuwachtige regisseurs en organisatoren om wat meer tijd voor Marcel zichzelf bijeen had geraapt om te kunnen opgaan. Ze maakte zich de gewoonte eigen om kleedkamers op voorhand te inspecteren en de hoeveelheid bier of wijn die bij wijze van welkom was klaargezet te halveren om dat ze wist dat het anders weer een zootje werd. En ze verwonderde zich telkens weer over zijn transformatie. Het ene moment was hij een nerveus hoopje ellende en veegde hij het snot af aan zijn mouw, het volgende rechtte hij zijn rug en stapte hij het podium op met een attitude waar zelfs Kanye West van zou opkijken.

Het geld dat Marcel met zijn werk verdiende verdween even snel als de bloesems van Japanse kerselaars. Wat hij cash kreeg ging op aan sigaretten, schoenen, dassen en ander duur en overbodig spul. Wat op zijn rekening verscheen werd aangeslaan door deurwaarders. Iets met een gevalletje van mishandeling waar hij voor veroordeeld was. ‘Ik ben er nochtans zeker van dat hij niet 100 % doof is aan 1 kant. Die expert heeft mij geflikt en nu mag ik de rest van mijn leven schadevergoeding betalen aan die kerel’. Veel meer wou hij er niet over kwijt, alleen dat hij ten tijde van de feiten net te jong was geweest om als volwassene berecht te kunnen worden en dat het allemaal erger overkwam dan het eigenlijk was.

Ze leefden van wat zij verdiende, hier en daar. De horeca, af en toe een fotoshoot of een opdracht als hostess. Ze was er mooi genoeg voor, maar net iets te preuts om echt iets van betekenis te kunnen doen met haar looks. Op de één of andere manier kon het haar ook net iets te weinig schelen, ze was een idealiste. Zette zich in voor dieren, had voor bejaardenhelpster gestudeerd. En nu was er Marcel natuurlijk.

Read Full Post »

Recyclage.

Weer eens lente. Het enige seizoen dat niet op kousenvoetjes komt binnentrippelen, maar zich op een dag (meestal ergens in de ochtenduren) pront en in vol ornaat kenbaar maakt. Alsof ze er nooit niet was. Ineens hangt de hemel vol jubelende tintelingen, ineens ruikt de lucht naar wasverzachter. Ineens is het harde van de winter weg, ineens is alles lief als lammetjes en pluizig als een nestje kittens. Ineens pronken bloemen aan de voeten van vermoeide bomen. Ineens is het licht daar terug, ’s morgens vroeg. Ineens hoor je weer de vogels schallen in het donker om de dag aan te kondigen.

Wie heeft ooit de nachtegaal zien zingen?  Verscholen in het dichte struikgewas, achter een muur van venijnige brandnetels kweelt hij ’s nachts zijn lied voor verdwaalde dronkemannen en liefhebbers van vroege vogels. Uiteindelijk beuzelt de nachtegaal ook maar wat in de marge van het het vogelbestaan.

De schreeuwlelijke pica pica vind je overal. De huppelende aaseter langs de kant van de weg, ruziemakend. De diefachtige ekster gaat aan de haal met alles wat blinkt en zorgde zo – dat zegt de mythe toch – in vroeger tijden voor de dood van menig keukenmeid die ervan werd beschuldigd met de juwelen van mevrouw aan de haal te zijn gegaan.

Zo gaat dat in de wereld.

Straks ben ik weer een jaarring rijker. In mijn hoofd ben ik nog altijd een onvermoeibaar Duracellkonijn, maar mijn lichaam zegt van niet. Ik doe alsof ik het niet merk en melk de illusie van jeugd nog wat verder uit, zoals je uit een quasi lege tube tandpasta nog het aller, allerlaatste restje knijpt omdat je in de supermarkt de gang met verzorgingsproducten altijd overslaat wegens toch nooit iets nodig.

In mijn hoofd oefen ik al enkele weken op de woordcombinatie ‘een hydraterende factor vijftig aub’. De bulderlach van de lente maakt dat ik mijn gezicht moet verstoppen voor elk aarzelend straaltje zon, anders groepeert mijn gezichtspigment zich in vreemde formaties zodat het lijkt alsof ik snor heb en een reusachtige bindi op mijn voorhoofd. Ik probeer me voor te bereiden op onvermijdelijke wedervragen van de apotheker over merken, hoeveelheden en de algemene conditie van mijn huid, maar ik kom niet veel verder dan ‘euhm, gewoon’. Verder heb ik last van een matig wantrouwen ten opzichte van neringdoeners waarvan ik kan vermoeden dat ze mij teveel doen betalen voor dingen waarvan ik eigenlijk niet vind dat ik ze nodig heb.

Het gras is groener aan de overkant omdat daar altijd de zon schijnt en jij bent neergeplant in de schaduwkant. Daar groeit taai gras. Hardnekkige distels en ander koppig onkruid dat zich hooghartig van de zon afwendt. Ik val overal buiten en tussen, ik ben een toerist in mijn eigen leven. Niemand weet wat ik doe of waarom.

Voor mijn leeftijdsgenoten ben ik te vrij, voor wie jonger is te oud. Op mijn werk ben ik te raar, voor kliekjes te conventioneel. Voor softies ben ik te hard, voor cynici te verontwaardigd. Voor de meesten te veel en voor mijn lief te weinig.

Read Full Post »