Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Fantasie’ Category

Tristesse

De troosteloosheid van een goedkoop baanrestaurant aan een invalsweg waar prut en papjes van verschillende kleuren en texturen in aluminium bakken wordt warmgehouden. Wie aanschuift krijgt een hoopje drab op het bord geschept dat onveranderlijk smaakt naar zout en tranen. Een grijs gepensioneerd koppel komt op de aanbieding van de week af. Een koninginnehapje, frietjes, sla. 9,99 €. Voor die prijs kun je het thuis niet zelf maken, zeggen ze tegen elkaar.

De eenzaamheid van een helverlicht Chinees restaurant langs een typisch Vlaamse steenweg. Auto’s razen voorbij, de bestuurders zijn op weg naar huis waar ze chipolata gaan eten met spinaziepuree. Daarna kijken naar een stompzinnige serie op TV. Het miezert. Een smerige regen die alles bezoedeld achterlaat. In ‘De Lange Muur’ heeft de dochter van de eigenaar alweer in haar synthetische nep-traditionele jurk aangetrokken en een eeuwige glimlach opgezet. Wie hier – steeds toevallig en nooit met opzet – binnenwaait krijgt eenheidsworst voorgeschoteld in mierzoete saus.

De tristesse van de hoer die te oud en te lelijk is geworden om nog een klant over zich heen te krijgen. Zelfs haar vaste klant en bewonderaar sinds vele jaren heeft de handdoek in de ring geworpen. Ooit zat hij haar achterna, beloofde haar de hemel als ze maar zou stoppen. Zij? Zij lachte haar hese hoerenlach en gaf haar beste jaren aan de nacht en een veel te dikke pooier. Ze schenkt zichzelf nog een glas goedkope vodka in. Schol, zegt ze tegen zichzelf.

Het veel te luide praten van de kalende man die eigenlijk al zijn demonen had getemd moeten hebben. In plaats daarvan trouwde hij met een neurotische vrouw die hem irriteerde. Nu is hij twee kinderen en een affaire later plots op zichzelf aangewezen. Op datingsites spreekt hij vrouwen aan die voor hem net iets te jong zijn. Leeftijd is maar een arbitrair getal, orakelt hij. Wat vinden ze trouwens van zijn sneakers? Paul Smith, voegt hij er aan toe.

De stilte van een kantoor voor en na de werkuren. Ergens in de grijze ruimte zoemt nog een apparaat. 21 is ze, maar al lang geen dromen meer. Gedachtenloos en efficiënt leegt ze vuilnisemmers, haalt een vochtige doek over een bureau. Stofzuigt, verzamelt aangekoekte koffiekopjes in de afwasmachine. Na afloop rookt ze aan de deur een sigaret, samen met haar collega die het lagergelegen verdiep voor haar rekening heeft genomen. Het gesprek gaat over pampers, een moeder met een hardnekkige hoest. Zou ze haar haar blauw durven verven?

Het desolate station in een afgelegen dorp waar mensen enkel weg willen. Eén meelijwekkend spoor waar enkele keren daags een locomotief en twee rijtuigen met hoorbare tegenzin stoppen. Niemand stapt ooit af, of het zou een verdwaalde reiziger moeten zijn. Twee van de de plaatselijke tieners hangen rond, roken verveeld een sigaret. Ze trappen een verschrompeld blikje cola over en weer, hoe meer lawaai, hoe beter. Misschien gebeurt er eindelijk iets. Hier is niets, zegt hij. Hier zal nooit iets zijn, zegt zij. Zullen we gaan? Zullen we het doen? Zullen we het eindelijk doen?, vraagt zij. Straks, zegt hij.

edward_hopper_3d_by_ryo974

Read Full Post »

Winter

Het gewicht van jaren ver hangt aan je lijf. De zorgen voor morgen bezwaren je gemoed. Het grijs van laaghangende wolken maakt je blik troebel en week. De eeuwige schemer van deze donkere dagen. In je gewrichten sluipt de pijn van nog maar eens een winter zonder hoop. Je bloed stroomt waterdun en weifelend door je lijf. In je oren zeurt een pieptoon nu al jaren. Je spieren een orgie van spasmen. Schimmeltenen en stinkvoeten. Vreemde blauwachtige landschappen op je benen, bobbelige spataders. Bovenarmen die slap hangen, dunne polsen. Vieze, vuile lange vingernagels die barsten van de kou. Je zak jeukt en je lul is verlamd. Je pist in horten en stoten, de kleur van slappe koffie. De kou kruipt onder je huid sluipt naar je hart.

Je tanden rotten in je bek, je likt je droge lippen. Angst baant zich op gezette tijden een weg vanuit je darmen omhoog tot je keel helemaal vol zit, je adem stokt en het koude zweet je uitbreekt. Alsof een bijtend gif door je aderen spoelt. Je blijft overeind, nog net. Je leven is geen puinhoop meer, maar een vuilnisbelt. Een poel die stinkt als een zwavelput. Een onoverzichtelijke berg van schuld en zonde zonder boetedoening die tot verlossing leidt. Ergens is er een pad dat hierheen heeft geleid. Vroeger kon je nog denken dat er ooit een tijd zou komen waarop dingen goed zouden komen. Dat de pijn tijdelijk was, dat je mislukkingen uitzonderingen waren en geen patroon dat zich oneindig veel herhalen zou. Dat je ooit dingen zou doen waarvoor je geprezen zou worden.

Je geheugen hapert door een verleden van goedkope drank en dito drugs. Soms sijpelen flarden uit een vorig leven door. Zoals die keer van die overval toen je nog met de taxi reed. 127 euro hadden ze buitgemaakt terwijl jij de schrik van je leven opdeed. Uiteindelijk kwam je er vanaf met twee hechtingen in je voorhoofd en een vuile onderbroek, maar rijden zat er niet meer in. Je was gewoon niet zo’n held, opgeven zat meer in je natuur. Het was nu ook niet dat een taxichauffeur zoveel verdiende en inspiratie voor een baanbrekende roman zat er ook al niet in. Tegen de verwachtingen was dat, maar goed. Eigenlijk bleef heel dit bestaan ferm onder de voorspelde vooruitzichten. Niets nieuws onder de zon dus.

Waar begint de dag, waar eindigt de nacht? Een zwarte kraai krijst onheilspellend. Buiten blijft het donker. Een vuile mist kleeft aan ramen, auto’s, zweeft laag over straten en pleinen. Je ademt moeizaam, je borstkas lijkt ingesnoerd. Alsof je een strenge dame van stand was uit een ver vervlogen tijd. In je keel stapelt bitter slijm dat je niet ingeslikt of uitgespuwd krijgt. Het duizelt in je hoofd, in je oogbollen ontploffen zwarte sterren. Waarom gaat alles moeizaam?  Je tast, je scharrelt, je strompelt en je struikelt. Er ligt niets meer voor je behalve duisternis van zwarte gaten en niemand die je ooit heeft gekend.

Hoe oud ben je? Je bent achterhaald als perkament.

the_road_2009_02

Read Full Post »

Ooit was ze anders geweest, nog niet zo heel erg lang geleden zelfs. Lichter, vrijer, onbezonnen. In het middelbaar, in de opleiding Snit & Naad had ze gemerkt dat ze smaak had en ook wat talent voor mode. Sneller dan de andere meisjes had ze zich de techniek eigen gemaakt en thuis sloeg ze aan het experimenteren. Minirokjes en later zelfs hotpants die ze in bladen zoals Marie-Claire zag. Kleurige bloesjes en fleurige jurkjes met een A-lijn. Haar weinige zakgeld spaarde ze maandenlang op om er een paar hoge laarzen mee te kopen die ze stiekem moest dragen, omdat haar vader zowel als haar moeder haar hadden verboden zich ‘zo’ te kleden.

Voor haar 16de verjaardag had ze een paar Amerikaanse rollerskates gekregen, blauw met gele streepjes. Op zaterdagnamiddag fietste ze met haar vriendinnen 15 kilometer ver naar Roeselare, waar ze een rollerdisco hadden. Eerst gingen ze zich omkleden en opmaken in de toiletten, klonterige mascara en dik aangezette zwarte eyeliner. Bloedrode lippenstift, een lang kralensnoer rond de hals.

Ze draaide rondjes in het halfduister terwijl de DJ in het midden van de ring plaatjes draaide. The Bee Gees, Blondie, Earth Wind & Fire. De knapste jongens en meisjes mochten plaatjes aanvragen of elkaar de groetjes doen. Diana schaatste zo snel ze kon, de wind in d’r haren, wiegde met haar heupen op het ritme van de muziek. Als ze buiten adem was deed ze het een tijdje rustiger aan, zocht haar vriendinnen terug op. Ze stoeiden, rolschaatsten met zijn tweeën achteruit. Op bepaalde liedjes was het de bedoeling dat een lange rij werd gevormd. Dat eindigde steevast in valpartijen en gegrabbel.

Elk uur werden 3 trage nummers na elkaar gedraaid terwijl blauw-groen-rode lichten nog meer gedempt werden. De meisjes gingen aan de kant staan, wachtten tot een lefgozer hen kwam halen om te slowen. Diana werd altijd als een van de eerste meisjes gevraagd. Een tijdje was ze zelfs min of meer het liefje geweest van Angelo, die al werkte en een brommer had. Na het dansen had hij haar een whisky-cola getrakteerd en gevraagd of ze buiten een sigaret wilde roken. Zonder nadenken had ze ja gezegd, zelfs al had ze nooit eerder een sigaret opgestoken. Natuurlijk wist ze wat er buiten te gebeuren stond, kussen en gretig, stuntelig voelen onder kleren. Ze was een beetje teleurgesteld toen bleek dat Angelo niet zo doortastend bleek als ze had gedacht. Na een paar weken stuntelen zonder dat er zicht was op meer had ze hem de wacht aangezegd.

Het had haar toen nog vanzelfsprekend voorgekomen dat zij zou ontsnappen, weggaan, grootse dingen zou beleven. Ze zou gevierd worden met champagne, schijnwerpers, applaus en het flitsen van fotocamera’s. Ze zou sier maken aan de arm van charmante, knappe mannen die wisten wat er in de wereld te koop was.

Voor dit dorp en dit onbetekenende leventje was ze te goed. En toch zat ze hier nog, op de één of andere manier.

rollerdisco-feature

Read Full Post »

Fata morgana

De man stapt stevig door over de lange laan die is afgezoomd met Japanse kerselaars die allemaal even hevig in bloei staan. Als in een lichte sneeuwbui dwarrelen de blaadjes naar beneden en lijken net voor is stil. Niet gewoon stil, maar muisstil. Er is niets te horen, behalve dan zijn eigen zuchten, het schuren van zijn broek en het geluid van zijn voetstappen. Er staat geen zuchtje wind en de zon schittert eenzaam hoog aan de hemel.

Vastberaden stapt hij door, wat achter hem ligt kan hem niets schelen. Hij weet het niet zeker, maar hij vermoedt dat hij nog een aantal kilometer af te leggen heeft vooraleer hij zijn bestemming bereikt. In de verte, als een fata morgana ziet hij al vaag de contouren van de poort waar hij straks doorheen zal stappen. Hij heeft horen zeggen dat die reusachtig is.

En werkelijk, zo is het ook. Naarmate hij dichterbij komt flonkert de poort in de zon. Het is dan toch waar wat ze zeggen: dat beide poortdeuren gemaakt zijn uit het sterkste ebbenhout en rijkelijk belegd met goud. Hoe dichter hij komt, hoe sneller zijn pas. De laatste honderden meters legt hij op een drafje af, zijn hart holt van vreugde en verwachting. Voor de poort houdt hij halt en legt zijn hoofd in zijn nek om de hoogte ervan in te schatten. Het ding is zo breed als viervaksautosnelweg, zo hoog als een bescheiden flatgebouw. Nu ziet hij dat niet enkel goud is gebruikt voor de afwerking, maar ook parelmoer en honderden – wat zeg ik? – duizenden edelstenen. Smaragden, briljanten, robijnen. Saffieren en het helderste kristal. Lapis lazuli. Hij is met verstomming geslagen, de aanblik van al dat fraais maakt zijn knieën week. Zijn koffer glipt uit zijn handen zonder dat hij het merkt. De ingenieuze geometrische patronen maken hem duizelig, er is zoveel, zoveel te zien dat hij dagen zou kunnen blijven kijken en telkens weer nieuwe taferelen, symbolen en betekenissen zou kunnen ontdekken.

Enigszins bekomen van de eerste indrukken herinnert hij zich opnieuw waarom hij hier is. Hij moet door de poort! Daarachter ligt zijn toekomst, zijn nieuwe leven. Hij neemt opnieuw zijn koffer in de hand, probeert het stof uit zijn kleren te staan en is een moment of wat ontzettend gegeneerd over zijn outfit. Hij nadert de poort in de veronderstelling dat die zich op magische wijze zal openen. Als dat niet gebeurt probeert hij één van de poortdeuren te openen door zich er met zijn volle gewicht tegen aan te gooien, maar het ding geeft natuurlijk geen kik. Hij zoekt naar een bel, een klopper of een sleutelgat. Niets.

Hij schreeuwt. Een langgerekt ‘HALLOOOOOOOOO’, maar het enige dat hij hoort is zijn eigen stem. Verder dezelfde lege stilte die hem nu al urenlang omringt. Hij krijgt het er een beetje van op zijn heupen. Meticuleus inspecteert hij de poort. Wandelt er langs op en neer, probeert het met bezweringen allerhande, drukt hier en daar op een paneel in de hoop dat de poort zich alsnog opent. Het is pas als hij zich uitgeput tegen vestingmuur neerzet dat hij in de bocht ervan een bescheiden, houten deurtje ziet. Er hangt zelfs een bordje waarop in vervaagde letters ‘RECEPTIE’ te lezen is. Deze keer geeft de klink gelukkig wel mee en hij betreedt een koele, halfduistere ruimte. Er is een ouderwets loket met traliewerk.

– Goedemiddag mijnheer, kan ik u helpen? Vraagt een bleek en androgyn uitziend jongmens.

– Ja, wel. Ik weet het niet goed. Ik dacht dat ik binnen moest langs de poort, dus ik loop al een tijdje te zoeken, klonk het geërgerd.

De bleke jongeman, of was het een vrouw, trok de wenkbrauwen op.

– Och mijnheer, die poort openen we eigenlijk enkel bij zeer speciale gelegenheden. Of op momenten dat we zeer veel bezoekers verwachten. Het is een hels werk om dat ding geopend te krijgen. Mag ik even uw papieren? Dan kijk ik even na in welke kamer ik u mag onderbrengen?

– Papieren? Hmm, nee, ik vrees dat ik die niet bij mij heb. Ik had me niet aan dit soort formaliteiten verwacht, als ik eerlijk mag zijn.

– Dat hoor ik wel meer, zei de jongeman – of was het een jongedame? – droog. ‘Maar zonder papierwerk zou het hier nogal een boeltje worden vrees ik. Mag ik dan even uw naam? Dan kijk ik alles even na in het systeem.

– Geboren te? En wanneer precies?

– Geboren te Brussel in 1986.

– Aha, ik zie het. Wel vreemd, we hadden u nog niet zo onmiddellijk verwacht. Staat u mij toe even te bellen met een collega. Neemt u ginder even plaats? Dan kom ik zo dadelijk bij u terug.

Gedwee neemt hij plaats in één van de makkelijk uitziende zetels. Hij opent zijn koffer en haalt er een ingebonden exemplaar van de Koran uit. Hij laat zijn vinger over het papier glijden en murmelt zachtjes een soera. In de achtergrond hoort hij de receptionist – of is het een receptioniste? – bellen met een collega en driftig tokkelen op een toetsenbord. Hij schrikt op wanneer een even jong en even androgyn wezen in butleruniform naast hem komt zitten.

– Mijn naam is Ku. Mag ik u een paar vragen stellen?

Ibrahim klapt het boek dicht. “Neen”, zegt hij driftig. “Ik heb hier schoon genoeg van. Er is sprake van een groot misverstand en ik eis dat u dit onmiddellijk recht zet. Ik wil de baas spreken, en wel nu onmiddellijk. Dit is werkelijk ongehoord!”.

Ku lacht minzaam. “Dat er sprake is van een misverstand, dat ben ik met u eens. De brochure die u in uw hand heeft is namelijk behoorlijk misleidend opgesteld. Het is nu al een tijdje dat we proberen om de verantwoordelijke uitgever ervan te pakken te krijgen, maar tot nu toe zonder resultaat. Heeft u misschien wat inlichtingen daarover?”.

– Hoe durft u? Hoe durft u dit Heilige Boek een brochure te noemen? En misleidend? Dit is heiligschennis, hoort u? Ik ben benieuwd wat uw baas daarvan vindt.

Gehaast zegt Ku “Ach mijnheer, windt u zich toch niet op. Ik bedoelde het niet zo. Er zijn heel wat van die brochures in omloop geraakt op de één of andere manier. Zo krijgen we hier regelmatig verschillende versies binnen van één of ander Testament waar geen weldenkend mens wijs uit raakt. Je leest er de gekste dingen in. Het is op een bepaald niveau zelfs behoorlijk grappig, alleen merken we dat mensen zich er nogal druk over kunnen maken. Daarom zouden we eigenlijk graag eens met de schrijver van die brochures willen praten, maar we hebben er geen flauw idee van wie hij is.”

– De schrijver van dit boek? Het is de openbaring van God, door Zijn profeet natuurlijk. Vrede zij met hem.

– Ja, wel, dat is het net. De Verenigde Unie van Goden, Afgoden, Halfgoden en Superhelden ontkent dus met klem ooit aan iemand deze opdracht te hebben gegeven. Wij hebben bovendien alle notulen van alle vergaderingen grondig doorzocht en daaruit blijkt inderdaad dat zo’n openbaring zoals u het noemt dus nooit heeft plaatsgevonden.

– Dat is een grove leugen! roept Ibrahim uit.

Ku trekt de wenkbrauwen op en zegt afgemeten: “Nu kunt u mij van zeer veel zaken beschuldigen, mijnheer, maar een leugenaar ben ik niet. En als u mij nu wil volgen, dan breng ik u naar uw vertrekken”.

Verward sjokt Ibrahim achter Ku aan. De plaats ziet er uit als een duur vakantie-oord. Er is een wit strand met palmbomen. Zwembaden en strandstoelen. Gezellig uitziende huisjes. Bij nummer 42 houden ze halt. Ku opent de deur en zegt: Voilà, dit wordt je plek voor de komende dagen. Er ligt geschikte kledij in de kast, en verder ben je vrij te gaan en te staan waar je wil. Eten en drinken doe je aan de bar of het restaurant, of je laat je maaltijd hier bezorgen. Binnen enkele dagen zou ik de beslissing van het comité moeten ontvangen hebben. Dan spreken we elkaar weer.”

– Wacht! Ik protesteer. Dit klopt helemaal niet. Ik ben een martelaar, ik zou aan de rechterhand van Allah moeten zitten.

– Ja, en ook nog iets met 72 maagden? Het spijt me, maar ik kan niets voor je doen. Het nummer van de klantendienst vind je binnen naast de telefoon, maar ik kan je nu al zeggen dat zij ook geen enkele verantwoordelijkheid kunnen nemen voor die brochures.

En met die woorden verdween Ku. Alsof hij oploste in de lucht.

tumblr_lnkoplxqzj1qhr5yoo1_r1_500

Read Full Post »

Strictly ballroom

-Veel gevoel voor empathie heb jij niet hé?

Ik haalde mijn schouders op, drukte mijn sigaret uit. Wat weet jij daar nu eigenlijk van, dacht ik bij mezelf. En ik zei: weet je wat? Noem me in het vervolg gewoon een ijskoud wijf. We moeten de dingen gewoon zeggen zoals ze zijn.

Hij keek opzij en zei ‘och gij’.

Wat deed ik hier ook eigenlijk? Een zomernacht in de stad die de pleinen en de straten had gevuld met mensen en muziek. Een etentje met vrienden dat was overgegaan in een tocht langs terassen. Ik was een ex-collega tegen het lijf gelopen waar ik bijzonder weinig mee gemeen had, maar die ik wel ongemeen sexy vond. Enfin, de rest laat zich raden en nu zat ik in een vreemd appartement de morgen nadien. Een 7 voor de seks.

– Mensen zijn bang voor alles, het is eigenlijk komisch om te zien.

– Komisch? Gij vindt dat om te lachen? Awel merci.

– Natuurlijk is het komisch in alle tragiek. De dingen die mensen doen of of angstvallig laten omdat hun verbeelding met hen op de loop gaat, hoe geweldig is dat niet? Ik had ooit een schoonmoeder die wel met de auto reed maar niet op de autostrade, want dat ging haar te snel. Er zijn mensen die bang zijn om over te geven en zichzelf daarom de lekkerste dingen ontzeggen. We kunnen bang zijn van straten, pleinen, slangen, spinnen, honden of kippen. Voor andermans microben en bacteriën terwijl het er op elke vierkante millimeter van ons eigen lichaam van wemelt. Clowns. Microgolfovens. Bomen, bossen en hout. Keuzes en beslissingen.De angst om er niet bij te zijn of te horen. Bruggen en water. Het strand en het zand. Voor gras. Voor de wind en voor de wolken. Voor duiven en struisvogels, alhoewel ik dat enigszins begrijp. Navels. De tijd die verglijdt. Voor seks. Om zwanger te worden of te zijn. Voor het huwelijk of een relatie. Om alleen te zijn. We zijn zelfs bang om bang te worden of te zijn. Het hele gamma aan angsten en neurosen waar we aan lijden is toch verschrikkelijk fascinerend?

– Bof, je zult het maar hebben hé, angstaanvallen.

– Dus jij denkt dat ik niet weet hoe het is om een paniekaanval te krijgen of zo? Dat ik nooit in mijn zetel heb zitten zweten terwijl ik me wanhopig op mijn ademhaling concentreerde om terug bij zinnen te komen? Dat ik niet mijn eigen doldwaze fobietjes heb die totaal ongegrond zijn en waaraan ik me toch elke keer laat vangen? Ik heb zoveel hoogtevrees dat het belachelijk wordt en ik krijg koude rillingen als ik nog maar een prentje van een slang zie. Ik ga hyperventilerend naar het postkantoor om een aangetekende zending op te halen, als ik er al om ga.

Dat wil niet zeggen dat ik niet kan zien hoe ongefundeerd die vrees is en quasi geen uitstaans heeft met de werkelijkheid. Ik moet niet in een donsdekentje gewikkeld worden omdat ik bang ben voor dingen die logischerwijze nooit zullen gebeuren.

– Jezus Christus zeg. Het is al goed, ik ga douchen.

Terwijl ik het water hoorde stromen scharrelde ik mijn kleren bijeen. In mijn handtas vond ik een oud treinticket en een balpen. Ik schreef: Vivir con miedo es como vivir a medias. Daarna trok ik de deur achter me dicht.

In de auto zette ik mijn telefoon uit en begon hartstochtelijk te huilen.

6358402551031417651118703309_sudden-fear_main1520

Read Full Post »

(Dit is het laatste deel van een kortverhaal. Wil je het helemaal lezen: alle delen staan hieronder op de deze blog, of je kunt de PDF downloaden. Dat leest misschien iets makkelijker. Er staan wel geen prentjes in.)

Een partij voor yuppies met een schuldgevoel

1 mei

Nu zat hij aan de toog van het Damberd met een Westmalle voor zijn neus. Godverdomme zeg, dacht hij, wat een bloedeloze bedoening was dat daar geweest onder die Schapenstal eigenlijk? Wat was dat toch met de socialisten van tegenwoordig? Tamme toespraken, lauw applaus, zelfs van de fanatiekste en trouwste partijsoldaten. Er klonk geen vuur door, geen kloten, geen passie. Geen hart. Wat overbleef waren herkauwde oneliners waar ze met hun mediatrainers naar op zoek waren gegaan. Bedoeld voor journalisten, zodat die hun ‘soundbite’ hadden voor het journaal ’s avonds. Het klonk allemaal zo gekunsteld, onecht, veel te bedacht. Nu ja, ze deden het natuurlijk allemaal, de politici en de politieke partijen, maar zijn hart lag nu eenmaal bij die partij.

Nu ja, hij was wellicht te nostalgisch en zijn herinneringen versuikerd, maar het leek hem dat vroeger, in tempore non suspecto, de sociaal-democraten geleid werden door tja, hoe moest hij het zeggen? Sociaal-democraten zeker? In elk geval niet door het bleke stelletje intellectuelen dat tegenwoordig de dienst uitmaakte. Niet dat hij iets had tegen intellectuelen, hij beschouwde er zichzelf eentje, maar voor de zonen en dochters van oude partijbonzen die nu her en der geparachuteerd werden om de boel te leiden kon hij maar matig sympathie opbrengen. In plaats van te voetballen op straat waren ze op tenniskamp of paardrijles gestuurd. Ze hadden diploma’s gehaald aan dure universiteiten in het buitenland en in de 8-urenhuizen of volkscafés durfden ze hun neus niet binnensteken. Neen, je hoorde ze dan wel kwekken in één of andere weekendbijlage over een tof restaurantje waar een hippe koksmus experimenteerde met mos of stro. Dat ze niet inzagen dat een partijvoorzitter die na een vergadering de frituur indook om daar een groot pak met stoofvlees en een berenpoot naar binnen te schoffelen meer aansprak kon er bij hem niet in.

Enfin, de arbeidersklasse was natuurlijk ook niet meer wat ze geweest was, hij wist het wel. De diensteneconomie en zo, hij had met Dirk urenlang over gepalaverd. De nieuwe doelgroep van de sossen was de jonge, progressieve stedeling zo probeerde Dirk hem uit te leggen. Mensen die bezorgd waren om het klimaat en hun kinderen naar Freinetscholen stuurden.

– Allez ja, een partij dus voor yuppies met een schuldgevoel, bromde Cies voor de zoveelste keer.

Een groepje Een Mei vierders begon achter zijn rug met tafels en stoelen te schuiven zodat ze samen konden zitten. Na veel gepalaver noteerde één van de jongedames uit het gezelschap de bestelling en kwam die naast hem aan de toog doorgeven.

– Moh, wie we hier hebben, zei ze. Jacques is ’t zeker hé?

– Jean-François eigenlijk. Maar je mag ook Cies zeggen, zoals de rest van de wereld.

– Oei, sorry. Ik ben Severine. Ik geef les bij jou op school, maar in een ander departement.

– Ah ja, juist. Ik vroeg me al af van waar ik je kende.

– Zeg, ik wist niet dat jij een rooie was?

– Bwoa, niet fanatiek. Allez, niet meer. Toch niet nu ze een partij geworden zijn voor yuppies met schuldgevoel. Hij was tevreden dat hij zijn one-liner nog eens kon bovenhalen.

Ze keek hem met een opgetrokken wenkbrauw aan, maar de plateau met drank werd voor haar neus gezet.

– Wacht, ik breng deze even naar onze tafel. Niet weglopen.

Ze kwam terug, zette haar Palm op de bar en hees zich op de kruk naast hem. Het duurde niet lang voor ze in een pittige discussie verwikkeld waren. Hij knorrig, zij vurig. Maar hij ontdooide en hun gesprek meanderde van een politieke woordenstrijd naar een meer persoonlijke diepten. Het deed hem goed om zijn gedachten te kunnen verzetten op de dag waarop hij zijn dode vriend meer dan ooit miste.

– Zeg, ik heb honger, kondigde ze een Palm of drie later aan. Gaan we iets eten in de Wok Away?

– Ik heb ook honger, maar ik heb een veel beter idee.

Hij nam haar mee naar het frietkot aan de Groentenmarkt, waar de notoir chagrijnige uitbater zoals steeds zwijgend de bestelling noteerde en het geld in ontvangst nam.

– Op de Eerste Mei moet je gewone mensen kost eten, zei Cies. Niet van die veel te dure, overgewaardeerde yuppie-shit.

Later op de avond, op weg naar huis, sloeg hij zijn arm om haar heen.

Friet_met_stoofvlees

Read Full Post »

(Nvdr: dit is het 9de deel van een kortverhaal. Vorige delen vind je hier: deel 1,deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7 , deel 8)

2011 – 2015

Cies had de waarschuwing van zijn baas goed in zijn oren geknoopt. Wat voor zin had het te doen alsof hij een verschil kon maken? De tijden waren veranderd, zo bleef men maar herhalen, en hij had zich daar bij neer te leggen. Niemand zat te wachten op een ex-journalist van begin de 50 met een veel te groot ego. Dus dimde hij. Braafjes quoteerde hij zijn studenten met veilige net voldoendes of net niet voldoende als hij het werkelijk niet kon aanzien of in een slecht humeur was. Hij vond de meesten onder hen verwend, egocentrisch en provinciaal. Ze waren 18 of 19 en hij vroeg zich af of ze eigenlijk wel in staat waren om op eigen benen te staan. De werkstukken die ze hem indienden bevreemdden hem omdat ze tegelijkertijd ontzettend naïef en toch doorspekt van angst waren. Hij besefte wel dat zijn verblijf in Congo daar voor iets tussen zat, maar hij bleef zich ergeren aan wissewasjes waarmee ze hem bleven lastig vallen.

Op momenten dat het hem allemaal te veel werd, dan kon hij stoom aflaten bij Dirk. Zoals die ene keer dat een student hem e-mailde en afsloot met het woordje ‘toedels’.

– Dirk, van mij moeten ze niet professor tegen mij zeggen hé, maar toedels? Toedels? Waar slaat dat in hemelsnaam op?

– Ach, kerel. Zet je daar toch over. Wat drink je nog?

Zo kabbelde zijn leven verder. Hij gaf les aan studenten die hij niet begreep, hij ging lopen rond de Watersportbaan in een ijdele poging het verouderingsproces te stoppen. Of minstens te vertragen. Hij las boeken, sloot zich aan bij een schaakclub. Af en toe op café of een concert van een of andere rockgroep. Het leven van de ouder wordende en progressieve intellectueel, quoi.

Wat vrouwen betreft, dat kwam en dat ging. Hij ontmoette ergens iemand, en dat ging een paar weken goed. Er werden diepzinnige gesprekken gevoerd, museums bezocht, etentjes getrakteerd. Daarna sloeg de verveling toe en probeerde hij zo elegant mogelijk afstand te nemen. Een enkele keer legde hij het aan met een vrouw die getrouwd was in de hoop dat dat het onvermijdelijke afscheid makkelijker zou maken. Dat was – zo leerde hij tot zijn scha en schandede – niet het geval.

Op sentimentele momenten miste hij Congo, maar hij werd erg bedreven in het vermijden van die sentimentele momenten. Het was niet alsof hij veel aandenkens had, en Dirk had ondertussen al zijn verhalen wel een paar keer gehoord. Dus praatten ze over zaken die er nu toe deden: de politieke carrière van Dirk en de fratsen die die daarbij kwamen kijken. De wankele staat van de economie, de stem van Carla Bruni, de prijzen van de drankbons op festivals, de vraag of Cies zou deelnemen aan een halve marathon.

– Allez, jong, Cies. Een halve marathon lopen is dat een nieuwe manier om te bekennen dat je een midlifecrisis hebt? Vroeger kochten de venten tenminste nog een Harley Davidson op die leeftijd.

– Lach maar. Je zou beter zelf eens wat sport doen, je kunt het gebruiken.

Kwam zijn Afrikaanse vaderland nog eens in het nieuws, meestal met tijdingen van ellende en rampspoed, dan leek het alsof de kamer waarin hij zich toevallig bevond vulde met de warme geuren van Butembo. ’s Nachts werd hij overvallen door vreemde dromen over kindheksen die hem op de hielen zaten, blanke babies die hij in veiligheid moest brengen en venijnige serpenten met vrouwenkoppen die hem van alles toesisten. Het eindigde er altijd mee dat hij als opgejaagd wild op de loop moest voor iets onnoemelijks en uiteindelijk zichzelf wakker riep in bed. De dagen nadien liep hij nog wat nerveus rond, maar ook die onrust ebde uiteindelijk weg.

Vorig jaar was Dirk dan plots overleden. Een hartaanval, het gevolg van erfelijke aanleg en een beroepsleven dat gevuld werd met vette hapjes tijdens recepties, walking diners en goedkope belegde vergaderbroodjes. Hij slikte pillen tegen de hoge bloeddruk, cholesterolremmers en elk jaar werd hij door zijn dokter streng toegesproken. Hij moest dringend gezonder leven, want het zou anders slecht aflopen en moest niet denken dat hij onsterfelijk was. Dirk deed dan een week of twee zijn best om op zijn voeding te letten en minder te drinken. Maar voor hij het wist werd hij weer ingehaald door de routine van een pintje hier en een steak met Béarnaise daar. Tot die ene zondag in februari van 2014. ’s Morgens had hij geklaagd tegen zijn vrouw dat hij zich niet goed voelde, een virus wellicht. Een paar uur later lag hij lijkblijk te creperen in zijn bed en tegen dat de toegesnelde MUG ter plaatse kwam was het voor hem al over and out voor geweest.

Dat was nog wat magere troost geweest, dat zijn maat niet lang had moeten afzien, alhoewel zo’n hartaanval natuurlijk geen pretje moet geweest zijn. Op de begrafenis was hij één van de velen geweest die afscheid kwamen nemen terwijl hij eigenlijk behoefte had gehad aan een meer intieme laatste adieu. In plaats van aan te schuiven voor de koffietafel zoals hem was gevraagd had hij zich aan de toog geplaceerd van het eerste, het beste café dat hij kon vinden en was er in sneltempo Westmalles beginnen zuipen. De cafébaas zag zich uiteindelijk genoodzaakt om Cies’ vlam van het moment op te bellen om hem te komen halen. Enfin, aan de genante scène die zich toen in haar appartement had afgespeeld dacht hij liever niet meer terug.

De onverwachte dood van zijn zowat enige vriend was een mokerslag geweest waar hij nog altijd niet van was bekomen. Hij voelde zich alleen, afgesloten van de wereld. Zijn ouders waren gestorven en veel contact met de rest van de familie – voor zover die er was – had hij niet echt. Met zijn collega’s had hij weinig aansluiting, hij voelde er niet veel voor zich in te laten met activiteiten die er op gericht waren het groepsgevoel te verdiepen en beperkte zich liever tot het geven van zijn lessen. Hier en daar had hij wel wat kennissen waar hij een avond mee op café kon doorbrengen, maar uiteindelijk versterkte zo’n non-gesprek enkel zijn gevoel van eenzaamheid.

Steeds vaker betrapte hij zichzelf er op dat hij een hele avond in zijn woonkamer voor zich uit had zitten staren, een glas whisky in de hand waarmee hij die krop in zijn keel ook deze keer niet weggespoeld kreeg.

alone

Read Full Post »

Older Posts »