Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for december, 2012

Stel!

Stel dat ik op een dag het geluk zou hebben om op mijn sterfbed rustig de tijd zou hebben om mijn leven te overdenken. Ik zeg wel stel, want we kunnen dat allemaal wel willen, maar evengoed wissel ik tijdens het slapen vredig en ongemerkt het tijdelijke met het eeuwige. Of ik zou ook onverhoeds het slachtoffer kunnen worden van wurging, ophanging, verdrinking, elektrocutie of een gruwelijk ongeval met de auto. Ik zou kunnen overlijden aan een voedselvergiftiging, een lelijke val in de badkamer of de metro of gewoon van de trap. Ik zou kunnen vastzitten in een auto op de overweg. Andere kanshebbers, hoewel in mindere mate: de dood met de kogel of de guillotine. Een steekpartij in een louche discotheek. Langs de andere kant: ik zou ook traag ten onder kunnen gaan aan witte wolken in mijn hoofd die elk denkproces herleiden tot een dadaïsme zonder wiedeweerga.

Maar goed: gesteld dus dat ik het geluk zou hebben aan een slepende ziekte ten prooi te vallen (zo’n ziekte dus die op sloffen komt aanzetten en je langzaam aan je bed kluistert en je gezonde cellen één voor één opvreet, aantast en besmet) en dus in het lang en in het breed mijn leven kan overdenken. Zou ik dan spijt hebben van teveel stommiteiten of van te weinig?  Zou ik een helder zicht hebben op alle vergooide kansen, dwaze beslissingen en de onwil om de consequenties ervan onder ogen te zien? Hoeveel zou ik denken aan al die mensen waar ik kwaad van sprak en onterecht minachtte? Zou ik dan en dan pas de essentie kennen? Zou ik spartelen, tegenstribbelen en bidden voor nog een paar momentjes, alstublieft. Ik lijk mij wel het type dat zich op het sterfbed in allerijl nog zou bekeren, gewoon om zeker te te zijn.

Zou ik vergeving vragen aan wie mij komt bezoeken, zou ik veel te eerlijk biechten? Zou ik tijdens nachtelijke uren ijlend op morfine mijn kwaadste dagen herbeleven? Zou ik enkel terugkijken op de ene mislukking na de andere?  Zou ik mijzelf vervloeken en verwensen omdat ik mijn tijd hier vermorste, mij onledig hield met dwaasheden en mezelf maar wat wijsmaakte? Zou ik kunnen denken dat ik ergens, als was het maar op één enkel welbepaald moment, voor één enkel iemand iets deed dat van betekenis was, blijvend, permanent. Iets goed, in plaats van onbenullig, banaal, voorbijgaand.

Of zou ik enkel willen dat ik een beetje vriendelijker voor mijzelf was geweest?

 

Advertenties

Read Full Post »

Moe.

2012 is het jaar waarin ik moe werd.

Moe van mezelf, moe van de rest. Moe van de ziekte en moe van de kuur. Moe van de kanker en van de remissie. Moe van de wereld. Moe van de wind en moe van de regen,  moe van de kilte en moe van de zon. Moe van de schaduw. Moe van de dageraad, moe van de avond en moe van alles daar tussen in. Moe van het donker en moe van het licht. Moe van de winter en moe van de herfst. Moe van april en moe van augustus. Moe van de sleur, moe van het nieuwe. Moe van de strijd, van de kleine overwinning en de nederlaag die altijd groter lijkt. Moe van de oorlog en moe van de vrede. Moe van de verklaring, de resolutie, het amendement en het veto. Moe van wat ik ken en moe van het vreemde. Moe van het weggaan, moe van de thuiskomst, moe van het afscheid en de verwelkoming. Moe van het gezelschap en moe van de eenzaamheid. Moe van de drukte, moe van de stilte. Moe van het babbelen, moe van het zwijgen. Moe van het eten, moe van het drinken en moe van de honger. Moe van het zoete, moe van het zure. Moe van de soep, moe van het vlees. Moe van de kok en moe van zijn vrouw. Moe van miljoenen en miljarden, moe van tekort. Moe van het geld, moe van het sparen. Moe van het rekenen en het tellen. Moe van de vergelijking, de integraal en de hoek. Moe van het schip, moe van de trein, de auto, de fiets. Moe van het zweven en moe van de landing. Moe van het stilstaan. Moe van de averij, moe van de pech. Moe van de berg, moe van het dal, moe van de horizon en moe van de zee. Moe van het bos, moe van de steppe. Moe van de akker en van het gewas. Moe van de stad, moe van het dorp. Moe van het land en van de provincie. Moe van de krant, moe van het boek, moe van TV. Moe van het www. Moe van de show, de glitter, de pluim. Moe van essentie, moe van overbodigheid. Moe van cultuur, moe van de kunstenaar. Moe van de schrijver, moe van de lezer. Moe van het woord en van de gedachte nog meer. Moe van het prijzen, moe van het lof. Moe van het zeuren. Moe van de titel, moe van de prijs en de medaille. Moe van erkenning. Moe van het dromen, moe van het waken, moe van het laken. Moe van de liefde en moe van de seks. Moe van het grijze en moe van de kleur. Moe van het ruiken en ook van de geur. Moe van de hond, moe van de kat, het konijn en de leeuw. Moe van het klauwen, moe van het knauwen. Moe van de zever en moe van de ernst. Moe van het mogen, moe van het moeten.

Moe van dit alles en moe van het niets.

Read Full Post »

(Los vervolg op vorige post ‘Een herinnering‘).

Enkele jaren later, het begin van mijn tweede licentie. Een paar maanden geleden is na een lange tijd van twijfelen mijn politieke engagement afgebroken, op conflictueuze wijze. Je broer die mij de toegang tot een ledenvergadering ontzegt omdat ik een ‘negatieve’ houding heb. Hij maakt zich breed in de gang. Gelijk heeft hij wel over die negatieve houding, ik kan niet langer om met hoe directieven van boven naar beneden worden doorgegeven en waar men zich naar te schikken heeft. Ik geloof dat het systeem democratisch centralisme heet. Ik moet lachen terwijl ik het schrijf.

En die paranoïa, daar heb ik het ook een beetje mee gehad. Niet – NOOIT – telefoneren van je eigen vaste lijn, want die wordt vast afgeluisterd door de Staatsveiligheid. Stoere verhalen doen de ronde over achtervolgingen en confrontaties met de flikken. Als zelfs maar een klein percentage ervan klopt, bestaat de helft van het land uit agenten van de Staatsveiligheid.

Met het aflopen van mijn lidmaatschap, komt ook het einde van mijn relatie in zicht. Niet dat het mij nog veel kan schelen, de liefde is langs beide kanten wat bekoeld. Hij moet op bevel van De Partij naar Kortrijk gaan wonen, ik wil in Gent blijven omdat ik nog een jaar studie voor de boeg heb. Het vooruitzicht me te moeten begraven in een lelijke stad in West-Vlaanderen doet me bijna walgen. Kort na de verhuis slaat hij een Kortrijkzaanse aan de haak waar hij mee gaat samenwonen. Men dient ergens beginnen met het uitbouwen van De Partij in het Texas aan de Leie, nietwaar?

Ik ben via een advertentie van 2 studenten in De Koopjeskrant terecht gekomen in een gemeenschapshuis aan het Dampoortstation. Het is er smerig, en we wassen pas af op het moment dat er in het hele huis werkelijk geen enkel stuk proper bestek te vinden is. Maar ik voel me fantastisch, vrij, licht. Alsof ik op de grens van alles leef.

Ik weet niet meer hoe of waarom, maar op de één of andere manier hebben wij sporadisch contact. Je hebt een vriendin die ik soms tegen het lijf loop op de Blandijn, maar erg toeschietelijk is ze niet. Ik weet niet waarom dat is. Op een winterse avond stappen we samen van café naar huis. Hadden we daar afgesproken? Ben ik je daar tegengekomen? Ik heb er geen flauw idee meer van. Op het moment dat jij naar links zou moeten om naar je kot te gaan blijf je rustig naast mij lopen, en zo leggen we samen de rest van de weg af, tot we aan mijn kot komen. Misschien ben je nog niet moe, misschien wil je nog wat verder praten. Jij hebt in elk geval niets gevraagd, ik heb in elk geval niets voorgesteld. Wij hebben elkaar niet aangeraakt of diep in de ogen gekeken.

Salomé

Read Full Post »

Een herinnering.

Ik hoorde je naam deze week toevallig nog eens, toen ik hem hoorde noemen door een acteur die je blijkbaar ooit in behandeling had en daar erg lovend over sprak. Natuurlijk, dacht ik, natuurlijk dat dat is wat je nu doet. Het had niets anders kunnen zijn. Met priemende blik vanachter je ronde brilletje, de eeuwige zelf gerolde peuk in je hand, stelde je me ooit de vraag: ‘de grootste tegenstelling op aarde is toch die tussen mannen en vrouwen?’. We zaten in het vochtige citéhuisje dat je broer huurde voor een paar duizend frank in de maand bij Constales. Dat Constales de naam was van een immokantoor en niet die van een geblokte Spanjaard met veel borsthaar en een snor heb ik altijd jammer gevonden.

We zullen wel een vergadering hebben gehad, al heette dat in onze termen Politiek Bureau. Je broer was de baas. De Politieke Secretaris van onze cel. Het was de bedoeling dat we de komst van De Revolutie mee zouden bewerkstelligen. Dat gebeurde in de eerste plaats door onnoemelijk veel te vergaderen. In de tweede plaats moesten we het Partijblad aan de man brengen in de studentenrestaurants. Op de derde plaats kwam het op poten zetten van allerlei onzinnige acties, waarbij er kat-en-muis werd gespeeld met de fascisten. Dat laatste was het leukste en het spannendste.

Jij jende graag je broer door tijdens vergaderingen je broer die Lenin uitlegde door Lacan te laten tegenspreken. Ik genoot daarvan, hoewel ik meer van Lenin begreep dan van die Fransman. Die middag, of avond, had zich volgens het gewone stramien weer een discussie tussen jullie beide ontsponnen over de klassenstrijd. Volgens je broer (en dus Lenin) was het simpel: de enige juiste tegenstelling was die tussen de de kapitalisten en de werkende mensen. Jij had er een handje van weg om daar als een lastige kleuter met een wijsneus op vraagtekens bij te zetten. Je broer ging altijd eerst serieus op je vragen in, al was het maar om ons te laten zien dat jij het heus niet bij het rechte eind had. En ook een beetje om te bewijzen dat je meer wist. Jij zette hem als een slimme schaker zet na zet mat tot hij geen kant meer uit kon en moest besluiten dat Lacan en Freud contrarevolutionairen waren en ook nog verraders van de arbeidersklasse.

Dus toen wendde jij je tot mij: ‘Maar allez, de grootste tegenstelling hier op aarde is toch die tussen de mannen en de vrouwen?’. Ineens was ik geen geamuseerde toeschouwer meer, maar moest ik partij kiezen tussen jou en je broer. Ik vond jou toffer, maar ik begreep geen knijt van wat je bedoelde. Op de één of andere manier was ik mij nog niet bewust van dat mijnenveld dat de ene sekse van de andere scheidt. Bovendien: je broer was de baas.

Lacan.

Read Full Post »

Er komt een dag.

Er komt een dag dat je het je allemaal niet meer aantrekt.

Je ziet de bebrilde koppen van politici op TV, je hoort hen dingen als ‘onverkort’ of ‘krachtdadig’ wauwelen. Ze betreuren de dingen ten zeerste. Ze hebben dit en ze hebben dat. Ze zullen zus en ze zullen zo. Ze kijken ernstig, fronsen. En ik denk gast. Ik denk kerel, stop toch met dat gezever. Ik denk vrouwmens, hoe leef jij met jezelf en al die stierenstront die je me met een uitgestreken gezicht probeert te verkopen? Kwaad kan ik me er niet meer in maken. Het heeft geen zin.

Er komt een dag dat het je niet meer kan schelen.

Het is te veel. Het is te veel en tegelijkertijd te weinig.

Te veel: rommel, junk, afval, meer van hetzelfde, oude wijn in fancy zakken, geschreeuw en geroep, aanstellerij, hysterie, snel-snel-snel we prutsen iets in elkaar, merchandising, glossy magazines bij de krant, dwaas geblaat, stompzinnigheid, borsten van plastiek, broekschijterij, verspilling, overbodige spullen, onbenullige prijzen, plaatjes voor het goede doel, nodeloos gekwetter, onzin, uitholling, tweedehands emoties, kortzichtig gezaag, herhaling, herhaling, herhaling.

Te veel: klootzakkerij en duwen op plekjes die zo al zeer genoeg doen. Rancune, achterklap en stemmingmakerij. Valse verontschuldigingen, loze beloftes, doorzichtig gemanipuleer. Mensen die je via je kind onderuit proberen te halen en daar in slagen. Onbeantwoorde vragen, doodse stilte na het insturen van een verhaal hier en ginder.

Te weinig: treffende woorden, korte zinnen, bedachtzaamheid, nadenken voor het spreken, moeite voor een ander, stilte, aandacht, diepgang.

Ik ben moe en onbenullig. En de afwas wacht.

 

Read Full Post »