Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Kunst’ Category

Het Guislain-museum in Gent is zo’n beetje het zwart schaap van de Gentse musea. Het ligt niet in de stad, je struint er niet toevallig binnen en er is al helemaal geen trendy brasserie met designmeubelen en hipsterbier te vinden. Het is gevestigd midden in de school en psychiatrische kliniek die werden opgericht door wijlen Dokter Guislain. Je kunt de man zo’n beetje beschouwen als de grondlegger van de psychiatrische geneeskunde in België én hij brak een lans voor de menswaardige behandeling van geesteszieken. De vaste collectie neemt je mee in de geschiedenis van de psychiatrie, en dat is bijwijlen behoorlijk griezelig. Maar regelmatig zijn er ook gelegenheidstentoonstellingen die van dicht of van ver iets met het thema psychiatrie te maken hebben.

De tentoonstelling die nu loopt ‘Een andere wereld (Laboratorium van waan en fantasie)’ past natuurlijk perfect in dat plaatje. Sowieso is het thema al voer voor diepzinnige gesprekken op cafe. Wanneer wordt fantasie ziekelijk, waar ligt de grens tussen creativiteit en waanzin? Wanneer ben je een visionair en wanneer een verkoper van gebakken lucht? Zijn hallucinaties en deliria boodschappen van een andere dimensie?  (Conclusie: ik moet dringend meer op café, zeker deze maand nu iedereen thuisblijft wegens tournee minerale).

In ‘Een andere wereld’ worden 2 kunstenaars die onder de noemer art brut of outsider art vallen met elkaar geconfronteerd. (Art brut/outsider art = kunst die gemaakt wordt door ‘outsiders’, dikwijls psychiatrische patiënten die de waan of de psychose proberen te bedwingen. Een geweldige collectie ontdekte ik enige jaren geleden bij toeval in Lille, in het LAM. Allen daarheen dus).

Maar goed, terug naar ‘een andere wereld’. In het eerste deel van de tentoonstelling zie je tekeningen van ene J.J. Grandville. Een Franse tekenaar die onder andere Gulliver’s Reizen illustreerde, maar die er op een gegeven moment genoeg van had om zijn talent ten dienste te stellen van anderen. In 1844 brengt hij ‘Un Autre Monde’ uit, waarin hij door middel van tekeningen scherpe kritiek uit op – hou je vast – de vooruitgang die veel te snel gaat, de opkomst van de stoommachine die voor veel te veel lawaai zorgt en de manier waarop reclame en advertenties het serieux van dagbladen en tijdschriften ondermijnen. Ook onder die zon niets nieuws. In zijn illustraties spelen dieren een grote rol, uiteraard om de ‘condition humaine’ en al haar lelijke en kleine trekjes dik in de verf te zetten. Na een persoonlijke tragedie (eerst sterven zijn 2 oudste kinderen, nadien blijft zijn vrouw bij de geboorte van nummer 3 in het kraambed) brengt hij zijn laatste jaren door in een psychiatrische instelling. Zijn illustraties werden door Queen en Alice In Chains gebruikt als artwork op hun albums.

img_20170205_144527_550

Het tweede grote deel van de tentoonstelling is gewijd aan ene Gustav Mesmer. En nee, dat is niet die van het Mesmerisme, dat is Karl Anton en die was al dood voor er van Gustav sprake was. Het is maar om de verwarring voor te zijn. Aan dit stuk van de expositie heb ik het meeste plezier beleefd. Gustav is de originele Panamarenko, die allerlei constructies ontwikkelde om over de hoge muren van de psychiatrische instelling te kunnen vliegen. Dat vliegen is hem nooit echt gelukt, maar hij slaagde er wel in om verschillende keren te ontsnappen. Jammer genoeg duurde zijn herwonnen vrijheid nooit lang. Was het zijn familie niet die hem terugstuurde, dan wel de dorpelingen die hem en zijn fratsen al een beetje begonnen te kennen. Ik vertel het wel allemaal alsof het grap is, maar eigenlijk is ’s mans levensloop bijzonder treurig. Hij wordt nochtans geboren in een vrij welgestelde familie (1903), maar loopt veel schoolachterstand op door lange verblijven in het ziekenhuis. Bovendien zorgt WW I er ook nog eens voor dat hij de school helemaal achter zich moet laten. Op zeer jonge leeftijd moet hij als boerenknecht de kost verdienen, later is hij 6 jaar novice in een klooster. Omdat hij zijn ‘echte’ geloften niet mag afleggen keert hij terug naar huis. Hij wordt timmerman (autodidact) en verstoort in 1928 in een aanval van godsdienstwaan een kerkdienst. Hij belandt in de psychiatrie en zou er pas in 1964!!! uit worden vrijgelaten. Vlak voor zijn dood mocht hij het gelukkig nog meemaken dat zijn werk op het Duitse Paviljoen werd getoond op de wereldtentoonstelling van Sevilla (1992).

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Advertenties

Read Full Post »

Gisteren schreef ik voor het werk iets over brutalisme in webdesign. Dat is natuurlijk een van de heerlijke voordelen aan een job in een iets creatiever bedrijf waar het er toe doet hoe de dingen er uitzien. Na jarenlang tekstjes schrijven over de voordelen van deze of gene software is het een verademing.

Maar goed, brutalisme. Ik ga me niet voordoen als een grote kenner van architectuur, tot een paar maanden geleden had eigenlijk nog nooit van de term (of de bouwstijl) gehoord. En toen ontdekte ik een aantal foto’s van gebouwen in brutalistische stijl uit het Sovjettijdperk. Het was liefde op het eerste gezicht, zowel met de term als met de gebouwen. Het woord ‘brutalisme’ beschrijft ook zonder veel omhaal de stijl accuraat, het is niet moeilijk om je in te beelden over welke soort gebouwen het gaat. Ik hou ervan hoe ze het landschap domineren, opeisen en overheersen, of het nu gaat om een stadslandschap of een ruraal gebied. De stille dreiging die ervan uitgaat, de imposante grootsheid. Maar ook het gebrek aan afwerking. Alsof de constructie op de een of andere manier arrogant heeft beslist dat het al die tierlantijntjes niet nodig heeft om af te zijn.

Het is natuurlijk niet toevallig dat de bouwstijl opgang maakte vanaf de jaren ’50. De oorlog was net afgelopen, het verwoeste Europa moest in ijltempo heropgebouwd worden, de desillusie verwerkt. De koude oorlog diende zich aan en de bom ging vallen dus veel ruimte voor frivoliteiten was er niet. Die ernst en somberheid voel je ook in die constructies, je hebt niet het gevoel dat het binnenin een zee van licht en vreugde is. Tegelijkertijd doen de ruimteschipachtige vormen van sommige complexen je dromen van andere en verre werelden, je hoeft enkel het gebouw binnen te gaan om te ontsnappen.

Dat ik een zwak heb voor esthetiek die wat inspanning vereist om ‘mooi’ gevonden te worden komt natuurlijk omdat ik er mijzelf mee identificeer. Ik ben zelf ook moeilijk, weinig toegankelijk. Eerder afstandelijk en soms koud. Rationeel en weinig hartelijk. (There’s nothing you can throw at me/ That I haven’t already heard).

En ook als het gaat over brutalisme in webdesign, dan dekt de term de lading erg goed. Het gaat niet enkel over ruw en rudimentair design, maar ook over een totaal afwijzen van UX (gebruikerservaring). Want laten we wel wezen: gebruikerservaring is er in de eerste plaats op gericht om je zo snel mogelijk te laten ‘converteren’. Klant worden, iets downloaden, kopen. En die ervaring zo lekker en smooth laten verlopen dat je er niet genoeg van krijgt.

Brutalistische websites hebben daar lak aan. Ze zien eruit alsof ze uit de jaren ’90 stammen, met lelijke kleuren en dito lettertypes. Ze werken op je zenuwen omdat niet functioneren zoals alle andere sites uit het tijdperk van de klant centraal stellen en je snel en zonder fout en superlogisch van de ene naar de andere pagina loodsen (en voor je het weet heb je je e-mailadres achtergelaten of je creditcard gegevens ingevoerd). Ze zijn irritant, traag en lomp. En ik vind ze zonder meer geweldig.

Read Full Post »

Nu – bij mij althans – de voetbalgekte over is, was het gisterenavond nog eens tijd voor een schaamteloos intellectueel divertissement. (Zo leef ik, mijzelf voor kortere of langere termijn verliezend in een beweging, een doel, een evenement, een hype. De enige constante is dat het sowieso weer overwaait, vroeg of laat. Het is uiteindelijk slechts een kwestie van tijd voor de dingen mij vervelen.)

Chantal Akerman dus. Ik hoorde voor het eerst over haar op Klara, tijdens het onvolprezen cultuurprogramma Pompidou. Het moet een jaar of 2 à 3 geleden zijn, ze leefde nog. Er was ergens een retrospectieve en iemand op de radio noemde haar toen de grootste Belgische cinéast en ik had er geen idee van wie ze was. Vorig jaar maakte ze een einde aan haar leven en werd ze tot in The New Yorker geprezen voor haar werk. Het moet nogal een sensatie geweest zijn in de jaren ’60 en vroege jaren ’70 toen Akerman op de proppen kwam met films die draaiden rond banaliteit en verveling, het mundane leven van huisvrouwen dat voordien onzichtbaar was. We hebben het dan over het echte leven, niet over het opgeblonken plaatje van jaren ’50 huisvrouwen dat in de reclame werd opgehangen.

Haar achternaam intrigeert me. Geen c of dubbele k na de A, waardoor die dus lang wordt, of dof. In elk geval geen ‘akker’, al zal het uiteindelijk wel op hetzelfde neer komen als je het etymologisch zou bekijken.

Mijn lief keek naar Duitsland tegen Italië, ik zette mijn koptelefoon op en doorbladerde YouTube op zoek naar Jeanne Dielman, maar het werd dus L’Homme à la valise (The Man with the Suitcase). Gedraaid ergens begin jaren ’80, maar (her)uitgegeven door Centre Pompidou in 2004.

Een vrouw – Chantal Akerman zelf? (in elk geval speelt ze de hoofdrol) – keert na 2 maanden terug (van waar of wat?) naar haar appartement om te werken. Behoedzaam probeert ze zich de ruimte weer toe te eigenen, herontdekt ze haar eigen plek. Ze opent ramen, bekijkt of het uitzicht nog hetzelfde is als toen ze het achterliet. Het lawaai van de straat? Dat gaat allemaal goed en wel tot blijkt dat de vriend die ze tijdens haar afwezigheid in haar flat liet logeren er nog altijd is. Wat volgt is een claustrofobisch en neurotisch-obsessief spel waarbij Akerman er niet in slaagt Henri te zeggen dat hij moet vertrekken. Ze verstopt zich bijna in haar eigen appartement en probeert haar bezoeker op alle mogelijke manieren te ontwijken. Meticuleus houdt ze schema’s bij van zijn komen en gaan, wanneer hij opstaat en zijn tanden poetst om haar eigen leven en werken daaraan aan te passen. Het begint met irritatie en het eindigt in complete vijandschap, een soort geweldloze loopgravenoorlog. Om die niet te verliezen durft ze op den duur haar flat niet meer te verlaten, laat ze haar boodschappen aan huis brengen.

Ik snap het wel, de weigering om (creatieve) arbeid te verrichten terwijl er iemand anders in de buurt is. Het vergt een hoge mate van intimiteit omdat je je tijdens het schrijven lijkt bloot te geven, er ligt altijd één of andere vorm van schaamte op de loer. Akerman kan evenmin werken als haar ongewenste gast te lang afwezig is, dan obsedeert ze over zijn terugkomst. Het is ook altijd wat.

De hele film is opgenomen in het appartement, waar we haar via een nauwe gang van de keuken naar haar werkkamer zien sluipen. De enige keren dat er gepraat wordt in de film is tijdens de toevallige ontmoetingen tussen Henri en Akerman. Muziek weerklinkt er nauwelijks, en dan nog alleen als de radio of de televisie op staat (Dogma 95 voor Dogma 95 zeg maar). Het is arty-farty natuurlijk, maar er gaat toch een zekere betovering van uit. De eenzaamheid, de lange, trage shots, de plotse uitbarstingen van absurd/grappige momenten. Ze noemde zichzelf een vrouwelijke Charlie Chaplin, en dat is niet eens zo gek bekeken. Bittere tragedie verzoeten met lichtjes surreële momenten, dat heeft ze in elk geval met hem gemeen.

Soit, Akerman zal nooit een groot publiek vinden. Dat hoeft ook niet.

En zoals de clichés het willen wonnen de Duitsers de match.

chantal1

 

Read Full Post »

Mijn hoofd hangt achterover in de wasbak. Mijn ogen gesloten, ik voel hoe de leerling-kapster door mijn haren woelt. Met een onverwacht sterk West-Vlaamse tongval vroeg ze me daarstraks of ze de massagefunctie van mijn stoel mocht aanzetten. (Dat mocht). Traag wordt nu mijn rug gekneed door een onzichtbaar mechanisme onder het nepleer van de stoel waarop ik zit. Op hetzelfde ritme als het gekneed voel ik misselijkheid opkomen en terug wegebben. Ik denk aan La Nausée en de Engelse variant ervan, nauseous. Het is alsof ik het woord op mijn tong proef, met de vette sisklank in het midden. La Nausée. Van die woordcombinatie gaat dan weer een onbestemde dreiging uit, ietst groots dat een mens teneer drukt. Ik moet het in het Nederlands doen met misselijk, alsof het een vergissing is.

Hoofdpijn. Altijd hoofdpijn. Ik merk het pas als ik opsta en eens geen hoofdpijn heb. Virussen verschuilen zich in mijn bloed, ik voel me op en af ellendig. Ik kan niets denken en ik kan niets doen. Ik weet dat ik moet rusten. In mij ijsbeert de onrust als een leeuw in een kooi. Ik moet actief zijn, productief zijn, resultaten laten zien, niet in ijdelheid mijn dagen doorbrengen. Ik moet voortdoen, afwerken, schrijven, afwassen, dweilen, douchen, eten maken, lezen. Geld uitgeven.

Niets krijg ik gedaan, geen letter op papier. Nergens zin in, er blijft niet veel van mij over behalve woede en ergernis. De manier waarop wij behandeld worden, ons laten behandelen, zelf anderen behandelen. De kortzichtigheid, het eigenbelang, de lafheid, de principeloosheid. (Och zwijg toch. Altijd met dat zelfde gezaag).

De coiffeuse komt zelf mijn haar uitspoelen en merkt op dat ik veel haar verlies. Dat weet ik, en dat is altijd zo geweest maar haar observatie is goed wat milde paniek. Word ik kaal? Mijn haar is al zo dun. Is er iets aan te doen? Gelukkig heeft ze folders en pillen en shampoos, serums met geheimzinnige molecules die je haar dikker maken of het er toch zo laten uitzien. Uiteindelijk wint mijn aangeboren luiheid het toch en doe ik niets (behalve dan een namiddag driftig rondsurfen op zoek naar wetenschappelijk verantwoorde remedies. Eens ik begrijp dat die er zijn ben ik genoeg gerustgesteld en rust ik op mijn lauweren).

Later merk ik dat het kleuren niet zo goed gelukt is, een pluk grijs vooraan is grijs gebleven. Ach ja.

Ik ontwijk nieuws, kranten, tijdschriften omdat de inhoud mij deprimeert en quasi overal hetzelfde is. Radio verdraag ik nauwelijks nog, meestal Klara, een enkele keer Radio 1 maar dan enkel na het ochtendblok. Het is alsof ik allergisch ben geworden aan die hap-snap formats waarbij een onderwerp ten gronde behandeld moet worden in 10 minuten of minder. Soms vraag ik me af of ik gewoon in en dipje zit of er iets anders aan de hand is. (Er is niets anders aan de hand).

Er is kunst. Een boek dat je leest en dat altijd op merkwaardige wijze aansluit bij wat er in je leven speelt op dat moment.

Op zondagmorgen schuifel ik met zoveel anderen over het speciaal daarvoor donker gebeitste parket van het SMAK. Op zoek naar schoonheid en naar de troost die zij mag bieden. Er zijn dekens en verwrongen karkassen waarin je nog een half mens herkent. Het indrukwekkende paard dat ophangt in een grote ruimte en dat je zou willen strelen.

Er is angst, er is schaamte maar er is ook de belofte van tederheid en zorgen voor. (Misschien ben ik aan de beterhand).

WP_20141019_006

Read Full Post »

De zijlijn.

Geamuseerd sta ik aan de zijlijn. Niet om instructies uit te delen (ben je gek?), wel om te gniffelen met het schouwspel dat zich in de arena afspeelt en me tegelijkertijd te verwonderen over het gedrag van de hordes supporters op de tribunes. De koele kinderen met hun broek vol swag die zich anders nooit buiten wagen zonder de kapmantel van de ironie beschermend om de schouders geslagen laten zich volledig gaan. Nu mag het, nu mag de adrenaline vrijuit stromen en mag de passie eindelijk van de ketting. Het eeuwige schouderophalen (kan het mij wat schelen vraag ik je?) wordt vervangen door gebalde knuistjes in de lucht.

Week na week wordt bijna geruisloos de opdracht van informateur De Wever verlengd. Er wordt wel wat over geschreven, maar echte aandacht vangt het allemaal niet. Misschien moeten we verkiezingen telkens rond een uitbarsting van brood en spelen organiseren, dan zijn we tenminste verlost van politici die zich schwalbegewijs (en dus in de hoop een tegenstander een gele kaart te bezorgen) met veel theater druk maken om niets. Nu het alziende Saurons-oog van de media ander vertier verslaat is er misschien een kans op iets dat op visie lijkt in het beleid te smokkelen. (Ik ben naïef, ik weet het).

Ik ging naar de dokter en weet je wat hij zei? Weet je wat hij zei? Hij zei dat hij het ook niet wist en dat ik rusten moest. En ademen, maar niet te snel. Maar opgewonden ben ik wel. (Vorige week kreeg ik bericht dat een verhaal dat ik instuurde voor de kortverhalenwedstrijd uitgeschreven door de krant ‘Brussel Deze Week’ bij de 8 laureaten zit en dus ergens deze zomer gepubliceerd wordt. Volgende week valt het officiële verdict met een prijsuitreiking en ik hoop dat Marc Didden er zal zijn met wie ik natuurlijk niet op de foto zal durven. Ben je gek? Laat die mens toch met rust, en daarbij: hij heeft wel wat anders te doen).

Omdat ik nog altijd leef alsof ik hier eeuwig zal zijn (ondertussen begint het besef binnen te sluipen dat ik waarschijnlijk al over de helft zit en ik mij dus beter wat zou haasten, maar daar komt vooralsnog niet veel van in huis) loop ik qua literatuur en films bijna een goed decennium achter. Zo komt het dat ik pas enkele weken geleden de in mijn ogen uitstekende prent ‘A Winter’s Bone’ zag. Sterke vertolkingen, zeer sfeervolle fotografie en een goed verhaal. Het is zo’n film waarin veel gezwegen wordt en die deels lijkt opgebouwd uit losse fragmenten waarvan het niet altijd onmiddellijk duidelijk is welke plaats die in het verhaal innemen. Je moet er wel even je hoofd bij houden dus. Ik hou daar wel van, van dat lichtjes dwingende karakter van een film of een boek waarin alles belangrijk is zodat je aandacht volledig wordt opgeëist. De setting van het verhaal deed me denken aan Tartt’s The Little Friend, aka de meest gehate roman van het Westelijk halfrond of zoiets. In tegenstelling tot de rest van de wereld heb ik dat boek jaren geleden wel graag gelezen, en de broeierige sfeer ervan blijft me tot vandaag bij. Er zijn een aantal sleutelscènes die ik me nog altijd haarscherp herinner. Ter vergelijking: een paar weken geleden las ik Barnes ‘A sense of an ending’ en ik moet al diep in mijn geheugen graven wil ik mij nog het verhaal voor de geest halen.

Weet je wat ik ook grappig vond? De zoveelste poging tot vadermoord van Peter Casteels op Joël De Ceulaer. De laatste schreef een boek getiteld ‘Gooi God Niet Weg’ en Casteels schoot in (uit?) zijn atheïstische krammen op zijn blog. Ik Heb Altijd Gelijk is de redelijk pompeuze titel ervan, en als kritische Freudiaan met een hekel postmoderne ironie zal ik Peter natuurlijk nooit geloven als hij mij zal willen overtuigen van het postmoderne ironische gehalte van dat label. In zijn boek probeert De Ceulaer te doorgronden waarom pakweg 3/4de van de wereldbevolking nood heeft aan een godsbeeld. Casteels’ steen des aanstoots is de manier waarop De Ceulaer geen heil ziet in kunst als manier om de mensheid naar een hoger kennisniveau te tillen. Om het ongelijk van Joël te bewijzen komt Peter aandraven met het feit dat hij van een reeks als The Wire veel geleerd heeft over het drugsmilieu van Baltimore en de  werking van de politie aldaar. Jaja, dat is natuurlijk wereldse kennis waar een jonge kerel uit wat is het? Antwerpen? iets aan heeft. Voor wie kennis op wil doen over het misdaadmilieu in Halle en omstreken kan ik kunst aanraden in de vorm van Witse, en van Hubert Damen kunnen we collectief leren wat politiecommisarissen op leeftijd drijft.

Moeha.

Read Full Post »

Blanco

In een niet nader genoemde grote stad van een niet nader genoemd land wordt het volk op een zonnige zondag naar de stembus gesommeerd. Nu ja, zonnig. Eigenlijk regent het zo hard dat de voorzitter van een niet nader genoemd stembureau zich afvraagt of de zondvloed is begonnen. Tegen de middag breekt plots de zon door, en in een lichtjes feestelijke stemming komt de bevolking haar stem uitbrengen. Tot grote verbijstering van de machthebbers zijn die overwegend blanco. In die mate zelfs dat het niet uit te maken valt welke partij heeft gewonnen en wie de verliezers zijn. Na gepalaver over en weer wordt beslist om de stemming een week later te herhalen, en ondertussen worden de burgers bestookt met de oproep om hun verantwoordelijkheid te nemen. Er worden complotten vermoed van staatsontwrichtende radicale fracties die de geesten en de harten van brave mensen hebben vergiftigd.

Het resultaat van de volgende stembusgang is geen verrassing. Nog massaler dan de vorige edities dwarrelen de oningevulde stembiljetten uit de urnes. De politici plegen overleg op het hoogste niveau, de legertop wordt er bij gehaald en de stad wordt in quarantaine geplaatst. Zonder politici – zo is de redenering – is het een kwestie van dagen vooraleer de chaos regeert en zal er gesmeekt worden naar de terugkeer van het politieke establishment.

In de stad gaat het leven ondertussen gewoon door. De aangekondigde staking van de vuilnismannen waar de overheid voor één keer naar uitkeek wordt opgeschort. De scholen blijven open, de ziekenhuizen, de winkels, de restaurants … Alles functioneert en de sfeer is gemoedelijk.

Hoe dit verhaal verder afloopt leest u zelf wel in ‘De Stad der Zienden’ van Saramago. Het boek is voer voor de stelling dat noch in de politiek, noch in de rest van ons bestaan ooit zaken gebeuren die al niet beschreven werden in de literatuur. Wie het leven wil kennen moet lezen, of zich op een andere manier aan kunst blootstellen.

Voor één keer kijk ik uit naar maandag, omdat ik hoop dat deze circusvoorstelling ‘kiescampagne’ geheten dan eindelijk voorbij zal zijn. Ik ga stemmen voor de goeie van mij, jij voor de goeie van jou.

Er zijn dingen waar de politiek niet bij kan. De vraag is: hoeveel geduld heb je met een kind dat zijn wiskunde niet begrijpt en tranen in de ogen heeft van frustratie? Neem je de auto om naar de apotheker te gaan of haal je toch de fiets van stal? Loop je de kantjes er af, melk je het systeem uit gewoon omdat het kan en het net niet illegaal is? Rijd je het gras of laat je het groeien? Ga je uit of blijf je thuis? Hoe hard erger je je aan kinderen die spelen in het park? Sta je op of blijf je zitten in de bus? Wassen op 40° of op 60°?

De absurde banaliteiten van ons dagelijks gespartel en de keuzes die we maken.

We kunnen blanco stemmen. Blanco leven dat gaat niet.

 

Read Full Post »

Een lans voor Klara.

Op het facebookprofiel van mijn moeder zie ik door middel van haar virtuele duim omhoog de pagina “Ja, ik luister naar Joos op Radio 1” verschijnen. Ja, ik luister ook naar Joos op Radio 1 als het kan. Meestal kabbelt het programma vriendelijk verder op de achtergrond terwijl ik aan het werk ben. Ruth Joos heeft een aangename stem, een vlekkeloze uitspraak en als ik de verzamelde auteurs en acteurs mag geloven die de laatste weken over elkaar heen vielen om schande te roepen over de aankondiging dat het programma zal afgevoerd worden beschikt ze over een warme persoonlijkheid en zoveel liefde voor haar vak dat ze zelfs de boeken las die zich ter bespreking aandienden. Als ‘Joos’ (het programma, niet de vrouw!) een hond was, dan vast een goudgele labrador. Zo eentje die altijd vrolijk blaffend en met wapperende oren de weggegooide stok netjes komt terugbrengen en die je rustig kunt vertrouwen met de kleine. Het is moeilijk om boos te worden op lieve labradors, je voelt je altijd een beetje een miserabele klootzak als je zo’n beest een uitbrander geeft.

Terwijl ‘Joos’ nog voor even gemoedelijk door de ether zweeft werd op Klara geruisloos het cultuurprogramma ‘Babel’ afgevoerd. Als ‘Joos’ (het programma, niet de vrouw!) een labrador is, dan was ‘Babel’ een dolfijn of zo. En dan heb ik het niet over zo’n sufgetraind dier dat ter vermaak van kleine kinderen en hun grootouders in één of ander dolfinarium rond tuimelt in ruil voor een haring. Nee, Babel was nieuwsgierig, buitelend, verfrissend, onverwacht. Babel was de schatkist op de stoffige zolder van je grootmoeder en waar je onverwacht de ene na de andere onontdekte parel kon opdiepen. Het kon al eens een kwartier of langer over opera gaan, bijvoorbeeld. En in tegenstelling tot ‘Joos’ viel er al eens een woord van gefundeerde kritiek te horen. Zo luisterde Erna Mettepenningen eens een autorit huiswaarts op door minutenlang ongecensureerd haar gal te spuwen over de enscenering van ‘Carmen’ door de Amerikaanse regisseur Daniel Kramer. Gloeiend van verontwaardiging en met een Gents accent dat steeds sterker leek te worden wond ze zich op over de vulgariteit ervan en hoe het hoofdpersonage werd gereduceerd tot nauwelijks meer dan goedkope hoer en hoe dat de oorspronkelijke tekst en boodschap van het personage geen recht deed. Maar het was wel goed gezongen, voegde ze er achteraf nog aan toe. Ik zat bijna te schateren achter het stuur, en ik heb thuis direct gekeken of ik nog een ticket kon kopen voor de voorstelling. Niet omdat ik de kritiek niet geloofde, maar omdat ik me beter zou gewapend gevoeld hebben tegen de eigenzinnige interpretatie van de regisseur.

In ‘Babel’ werden ook de minder aaibare kneusjes van cultuurland gedoogd. Enfin, kneusjes. Ik bedoel eigenlijk de dichters of de auteurs die minder mainstream zijn dan Bart Moeyaert bijvoorbeeld. (Niets tegen Bart Moeyaert hoor, maar soms wordt een mens een beetje moe van al die labradors). Zo mocht Annemie Tweepenninckx eens Judith Herzberg interviewen in een studio in Hilversum, terwijl Annemie in Brussel zat. De wonderen der techniek hé! Het moest gaan over de nieuwe bundel van de dichteres, ‘Klaagliedjes’. Haar interpretatie van het Bijbelboek ‘Klaagliederen’ was dat. Wie zich het moeizame interview van Joos met Nolens nog herinnert moet zeker eens het gesprek tussen Tweepenninckx en Herzberg beluisteren. (Dankzij de wonderen der techniek kan dat hier). Ik hoorde het, alweer toen ik van het werk naar huis reed en ik klemde mijn handen om het stuur toen. Het ging hortend en stotend, het misverstand regeerde. Toen alsnog ontdooiing en een interview dat kleurde buiten de lijntjes van de regie. Achteraf zei Annemie Tweepenninckx dat ze haar twijfels had gehad om het uit te zenden, maar ik was heel blij dat de redactie toch besloot om het te doen.

Nu is Babel vervangen door een uurtje Pompidou. Ook cultuur, daar niet van. Maar wel een uur minder lang. Vorige week hoorde ik Yves Desmet  zich tijdens dat uurtje middels een voorgelezen cursiefje zijn beklag doen over de aangekondigde verdwijning van Joos. Hij besefte waarschijnlijk niet eens dat hij die uitspraak deed tijdens het tijdsslot waar tot voor enkele maanden een aantal mensen met hoorbare liefde voor hun vak een werkelijk uitstekend cultuurprogramma maakten. Moeilijk en compromisloos, en al helemaal zonder de makkelijke invulling van cursiefjes die de meningencultuur van vandaag zo nodig lijkt te hebben.

Waar Annemie Tweepenninckx is gebleven is me een raadsel. Misschien moet iemand wel eens Child Focus verwittigen en melding maken van een onrustwekkende verdwijning.

Begrijp me niet verkeerd, het is jammer dat Joos op het kapblok komt te liggen. Auteurs, acteurs, dansers, regisseurs en iedereen die van mainstreamcultuur zijn beroep heeft gemaakt zal op zoek moeten gaan naar een andere manier om zijn boek, film, bundel of voorstelling te pitchen. Bij Joos kan dat nog even, het is een programma op een grote zender dat door nogal wat mensen beluisterd wordt. Langs de andere kant: kunnen we ophouden met doen alsof we bij Joos terecht kunnen voor diepgaande analyses en ontdekkingen buiten de platgetreden paden? Zoals Peter Casteels op Apache al opmerkte wordt het programma voornamelijk gevuld met aankondigingen van de cultuurindustrie.

Het is een beetje tekenend voor de staat van wat we dan maar de intelligentsia van vandaag zullen noemen dat men – terecht hoor – op de achterste poten staat op het moment dat een programma als Joos dreigt afgevoerd te worden terwijl je niemand hoort over de geruisloze slachting van Babel. Uiteindelijk regeert de middenstand nog altijd het land.

Read Full Post »

Older Posts »