Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Reizen’ Category

Melancholia.

Ik heb deze zomer nooit helemaal begrepen, nooit helemaal gevat. De dagen werden uitgerokken tot ze doorzichtig waren, ik bekeek ze achter glas. Het is alsof je je geliefde streelt met rubberen handschoenen aan. De regen valt en valt en valt. Ik ben geheel uit onrust opgetrokken nu, mijn lichaam vertrouwt me voor geen meter. De hele dag worstel ik met het leven. Een weerbarstige telefoon, het stof dat uit het niets verschijnt in hoeken en in kieren. Afwas, rommel en vuile ruiten. Sleutels die verdwijnen, planten die verkommeren. Op het werk wordt mijn blik wazig, mijn gedachten dwalen af. De tredmolen stopt nooit. De aarde draait rond haar eigen as aan 1674 kilometer per uur, de dagen snellen voorbij. Het enige wat ik doe is bijbenen en achter de feiten aan hollen. De wereld is te wreed geworden en ik wil het niet meer weten.

(In het jaar 2006 reed ik met mijn vrienden helemaal naar het Zuiden van Europa. Een karavaan van vluchtelingen voor het leven. De Extremadura bleef maar duren. Woestijn, een eindeloze autostrade en veel tankstations. Ik vreesde en ik hoopte dat ik zwanger was – niets van dit alles was waar. Het was loeiheet in Portugal, ik verdorde waar ik bij stond. De bomen in het landschap waren klein en krampachtig, enkel aan de kustlijn ontdekte ik wat kleur. Een koffie voor een paar centen, de gebronsde mannen spraken Frans. In hun eigen taal sprak de herinnering aan de wereldnatie die zij ooit waren, heersend over zeeën. Na 2 weken stak de zon mij grondig tegen, de hitte benam me de adem. Ik verlangde naar de koelte van het normale leven, naar regen op mijn huid. En ik dacht dat je ondertussen terug zou zijn gekomen. Vanuit Spanje reed ik in ruk door naar huis, als een waanzinnige jockey joeg ik mijn reisgenote op. Lange ritten, korte pauzes. Een koffie hier en daar, en vooral veel onrust om me wakker te houden. Op de ring rond Parijs begon het eindelijk te regenen, ik was opgelucht. Dit kende ik. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik een ongeval gebeuren, ik duwde op het gaspedaal. Misschien was de auto achter mij in de problemen geraakt door een onverwacht manoever dat ik had gemaakt tijdens het wisselen van rijstroken. Het kon me niet schelen, ik hield mijn blik gefocust op de borden boven de weg. Naar het Noorden, naar huis.

Het duurde twee dagen voor ik het zoemen in mijn oren en ogen kwijt raakte. De regen kletterde tegen de ramen, dag na dag. Ik bracht 14 dagen in de zetel door, omdat ik dan zeker de bel zou horen als jij kwam. Een andere man bood mij onbijt aan. Ik weigerde beleefd. Verder herinner ik mij niet meer zoveel, behalve de eenzaamheid die mij verpletterde).

Ik hou niet meer van dikke regendruppels in de zomer nu.

Het membraan dat mij van de rest van de wereld scheidt. Ik wil schreeuwen ‘heb mij lief’, maar ik ben luchtledig en ik durf niet bovendien.

Advertenties

Read Full Post »

Terug/Weg

Verdwalen in de statige steden van het oude Europa, dat anachronistische continent dat niet meer weet waar het begint en waar het eindigt.  Deze breedsprakerige boulevards en weidse pleinen droegen vroeger andere namen en behoorden andere landen toe. De geschiedenis golft heen en weer, volkeren spoelen aan als wrakhout op oevers van rivieren. Ze drogen hun kleren, rechten hun rug en bouwen wijken en kwartieren waar ze bidden wonen werken. Hun bloed verdunt, hun taal wordt week, ook hun levens behoren nu deze stad toe. Geschiedenissen worden legendes, kronieken van verbeelding en wensdromen. We kennen de generaals, de keizers, de rijkaards en de grootheidswaanzinnigen. We zijn de dienstmaagden vergeten, de leerlooiers, de beenhouwers, de bakkers. Als het goed is krijgen ze een achterafstraatje toebedeeld.

In dit kluwen van veldslagen, invasies, heersers die komen en gaan, grenzen die schuiven en weer teruggelegd worden, migraties van verre volkeren moet iets gedestilleerd worden dat identiteit heet. Er is taal, religie, grond, beroep. Stambomen die uitgevonden worden en waar men zich aan vastklampt zoals een drenkeling aan een stuk van de mast. We proberen de uitkomst te zijn van een vergelijking met louter onbekenden. We graven onze wortels op en poetsen de blazoenen tot ze blinken in de zon. We negeren de moordpartijen op onschuldigen, de armoede, de hongersnoden, de domheid, het slaafse volgen van volksmenners en poujadisten.

In Boedapest laat ik mij leiden door mijn nieuwsgierigheid, ik slenter en ik stop. Onbeschaamd dring ik onverwachte binnenpleintjes in, negeer de meisjes en hun koffies. Ik kijk naar boven en zie spuwertjes en versierde frontons. Bloembakken en andere tekenen van leven. Ik zweet en op het einde van de dag doen mijn voeten zeer. Heel de stad lijkt aan het knutselen geslaan. Klokken van oude vinylplaten, tassen van overbodige mesh banners, juwelen, bestek, meubels. Hebbedingetjes voor de hedendaagse hipster. Trendwatchers aller landen, verenigt u. Hier valt iets nieuws te ontdekken, een vibe te beschrijven, het abnormale te normaliseren en te marketen. Te targeten en geld aan te verdienen.

Er staat wijn op de kaart en de rekening komt met de mededeling ‘service not included’ dik en rood omlijnd. We vermijden de keten waar schreeuwerig de happy hours geafficheerd worden, omdat we daarvan ongelukkig worden.

Onveranderlijk grijsbruin is de Donau waarvan we de loop volgen. Soms snelstromend, andere keren breed en languit gestrekt in het landschap. Havens, binnenschepen, halve tankers glijden onbekommerd voorbij. Waar, o waar is de Donau blauw?

Als Boedapest een weerbarstige tiener is, dan is Wenen een gezette dame in een bejaardentehuis. Goed geconserveerd, zoals ze zeggen, maar een beetje saai. Er is bladgoud van de kelder tot de nok, plaasteren dikbuikige engeltjes overal. Beate Marias, treurige Jezussen en onnoemelijk veel lijdende heiligen. Krullen en tierlantijntjes, waanzinnige exuberante, exorbitante decoratieve excessen. Het is de eerste keer tijdens de reis dat ik de drang heb om het steedse leven te ontvluchten. Ik heb even genoeg van mensen die tegen me opbotsen en arrogante obers. Zoals de dichters uit de Romantiek verlang ik even naar koele wouden en lieflijk stromende beekjes. De barokke overdaad komt me even de oren uit.

Read Full Post »

Slenteren.

Op mijn vaste slenterweg langs de online edities van de Belgische dagbladen en tijdschriften stoot ik in het tabblad ‘Boeken’ bij Knack op een bespreking van een essaybundel over lezen en schrijven, schrijven en lezen van Christiaan Weijts. Voor de goede orde: de bundel is van Weijts, de bespreking van Maarten Dessing.

Dit heerlijke citaat trekt mijn aandacht: “Op zoek naar een hotelkamer in Rome, zo schrijft hij, ontdekt hij dat je online nergens op kunt vertrouwen. Niet op de beschrijvingen van een riant ontbijtbuffet of de charmante, authentieke wijk. En niet op de onafhankelijke beoordelingen van eerdere bezoekers, die kunnen zijn geschreven door de hotelier zelf. Conclusie: ‘Ik leg mij erbij neer en accepteer dat reizen weer het ongewisse avontuur is dat het was in de tijd van Goethe’, besluit hij vergenoegd.”

Nu ja, niet dat het citaat op zich zo heerlijk is, maar wel de gedachte. Hoe Weijts onze controle en efficiëntiecultuur onderuit haalt. Reizen is niet langer doelloos meanderen door onbekende steden en landschappen of je laten verrassen door onverwachte ontmoetingen, smaken, geuren en ervaringen. Strak gepland en met de nodige kaarten en routes gedownload op onze slimme devices stevenen we tijdens citytrips recht op ons doel af, als een bende lemmingen die zich van de rotsen stort (ja, ik weet ondertussen dat dat van die lemmingen een mythe is, maar het is een mooi beeld). Op vakantie hebben we geen tijd te verliezen, elke seconde is een investering waarop een return moet behaald worden. Elke afwijking van de planning zorgt ervoor dat de vooropgestelde doelen onder druk komen te staan.

(Ooit liep ik tijdens een zomervakantie met het gezin rond in Triëste, op zoek naar het grootste plein dat langs 1 kant begrensd wordt door de Adriatische Zee. Het was heet, en in mijn kielzog slenterden drie onwillige kinderen en ook nog een onwillige man mee. Aan hun geslof achter mij kon ik horen dat ze zich afvroegen hoe ver het nog zou zijn en of we nog op tijd terug op de camping zouden zijn om te zwemmen. Ik vond het plein, voornamelijk op gevoel, alhoewel mijn humeur toen al naar gelijke diepte was gezakt als het enthousiasme van mijn gezelschap. Op het plein was niemand, en na 2 minuten ronddrentelen sommeerde ik iedereen terug naar de auto).

We racen wat af, op onze reizen. Met een Lonely Planet onder de arm wanen we ons even geen toerist. We zijn ervaren, arrogant, doeltreffend en voelen ons te goed voor de plekken die iedereen aandoet. Wij laten ons het geld niet uit onze zakken kloppen door de plaatselijke middenstand. We eisen waar voor ons geld. We zijn verzekerd, ingesmeerd, dragen de juiste schoenen en een hoed tegen zonnebrand. We sleuren een halve apotheek aan pillen, zalfjes en pleisters mee in onze beveiligde lichtgewicht rugzak.

Wij durven niet langer onbevangen zijn, we stappen geen restaurant of hotel meer binnen zonder dertig aanbevelingen te checken op het internet. We durven ons niet langer te laten teleurstellen en slijten dus platgetreden paden dieper in. Alles wat we doen moet voer zijn voor een juichbericht, een foto of een statusupdate. We zijn hoofdrolspeler, regisseur en producent van onze eigen Trumanshow.

Dit alles lijkt in tegenstelling tot wat Weijts zegt, maar dat is het niet. Hij weet dat de essentie van reizen is het ongewisse te omarmen. Onze ervaringen te laten inzinken in plaats van ze direct aan de wereld te presenteren op een gouden dienblad. Zelf te reflecteren in plaats van ons tentoon te spreiden en onze indrukken te laten verstoren door likes en favorites. Of erger: te reizen en te leven in functie van likes en favorites, als volleerde marketers.

Reizen als in de tijd van Goethe, toen de tijden trager waren en de mensen zonder veel haast op straat flaneerden. Toen we nog niet leden aan de illusie dat alles efficiënt moest zijn.

(Ik herinner me een autorit in Griekenland, die ik eerder hier beschreef).

Read Full Post »

Amsterdam.

Ewel ja. Het weer is even druilerig als Iejoor, ik ben deze morgen veel te vroeg mijn bed uit gejaagd en ik heb de onmiskenbare indruk dat ik met een griepje onder de leden loop en vrees dat de 3 Dafalgans die ik nog in huis blijk te hebben onvoldoende zullen zijn om me op de been te houden. De onderhandelingen met mijn 15-jarige om wiskunde te studeren verlopen ongeveer even vlot als de regeringsonderhandelingen die uiteindelijk Elio in het zadel kregen, ik zal mijn lief niet zien tot volgende vrijdag en ik kijk tegen een een 4 weken durende alcoholvrije periode aan. Bovendien is mijn geld alweer bijna op. Voldoende excuses dus om eens gewoon te doen en iets te schrijven over Amsterdam wat je ook in elke reisgids van het 7de knoopsgat kunt vinden.

  • Beste 15 € ooit uitgegeven aan een ticket voor het Van Gogh museum. Ik weet niet wat het is, mijn affaire met Van Gogh. Is het zijn levensloop? De meest bekende van zijn schilderijen zijn natuurlijk iconisch en een mens kan geen banale brasserie binnenstappen zonder een onderlegger te zien met zijn Zonnebloemen of zo er op, maar toch. De ontroering die ik voel als ik die werken ‘in het echt’ zie is op het gênante af bijna. Ik had het de eerste keer vlaggen toen ik een paar jaar geleden in het Musée d’Orsay oog in oog kwam te staan met zijn ‘Kerk te Arles’ of de ‘Sterrenhemel’. Ik kan het niet anders omschrijven dan dat ik er week van word. Dat ik mij het liefst een uur of twee op mijn gemak voor een doek als ‘Amandelbloesems’ zou zetten met een pakje zakdoeken bij de hand. Zo teer, zo fragiel, zo mooi. Zo blauw en zo symbolisch. (In de shop zijn brillendozen, onderleggers, handtassen, koffiekoppen, sjaals, … te verkrijgen. Het moet uiteindelijk wel allemaal een beetje opbrengen). Mooi museumgebouw ook, van Rietveld als ik mij niet vergis. Protip: bestel je tickets online.
  • Het Museumplein is een mooi plein, veel gevoel van ruimte. En ik vermoed dat die ‘badkuip’ van het Stedelijk Museum een beetje dezelfde gevoelens bij de Amsterdammers heeft losgeweekt als de Stadshal bij de Gentenaars. ’t Is nogal spesjaal, maar als je nooit anders hebt geweten stoort het hoegenaamd niet. Het café van het Stedelijk was trouwens mijn eerste ervaring met de horeca in Amsterdam dit weekend. Ook spesjaal eigenlijk. Je bestelt ’t dees of ’t geen en je krijgt onveranderlijk het antwoord ‘komt er aan, hoor’, maar dan met een intonatie die doet vermoeden dat het nu ondertussen al de 34ste keer is dat je ’t dees of ’t geen hebt besteld. Maar voor de rest: vriendelijke en vlotte bediening daar in het Stedelijk Museum. Volgende keer plan ik zeker een bezoek. Wie een tentoonstelling van Malevich plant, die kan rekenen op mijn interesse.
  • En nu we het toch hebben over 15 € spenderen: als ik kon, ik vroeg mijn geld terug aan het Hermitage Amsterdam. Niet dat die mensen mij iets verkeerd hebben gedaan, maar het was een kleine, redelijke saaie tentoonstelling (zeker als je de dag ervoor voor hetzelfde bedrag een paar uur door het Van Gogh museum bent gedwaald). Ik had er meer van verwacht, hoopte op een fractie van de grandeur van de Hermitage in Sint-Petersburg (waar ik overigens nog niet geweest ben, moet ik bekennen). Langs de andere kant: misschien was die magere tentoonstelling wel de laatste zet van de Nederlandse regering in het conflict met de Russen. Tijdens hun Vriendschapsjaar nota bene! Soit, als je alle andere musea hebt afgewerkt in Amsterdam, dan zou ik dit er ook nog bijnemen. Voor de goede verstaander.
  • Nog een punt van vergelijking tussen Amsterdam en Gent: er worden op dit moment her en der werken uitgevoerd aan het tramnet. D’r wordt geboord, geklopt, gehamerd, gedrild, gegraven en gebuldozerd dat horen en zien je vergaan. Er zijn omleggingen en omleidingen, doodlopende steegjes en onafgewerkte bouwwerven achter hoog opgetrokken hekken. Dat maakt het er voor de argeloze buitenlandse voetganger niet makkelijker op. (Spoiler alert: resem clichés onderweg!). Kijk, ik heb met fietsers ongeveer dezelfde verhouding als ik met kleuters en honden heb: leid uw eigen leven, blijf op respectabele afstand en ik zal je met enige welwillendheid bejegenen. In het geval van kleuters wil ik nog kleurpotloden en koekjes in de strijd gooien. Maar honden moeten dus liever niet hun stinkhaar en kwijlende kop in mijn schoot duwen, want anders hebben we ruzie. En van fietsers krijg ik liever niet het gevoel dat ik me als voetganger in de voedselketen ongeveer op hetzelfde niveau als plankton bevind. Serieus, Amsterdam. Uw voetpaden zijn te smal (als ze al bestaan) en worden om de haverklap gehinderd door fout geparkeerde voertuigen, bankjes en (jawel!) geparkeerde fietsen al dan niet met een bak vooraan. Fietsen als gevallen lijken uitgespreid over het trottoir. Fietsen, 4 rijen dik aan elkaar vastgemaakt en zo elke doorgang verhinderend. Je ziet je als voetganger dus verplicht om de helft van de tijd op de rij(wielen)weg te wandelen. En dat, lieve lezer, komt je dus te staan op het constante belgerinkel van gehaaste fietselingen. Want elke fietser in Amsterdam lijkt zich van hot naar her te spoeden, moet volgens een protestantse klok ergens op tijd aankomen blijkbaar. Op het einde van de tweede (en dus laatste) dag had ik het concept onder de knie: gewoon negeren dat hooglijk irritante fietsbelletje en rustig, onverstoorbaar als een Boeddha je weg vervolgen. Ze remmen wel. (En misschien moet ik volgende keer maar zelf de Amsterdammer uithangen en een fiets huren).
  • Ik weet wel, veel toeristischer dan dit wordt het niet, maar die rondvaart op de grachten was heel fijn. Voor 10 € zit je een uur in zo’n platte schuit en dat levert je een heel fraai zicht op de statige herenhuizen van de beroemde Herengracht en andere. En je krijgt ook een antwoord op de vraag: waarom bouwen ze in Amsterdam hun huizen in hemelsnaam zo schots en scheef?

Besluit? Amsterdam heeft vele troeven en ik kom zeker nog terug. Alleen niet direct.

Read Full Post »

Wanneer ken je nu ook een stad? Wanneer dring jij tot haar door, in plaats van enkel omgekeerd? Wanneer voel je je op gelijke hoogte, wanneer ben je niet langer toerist, reiziger of vreemdeling? Is het als de verwondering stopt? Als je de weg kent door haar straten, lanen en boulevards? Leer haar kennen door een nacht te dwalen en te struikelen van café naar café. Laat je aanspreken door drugsdealers en weiger hun marchandise eerst beleefd. Deel een sigaret met een bedelende dakloze, laat je niet afschrikken door zijn geur noch voorkomen. Geef hem er bij het afscheid nog 2, en wens hem ondanks alles succes.

Laat je in de zak zetten door een straatventer die je betovert met zijn radde tong, wees achteraf niet te boos dat je je in de luren hebt laten leggen en nu opgescheept zit met een parfum dat stinkt of een riem waarvan de sluiting het na luttele uren begeeft. Spoel de teleurstelling weg met een glas bier of wijn dat je drinkt in een café waar je eerst niet binnen wou omdat het meer leek op een donker hol dan op een kroeg. Wees niet bang van de waard, ook al leek hij op het eerste zich iets in zich te dragen van Cerberus, de driekoppige hond die poorten naar de onderwereld moet bewaken.

Kijk omhoog en niet omlaag, en betrap de jongeman die in ontbloot bovenlijf een telefoongesprek voert op zijn bed. De slapers nog in de hoekjes van zijn ogen. Zit op een bankje in een park, zomer, herfst of winter en luister stiekem naar de gesprekken die haar inwoners met elkaar voeren. Merk op dat ook daar, in den vreemde, het verlies van de liefde of de recente herovering ervan de boventoon voert.

Stap op een bus of een tram zonder te weten waarheen die je zal voeren, stap af en verdwaal in een stadsdeel dat je niet in de gids vindt. Wees niet bang. Wees niet bang. Spreek met taxichauffeurs en weet dat ze je alle leugens zullen vertellen die de stad rijk is.

Realiseer je dat een stad je wel in haar armen zal sluiten, maar zich slechts langzaam gewonnen zal geven. Dat je na enkele dagen zult terugkeren met het gevoel dat de reis onaf is, en dat de stad in kwestie je terug zal lokken. Wees geduldig, krab bij elk bezoek iets meer weg van het laagje vernis waarmee een stad zichzelf oppoetst. Als een vrouw die zich klaarmaakt voor een feestje.

Neem de foto’s die iedereen neemt, steek de rivier over via de brug die iedereen bewandelt. Geef enkele munten aan de blinde violist die een klaaglijk geluid uit zijn instrument wringt. Bezoek haar musea, haar kerken, haar dom of kathedraal. Doe zoals iedereen, voorlopig ben je enkel te gast. Koop geen souvenirs in de vorm van klompjes of sleutelhangers, kurkentrekkers, malle hoeden of miniatuurweergaves van haar belangrijkste monumenten. Toegelaten: een glazen bol met sneeuw er in om op te schudden (zo verveel je je niet tijdens de terugweg). Koop een boek dat je altijd aan haar zal doen denken of vul je hoofd met de herinnering aan een film die je daar hebt gezien. Steek een bedrukte servet in je handtas van het restaurant waar je at.

Read Full Post »

Vakantie.

Het zijn de laatste dagen, dus je probeert elk moment uit te wringen. Twee tienermeisjes doen het vakantiehuis zoemen, vullen elke ruimte met hun geheimen. Ze spreken in code, communiceren met de wereld doorheen een blik, een geeuw, het optrekken van de schouders.

De hemel hier is ’s nachts bezaaid met sterren, de melkweg trekt een vaag spoor. Een zacht dekentje in het gras, chips. Op de achtergrond een liedje in een eindeloze loop om de tijd te laten verstrijken en de sterren die vallen te tellen.

Ik, ik krab mijn benen open en trek de korstjes van mijn gewonde voeten. Een vuurrode vlek op mijn rechterenkel, paars bijna. Restanten van geslaagde aanvallen door exotische insecten en slenteren door steden in slecht zittende schoenen. Ik heb bruggen gezien en koepels op kathedralen. Geluisterd naar oude stadslegendes in een Engels dat gemarineerd was in een vet accent. Ik heb de zon zo hard weten branden in mijn nek dat ik er dwaas van werd, en probeerde de verdoving van een vreemd land en een vreemde taal weg te spoelen met de bekende smaak van bier. Ik heb op menukaarten gewezen om de ober duidelijk te maken wat ik wilde eten en ik heb geglimlacht bij het betalen van de rekening. Ik heb plakaatjes gelezen met een uitleg over oude handelsroutes en vluchtige allianties, oorlogen en kruistochten. Zwaar versierde graftombes van lang vergeten vorsten en vorstinnen. Sommige namen herinner ik mij uit boeken of geschiedenislessen. Ornamenten, bladgouden krullen, frontons, regenspuwers, gigantische glasramen in blauw en rood. Treurende maagden, stoïcijnse heiligen, Christus gekruisigd en herrezen. Dit moet Europa zijn.

Ik heb pleinen gefotografeerd en vergezichten, toen ik bovenaan een burcht stond. Mijn foto’s worden gekenmerkt door krakkemikkige kadrering en scheve horizonten, een dochter met een onwillige glimlach en het verbod de kiekjes op Facebook te posten.

In dit laatste vakantiehuis word ik soms wakker door het kraken van vloeren die ik niet ken. De nacht is hier nacht, donker zoals donker hoort te zijn en stilte die de geluiden van de nachtdieren versterkt. Hagedissen schuifelen ongegeneerd over de patio, een oude hond briest en zucht en strompelt. Ik jaag hem weg van de eettafel, onmiddellijk daarna een schuldgevoel omdat het beest zo zielig kijkt.

Misschien is dit een Toverberg, waar de tijd trager maalt, moeite heeft om de volgende omwenteling te voltooien en uiteindelijk door de wrijving of een andere mysterieuze kracht helemaal tot stilstand komt. Ik hoop het. Alsof je ongemerkt door een plooi tussen 2 dimensies in geglipt bent, en als je eindelijk weer naar de wereld gaat ben je al 20 jaar of langer vermist. Wie jou zich nog kon herinneren is dood of dement en voor de anderen ben je een administratieve fout.

De kinderen zeggen het: dat de ijsjes beter smaken hier dan ginder, de tomaten, de peren en de perziken. Het vlees is sappiger en malser en de wijn voller. Ik heb heldere dromen zo tegen de ochtend aan, maar ik vergeet ze als ik mijn ogen open doe.

Read Full Post »

Je ziet in de verte het perron waar ze arriveerden in beestenwagons, na dagen onderweg. Vanuit Cyprus negen volle dagen. Enig voedsel: een homp brood en een emmer water. Hen was verteld dat ze ‘geherlokaliseerd’ zouden worden. Elke persoon, van het kleinste kind tot de oudste grijsaard, mocht 25 kg bagage meezeulen. Zij brachten dus hun goud mee en hun zilver, hun kandelaars en gebedsdoeken, hun potten en hun pannen.

Na één of meerdere dagen op transport is bij aankomst de zin tot weerstand gebroken volgens de architecten van de Finale Oplossing. Het perron op, vlug! Zonlicht of sneeuw, loden hitte of ijzige kou. Vergeet de kinderen niet en de koffers. Harde bevelen in een taal die je niet verstaat. 2 rijen moeten gevormd worden: vrouwen en kinderen langs de ene kant, mannen aan de andere. Dokters inspecteren en spreken hun Salomonsoordelen uit. Vrouwen met jonge kinderen. Wie er oud uitziet. Wie mankt. Wie niet geschikt is om te werken, deze kant uit (geen alstublieft). Een wandgrote foto, een vrouw knijpt haar ogen dicht tegen het plotse licht. Een jongetje van een jaar of 7 met 2 broertjes aan de hand loopt voor zijn moeder uit. Een paar uur later moeten ze dood zijn geweest. Zyklon B, een doodsstrijd van een kwartier. Daarna worden hun lichamen door andere gevangen van het Sonderkommando geschoren, ontdaan van gouden tanden en gecremeerd.

Even later schuifelen we met zijn allen door de gaskamer. De gids maakt ons attent op de gaten in het dak waardoor de busjes gifgas werden gedropt. Vertelt over een mislukte opstand in het kamp. Achter elkaar aan volgen we hem, terwijl hij voor de zoveelste keer zijn verhaal doet. Hij wijst ons op foto’s genomen van nieuw gearriveerde gevangenen tijdens de beginperiode van het Konzentrationslager. Naam. Voornaam. Geboortedatum en plaats. Eventueel een beroep. Datum van aankomst. Datum van overlijden. Tussen de laatste en de voorlaatste cijfers zitten hooguit enkele maanden, meestal gaat het om weken. Een enkele keer enige dagen, en dan denk ik dat het misschien één van de zovelen is die zichzelf elektrocuteerde tegen het prikkeldraad. Eén vrouw, het haar geschoren en in kampuniform lijkt een glimlach te forceren. Zijn het de zenuwen? Al de rest kijkt somber.

Birkenau. De zon brandt op de vlakte die ooit bezaaid was met houten barakken. Een aantal is gereconstrueerd, het merendeel vergaan in de tijd. Binnenin en onder invloed van de hitte beneemt de geur van vernis je de adem. De eerste: latrines waar de gevangen elke morgen en elke avond na het werk hun gevoeg moesten doen. De tweede: een slaapbarak, waar 6 tot 700 mensen hun nachten moesten doorbrengen. Er werd gevochten om bovenaan te kunnen liggen, we schijten immers allemaal naar beneden. Wie onderaan belandde kreeg de verziekte drek in de nek, stikte door een gebrek aan zuurstof. Epidemieën waren meer regel dan uitzondering. Vernederingen door de kapo’s, gerekruteerd uit veroordeelde Duitse criminelen, hele of halve psychopaten ook.

Na afloop van het bezoek zoeken we een terras in de buurt. We laten bier aanrukken en iets te eten. We vragen ons af hoe het mogelijk was en of het  opnieuw mogelijk zou zijn.

Ik zeg van ja.

Read Full Post »

Older Posts »