Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juni, 2011

Geloof het of niet, maar ik heb David Bowie leren kennen dankzij mijn leraar Engels in het vierde middelbaar. Mijnheer Devriese kun je bezwaarlijk een groot pedagogisch genie noemen, maar wat een liefde voor de Engelse taal had (heeft?) die man. Naar zijn lessen werd door sommigen uitgekeken, maar er was ook een serieus deel van de klas dat met dichtgeknepen billen het klaslokaal betrad. Devriese was een ongeduldige, opvliegende driftkikker die het erg persoonlijk nam als je fouten maakte tegen Engelse grammatica, zeker als hij het al eens had uitgelegd. Ik herinner me dat een klasgenoot die thuis Frans sprak eens ‘what did you did’ uitkraamde tijdens een oefening. Willy, die de regel ‘DID + PRESENT TENSE’ er in had gedrild tijdens het schooljaar, geloofde duidelijk niet wat hij hoorde. Hij keek B. aan, zwijgend. Hij liep rood aan en het leek alsof zijn ogen uit zijn hoofd wilde springen. Hij greep het eerste, het beste voorwerp dat hij in handen kreeg (de agenda van B.), zwierde die door het klaslokaal (iemand moest opzij duiken om die niet in het gezicht te krijgen) en brulde dat B. maar ergens achteraan de klas moest gaan zitten, en liefst uit zijn blikveld.

We kregen geen bijstand van slachtofferhulp, na dergelijke scènes.

 

Het hoe of het waarom is mij niet helemaal duidelijk meer, maar ik herinner me wel nog heel zeker dat ik David Bowies ‘Space Oddity’ voor de eerste keer hoorde in zijn klaslokaal. Ik vermoed dat we tekst wel zullen ontleed hebben. In de bibliotheek ontleende ik de allereerste L.P. van Bowie (zonder Space Oddity er op, dat staat logischerwijs op zijn L.P. ‘Space Oddity’, maar wel met ‘Letter To Hermione‘ en ‘God Knows I’m Good‘) en nam het op een cassettetje zodat ik ook op mijn walkman kon luisteren. Eigenlijk heb ik zo Engels geleerd, door de songteksten van groepen zoals The Doors en The Beatles te willen begrijpen.

Devriese was wel de primum movens, en wakkerde mijn interesse aan door bevlogen en geestdriftig poëzie te citeren van de grote Engelse romantici zoals Byron, Keats & Shelley. Op de één of andere manier slaagde hij er in een bende pedante 17-jarigen ‘Ode to a Graecian urn’ van buiten te laten leren. We bespraken tot in detail ‘To Be Or Not To Be’, en hij introduceerde J.D. Salinger. Toen ‘Twin Peaks’ van David Lynch hier op TV zou komen, spendeerde hij daar geloof ik twee volledige lesuren aan. Als je cool wilde zijn, dan keek je. Over ‘Songs for Drella’, het conceptalbum van John Cale en Lou Reed over Andy Warhol, kon hij niet zwijgen. En ik zal dus nooit vergeten dat spleen ‘milt’ betekent. Van hem leerde ik ook dat het Engels de rijkste Indo-Europese taal is, met ongeveer 600.000 woorden. Dat komt omdat er woorden zijn overgenomen uit het Angels, het Saksisch, het Latijn en het Frans. Het is verbazend welke nutteloze weetjes je gedurende vele jaren in je brein kunt bewaren.

Het rare is dat hij ons ook levenslessen probeerde bij te brengen. Ooit beweerde hij met veel overtuiging dat een ‘gewone’ vriendschap tussen mannen en vrouwen onmogelijk was, dat er altijd wel een erotische ondertoon te bespeuren was. Ik bestreed die stelling vurig, in mijn schoolengels, en met de stellige naïviteit van een onschuldig meisje dat nog niet veel van de wereld wist.

 

Read Full Post »

De logica der dingen wordt gerespecteerd, dat houdt de mensen rustig en enigszins gelukkig. Na ‘a song that makes you happy’ komt uiteraard ‘ a song that makes you sad’. Gek genoeg wist ik ongeveer onmiddellijk welk nummer ik voor deze opdracht wilde gebruiken.

Jo was de zoon van een beruchte Gentse cafébaas, die café hield op de al even beruchte Vlasmarkt. Het gerucht ging dat je er illegale hallucinoge substanties kon kopen. Om dat te doen hoefde je maar de zwarte medemensen aan te spreken die voor of in het café hadden postgevat. Zijn moeder had een kapsalon. De twee waren al jaren gebrouilleerd, en Jo woonde bij zijn moeder. Ik leerde hem kennen toen hij nog maar een tiener was, ergens in het midden van de jaren ’90. Hij was een lieve, gevoelige, onhandige slungel met krullend haar dat voor zijn ogen hing. Hij droeg een ziekenfondsbrilletje met dikke glazen. Intelligent en vlug van begrip, maar ook behoorlijk lomp. Hij liet de dingen vallen en er zaten altijd vlekken op zijn kleren. Begin twintig was ik toen, in mijn afstudeerjaar aan de universiteit.

Voor Jo was het leven niet makkelijk: zijn moeder hield er rigide opvattingen op na, ze had de sterke drang zich af te zetten tegen de wereld van haar ex. Ze zag in zijn liederlijk gedrag de oorzaak van het mislukken van haar huwelijk, en waarschijnlijk had ze daarin gelijk. Dat haar jonge zoon af en toe experimenteerde met softdrugs was haar een doorn in het oog, en ze was niet bang om hard op treden. De zomer voor ik Jo leerde kennen was hij door haar toedoen in Ruiselede beland. Ze had wiet of hasj in zijn kamer gevonden en de politie ingelicht. De jeugdrechter oordeelde Jo zijn lesje wel zou leren in een gesloten instelling voor delinquente jongeren.

Zijn vader had het te druk met zijn café, en leek niet erg gemotiveerd om zijn zoon een alternatief te bieden voor het verstikkende nest dat zijn moeder voor haar enig kind in gedachten had. Jo probeerde het wel een keer, om in te trekken bij zijn vader. Dat mislukte grandioos door een compleet gebrek aan structuur en enige zin voor verantwoordelijkheid. Had Jo geld nodig voor een boek, dan zei zijn vader hem dat hij de leraar in kwestie maar eens naar het café moest sturen. Hij zou dan wel een babbel doen. Het geld kreeg Jo nooit mee naar school. Met hangende pootjes keerde hij terug naar zijn moeder.

De tiener bleef rebelleren, jointjes roken. Zijn moeder had het gevoel dat haar zoon aan haar controle ontglipte. Er kwam weer politie aan te pas. Jo werd opgenomen in een psychiatrische instelling in Zelzate. Waarom precies was niet erg duidelijk, toch niet voor mij. Na een paar weken observatie, mocht hij terug de lessen aan het Lyceum volgen. Op woensdagnamiddag nam ik aan het station Dampoort de bus,  om hem te bezoeken.

Er werd door de bevoegde diensten een oplossing gezocht voor zijn geval. De jonge Jo zou begeleid zelfstandig wonen, verder studeren en proberen op eigen benen te staan. Enkel van dat zelfstandig wonen werd werk gemaakt, begeleiding bleef uit. Hij gaf zijn studies op en probeerde te gaan werken in een fabriek. Dat lukte maar half, hij werd ontslagen of bleef er zelf weg. Zijn woonst was een Augiusstal. Het stonk en het was er vuil. Zijn buren klaagden er over. Hij was genoodzaakt te leven op een OCMW-uitkering en slaagde daar niet in. Permanente geldnood, wat hem noopte om van zijn vrienden te lenen. We zagen dat geld nooit terug, en wanneer we erom vroegen kwam hij met de meest fantastische uitvluchten voor de dag. Op den duur werden we boos, en we begonnen hem te mijden. Hij zocht nieuwe vrienden in het cirkeltje van alles wat marginaal, verslaafd en dakloos was in Gent.

Er volgenden beschamende scènes. Ik was ondertussen zwanger, en hoorde af en toe geruchten. Hij werd stomdronken en agressief afgevoerd door een ambulance. Hij zou een meisje hebben belaagd. Achteraf is het duidelijk dat de jongen wanhopig was en niet opgewassen tegen de moeilijkheden van het leven die hem te vroeg en in te grote hoeveelheden werden geserveerd. De moeder van de vriendin waar ik een kamer huurde zei het ooit onomwonden: “die Jo, dat is een zwak figuur.”

Mijn dochter werd geboren eind juni. In juli, tijdens de Gentse Feesten, ging voor de eerste keer enkele uurtjes met mijn vrienden iets drinken. Ik gaf nog borstvoeding, dus lang kan ik niet weggeweest zijn. We stonden met een groepje op de Vlasmarkt te praten toen Jo plots opdook. Hij zocht contact, feliciteerde mij en mijn vriend met de komst van Luna. Het zou kunnen dat hij ons iets te drinken aanbood, dat weet ik niet meer precies. Wat ik me wel nog haarscherp herinner is dat we hem niet echt hartelijk verwelkomden. He got the cold shoulder, so to speak. Het was een akelig moment, gesprekken vielen stil, we keken met zijn allen weg. Uiteindelijk droop hij af, de staart tussen de benen.

De Feesten zelf waren redelijk regenachtig en koud geweest, maar daarna volgde een week of twee van intense hitte. In het begin van augustus, tijdens een zonovergoten namiddag rinkelde de telefoon. Mijn lief neemt op, luistert en grijpt mijn pols vast. Jo is dood, zegt hij en in zijn blik zie ik dat het waar is. Blijkbaar is hij aan zijn einde gekomen op het kot van een vriendin van hem. Zij had hem tijdens de Gentse Feesten haar sleutel gegeven, en keerde de eerste week van augustus terug om te beginnen studeren voor haar tweede zit. Zijn lichaam was al in zodanige staat van ontbinding dat zij hem niet eens had herkend. Volgens de geruchten was de politie er op gebrand om zijn dood te verklaren door een overdosis. Enkelen van ons werden bij de politie geroepen voor ondervraging, maar dat stelde naar verluidt niet erg veel voor. Het schijnt dat zijn ouders (zijn moeder?) een gerenommeerde Gentse advocaat onder de arm hebben genomen om de conclusie van de politie aan te vechten. Een autopsie werd uitgevoerd, zonder veel resultaat. Uiteindelijk werd het lichaam vrijgegeven, maar er mocht niet gecremeerd worden. Aan ons werd gevraagd om een tekstje te lezen tijdens de dienst in de kerk.

De avond voordien kwamen we samen in het piepkleine huisje en het piepkleine tuintje om onze tekst voor te bereiden. Die werd geschreven op lavendelblauw papier, en er werd overeengekomen dat ik zou lezen, samen met nog een vriend. De dag zelf was het uitstekend weer voor een begrafenisdienst. De regen werd met bakken uit de hemel gestort, alsof een nieuwe zondvloed was begonnen. We fietsten eerst naar de verkeerde kerk, moesten ons reppen om toch nog op tijd te zijn. Druipnat was ik, want een regenjas had ik niet gehoefd.

Op de voorste rij, elk langs een andere kant, de moeder en de vader. Nog altijd kat en hond, zelfs toen ze hun zoon onder de grond moesten steken. Ik had het koud gekregen ondertussen, bibberde een beetje toen ik naar voor moest gaan. Ergens herinnerde ik me een truukje om je tranen te bedwingen: als je ze voelt opkomen, naar boven kijken. Ik verzweeg tijdens deze laatste hulde niet dat de betrekkingen tussen Jo en onze vriendenkliek verzuurd waren geweest. Maar ik had ook veel zin om een beschuldigende vinger uit te steken naar die man en die vrouw die op de eerste rij zaten.

Jo werd begraven onder een grote treurwilg op Campo Santo. Wij bleven met een klein groepje achter, staken onder de boom een joint op toen de grafdelvers de put vulden met natte grond. Het uitgerookte filter smeten we ostentatief in het graf. Niemand zei iets.

Read Full Post »

Bon, ik begin te begrijpen waarom ze het een ‘challenge’ noemen. A song that makes you happy …. Om te beginnen denk je dan natuurlijk aan opgewekte uptempo nummers die je opzet om de strijk of poetswerkzaamheden te ondersteunen. Dat was een doodlopend straatje. Daarna zocht ik het meer in de chillnummers, genre Thievery Corporation of The Avalanches. Maar ook die liedjes bleven op mijn maag liggen, omdat ik mij maar bleef afvragen of die liedjes mij werkelijk ‘happy’ maakten. Pfffff …. Wat ze eventueel kunnen is de shittyness van een shitty day tijdelijk verlichten, maar dat is het dan ook. Ik vrees dat er geen enkel liedje is dat de intrinsieke eigenschap bezit om mij naar het niveau van puur geluk te tillen, enkel en alleen door er naar te luisteren.

Maar! Vrees niet!! De nacht is het donkerst vlak voor de dageraad, en na een yogasessie flitste een lumineus idee door mijn brein: zoek een liedje waar een fijne herinnering aan vasthangt, en alzo geschiede …

Enkele jaren geleden raakte ik bevriend met een charmant heerschap, een jaar of tien ouder dan mij. Hij was grappig, belezen, verstandig, was geobsedeerd door de Grieks/Romeinse Oudheid, zag er lang niet slecht uit en hij was rijk. En dan heb ik het niet over rijk à la ik kan het mij permitteren twee keer per week bij Peter Goossens de voetjes onder tafel te schuiven. Het ging meer in de richting van: schat, nu reed ik daarnet toch langs een alleraardigst landhuisje en toen ben ik nog vlug even langs de notaris gegaan om alles te regelen, sorry dat ik wat later thuis ben.

Hij had ook drie kinderen en een Vrouw Die Hem Niet Begreep.

Soit, mijnheer wilde reizen. Of zoals hij het zelf uitdrukte: hij wilde het stadium van toerist doorlopen om dat van reiziger te bereiken. Griekenland was de eerste bestemming en of ik mee wilde? Ik hoefde niets te betalen, mijn aangename gezelschap was voldoende. Er werd dus een vlucht geboekt bij Virgin en een hotel in de buurt van Athene.

Angstzweet verscheen op zijn voorhoofd toen we opstegen, en ik verwonderde me erover dat zo’n man van de wereld vliegangst had. In Athene huurde hij een witte Clio, waar ik mee mocht rijden. We bezochten de Akropolis en het Parthenon en dineerden in een chique restaurant waar ik inktvis at. De volgende ochtende sommeerde hij een ontbijt op de kamer, zodat we op het terras en uitkijkend over de zee onze zachtgekookte eitjes konden opeten. Daarna vertrokken we naar Kaap Soenion om de tempel van Poseidon te bekijken. Onderweg kon hij maar niet zwijgen over Byron, die daar ook was geweest. Toen we onderweg stopten om iets te eten, nam ik een duik in de zee in mijn onderbroek. Het was februari.

Het uitzicht op Kaap Soenion was … buitengewoon. De zee was boekjesblauw, en je kon oneindig ver kijken. Toen moesten we racen naar Piraeus om een Flying Dolphin te halen naar Hydra. Dat stond op het programma omdat Leonard Cohen ooit een aantal jaren op dat eiland had doorgebracht. Ik stortte me met die witte Clio in het waanzinnige verkeer richting Athene, want we dreigden de laatste boot te missen. De weg was prachtig, een grote baan die zich langs de zee slingerde. Ik hou ervan te denken dat ik elegant en lichtvoetig door het drukke verkeer walste. De waarheid is dat ik mij in geen tijd alle crapuleuze bestuurderstechnieken van de Atheners en de Grieken eigen had gemaakt.

Twee minuten voor de laatste afvaart stoven we de haven binnen, hij sprong uit de auto om ticketjes te kopen. Ik ging op zoek naar een parkeerplaats en bij gebrek daaraan liet ik de witte Clio ergens op goed geluk achter. Het was al donker toen we de haven van Hydra binnenvoeren.  Niets voelde nog ‘echt’ aan, het leek alsof ik in een mooi prentenboek avonturen beleefde. Op Hydra was niet zoveel te beleven. We wandelden wat door het pittoreske havenstadje en naar een verder gelegen kerkhofje. We gingen twee keer per dag op restaurant, en mochten in de keuken de vers gevangen vis kiezen die daarna op ons bord belandde. Een spelletje schaak, een boek lezen. Stuntelige pogingen tot seks. Hij ging naar de apotheek omdat hij dacht dat het aan de condooms lag, en vroeg de apotheker toen die hem een pakje toeschoof of hij geen ‘bigger size’ had. Die antwoordde verontwaardigd dat dit de Griekse maat was, en daar moest hij het mee stellen.

Toen we de pendelboot terug naar het vasteland namen, begon ik me wat zorgen te maken over de witte Clio. Stel je voor dat ze was weggesleept. Het tijdsschema was redelijk strak, en oponthoud zou betekenen dat we onze vlucht naar huis misten. Witte Clio’s laten je niet in de steek, leerde ik toen. Ze stond nog altijd parmantig te pronken voor een politiekantoor. Er zat zelfs geen boete onder de ruitenwisser.

De laatste rit naar de luchthaven verliep in stilte. We waren beiden moe en voor de eerste keer in die dagen zette ik de radio aan. Black Magic Woman van Santana. Elke keer als ik dit nummer hoor, denk ik aan Griekenland, en aan die witte Clio.

Read Full Post »

Dag 2 is dan weer krak hetzelfde als dag 1, maar dan omgekeerd. Je minst favoriete song. Net zoals ik op zijn minst tientallen liedjes kan opnoemen die op een bepaald moment wel bovenaan mijn eigen hitlijst staan, bestaan er op zijn minst evenveel  irritante, irritantere, irritantste nummers. Nu ja, op zich heb ik niet echt veel last van dat soort muziek. Meestal zap ik rap weg, als ik een irritant nummer op de radio of op een CD hoor afkomen. Behalve vorig jaar tijdens de zomervakantie, toen ik voor de kinderen dus de héle discografie van Lady Gaga had gedownload, en Selena Gomez & Miley Cyrus en we dus tijdens de heenrit elvendertig keer ‘Bad Romance’ of ‘Alejandro’ moesten aanhoren. Gelukkig waren ze hun opladers vergeten of er was iets dat niet marcheerde, dus eens hun batterij plat was, mochten we weer overschakelen op onze CD’s of de radio. De enige periode in het jaar waarop ik een te groot aantal werkelijke kutnummers moet aanhoren is de jaarlijkse skireis. In de toeristische gebieden van Zuid-Tirol drommen elk jaar honderdduizenden skiliefhebbers samen (+ enkele skihaters, waaronder ikzelf) die verondersteld worden zo hersendood te zijn dat ze Duitse schlagers met obscene teksten te appreciëren. Wees gerust, de meeste skiliefhebbers zijn ook echt hersendood. Ze brullen enthousiast mee met primitieve nummers à la ‘Waar is da feesje’ of ‘Sie hatte dicke Tett’n’. Leefde Darwin nog, hij zou bij het aanschouwen van dergelijke taferelen onmiddellijk zijn evolutietheorie herzien.

Iemand zou dat eigenlijk eens grondig moeten bestuderen, dat fenomeen van hoe dat soort gruwelijke muziek zich op de één of andere manier toch een plaats weet te veroveren in ons collectieve geheugen. Maar voor deze uitdaging zou het te gemakkelijk geweest zijn om één of andere kloon van The Venga Boys uit te zoeken.

Dan maar een mottige song uitgezocht van een ‘gerespecteerd’ artiest …

Om te beginnen vind ik Kanye West sowieso al een irritante kerel. Hij is misschien een uitstekende producer, een goede rapper en een verdienstelijke muzikant, maar om jezelf daarom uit te roepen tot geniaal wonderkind …. En ja, ik versta ook wel dat dat voor een stuk marketing is om buzz te creëren, maar volgens  Humo heeft hij ‘zelfs naar hiphopnormen een gigantisch ego’.

En dan dit nummer. ‘Gold Digger’. En ‘I ain’t sayin’ she’s a gold digger, but she ain’t messin’ with no broke nigga’. Tja. Ik wind mij daar eigenlijk iedere keer in op, als zo’n hiphopneger die zich op elk moment van de dag laat voorstaan op hoeveel hij verdient, op hoeveel karaat hij rond zijn vingers en om zijn hals heeft slingeren, op hoeveel square feet zijn crib in da hood meet en hoeveel zijn nieuwe zwembad heeft gekost en dat hij en passant ook nog een yacht heeft laten bouwen, en dat hij enkel Cristal drinkt van 100$ per fles, vrouwen ervan beschuldigt ‘gold diggers’ te zijn. En stop ook eens met reclame te maken voor die lelijke Louis Vuitton sjakossen. We weten al dat je je dat kunt permitteren.

Uiteindelijk is het simpel: als je niet wil dat vrouwen geïnteresseerd zijn in je geld, maar in jou, stop dan met dat soort vrouwen aan te trekken door overal met je rijkdom te koop te lopen. En nog eens iets: wat is er zo interessant aan te ‘messen with a broke nigga’? Het is niet omdat je een vrouw bent, dat je daarom per definitie een sociaal werkster of een verpleegster bent die zich over alle OCMW-gevallen en broke nigga’s moet ontfermen toch? Meestal is er een reden waarom die nigga’s broke zijn en het is waarschijnlijk erg vermoeiend en arbeidsintensief om van die broke nigga een succesvolle kerel te maken. En waarom dan die ene broke nigga wel en die andere niet?

De nieuwe single van Kanye heet ‘Monster’. En de clip ervan begint met een disclaimer: the following content is in no way to be interpreted as misogynistic or negative towards any groups of people. It is an art piece and shall be taken as such.  Euhm, nee, niet echt. Een kunstwerk is iets anders dan de zoveelste onnozele hiphopsong over hoe goed je wel bent en dat er weer een bitch achter je money aan zit, vergezeld van een videoclip die duidelijk de mosterd heeft gehaald bij de vampierenhype die in gang werd gezet door series zoals ‘True Blood’.

Read Full Post »

Allez, ik ben dan ook gezwicht voor deze uitdaging. Ik heb niet echt de tijd om jullie elke dag op een nieuwe song te verrassen, zeker omdat ik er hier en daar wat achtergrondinformatie wil bijgeven. Ik zal toch proberen om ze alle 30 af te werken, en neurotisch als ik ben ook in de juiste volgorde. En de lezers mogen zich oefenen om het breekbare evenwicht te bereiken tussen geduld hebben en mij toch een beetje aan te sporen …

Verwacht van mij ook niet dat het ’30 day song challenge as usual‘ zal zijn. Om te beginnen al de eerste: your favorite song. Ik weet niet hoe het met u gesteld is, maar ik heb niet echt een favoriet nummer dat overal boven uitsteekt. Dat hangt af van mijn stemming, van waar ik ben en met wie. Van wat ik doe en hoe ik me voel. Het ene moment kan ik opgaan in plat geproducete pop, het andere moment kan het niet highbrow genoeg zijn. Soit, you catch my drift. Ik heb dan maar besloten om van die eerste challenge een kruisbestuiving te maken tussen film & muziek, zodat we het hebben over een soundtrack natuurlijk.

Paris, Texas kwam uit in 1984, en toen was ik nog maar twaalf. De film heb ik toen niet gezien, en eigenlijk kan ik mij niet goed meer herinneren waar ik die voor het eerst zag. Wat ik wil weet is dat ik halverwege de jaren ’90 (pas!!) de soundtrack van Wim Wenders Ry Cooder heb grijsgedraaid. Ik kan niet anders zeggen dan dat élk nummer van de hele CD schitterend is, alhoewel ik op zich geen grote fan ben van wat men vroeger onder noemer ‘wereldmuziek’ samen bracht.

Paris, Texas opent met een lang shot van Harry Dean Stanton die uit de woestijn komt opdoemen. Het nummer dat scène ondersteunt en dezelfde titel als de film draagt, benadrukt – door die slides op de steel guitar (lange tijd hét handelsmerk van Cooder) – het gevoel van eenzaamheid en verlatenheid. De weidsheid van het woestijnlandschap. Het is trouwens voor de landschappen dat Wim Wenders speciaal naar California trok. Het stadje Paris in Texas bestaat echt, maar ik geloof niet dat er ook echt beelden daar werden geschoten. Waarschijnlijk wilde Wenders gewoon een referentie maken naar zijn Europese roots.

Nu ik er zo over schrijf, besef ik dat de film me eigenlijk weinig is bijgebleven en dat ik Paris, Texas dringend nog eens moet herbekijken. Er zijn een paar films waarvan de muziek me meer ontroert dan de film zelf, en deze is er één van. Het zou kunnen dat ik Paris, Texas te vroeg heb gezien, en dat ik veel te jong was om de tragiek te kunnen begrijpen op emotioneel niveau. Nu ik zelf een paar minitragedies achter de rug heb, lukt het al veel beter om me in te leven …

Op de soundtrack is ook een monoloog te horen: Travis (rol van Harry Dean Stanton) vindt na veel zoeken zijn weggelopen vrouw terug (rol van Nastassja Kinski) die ondertussen werkt als een soort showgirl in een peepshow (een beetje de vroege versie van webcamseks, eigenlijk) en doet zijn verhaal.

Read Full Post »

De muze lok je met een stukje Coeur de Bray of  pralines van Wittamer.

Nee serieus. Nu het in mijn vriendenkring is doorgedrongen dat ik een boek wil schrijven is het hek een beetje van de dam vrees ik. De mensen doen alsof het boek er al is en beginnen ongeduldig te informeren of het nu nog niet af is. Nee dus. Ik heb op dit moment hoop en al tien pagina’s bijeengeschreven, dus ik heb nog wel wat  een heleboel werk voor de boeg. Ik hoop mijn tempo zeker in de zomer serieus te kunnen opdrijven, want het is natuurlijk niet de bedoeling dat ik er aan blijf prullen tot mijn pensioen. En weet ook dat ik niet bepaald bekend sta om mijn doorzettingsvermogen en de drang om iets netjes af te werken, dus het zal ook een gevecht met mezelf worden. Oh ja, nog een ander detail wordt blijkbaar erg makkelijk over het hoofd gezien: een uitgever. Het is niet omdat ik werk aan een manuscript dat het daarom ook zal uitgegeven worden. Je moet in deze tijden al van goede komaf zijn om een uitgever zo zot te krijgen dat hij tijd en moeite en geld steekt in een project waarvan de uitkomst hoogst onzeker is. In Vlaanderen worden tegenwoordig erg weinig boeken verkocht, en met een paar honderd exemplaren over de toonbank steek je er natuurlijk eerder aan toe dan dat iemand er nog iets aan verdient.

Andere mensen vragen mij ook hoe je daar aan begint, aan zo’n boek schrijven. Eigenlijk ben ik redelijk slecht geplaatst om daarop te antwoorden, aangezien ik nog geen boek heb geschreven maar ik wil wel uitleggen hoe het voor mij werkt.

Ten eerste: wacht niet op het monster ‘inspiratie’ genaamd.

Het is een mythe die nog altijd redelijk goed standhoudt, die zegt dat schrijvers (of andere kunstenaars) rustig op een stoel blijven zitten wachten tot er plots een goddelijke vonk overslaat die ervoor zorgt dat er plots een boek op de plank ligt. Het tegendeel is waar eigenlijk. Alle grote schrijvers (en nee, ik reken mijzelf daar niet bij) beschouw(d)en schrijven als een soort nine-to-five job. Het komt er eigenlijk op neer dat je je ’s morgens aan je computer zet en begint te schrijven. En dat je een bepaald aantal uren later gewoon terug stopt. Ik geloof dat Claus uitging van twee bruikbare pagina’s per schrijfdag, maar daar kom ik nog niet aan. Het klinkt natuurlijk erg onromantisch, maar ook voor schrijvers geldt het adagium ‘oefening baart kunst’.

Ten tweede: vraag feedback.

Kies zorgvuldig een aantal mensen uit aan wie je af en toe een afgewerkt stuk voorlegt. Het moeten mensen zijn waarvan je weet dat die iets van het vakgebied kennen, maar die er niet op uit zijn om je af te kraken. Ik heb nu toevallig het geluk dat ik in mijn kennissenkring een aantal mensen heb zitten die professionele uitgevers zijn, en die ik af en toe een stukje doorstuur. Soms is het even wachten (die mensen zitten natuurlijk niet te wachten tot er nog eens iemand aan hun mouw komt trekken om hun mening te geven hé), maar tot nu toe heb ik al altijd erg werkbare en gefundeerde kritiek terug gekregen.

Ten derde: ga op een verstandige manier om met kritiek.

Zeker voor iemand die begint te schrijven, is het altijd een beetje zoeken naar een schoon evenwicht tussen het integreren van opbouwende kritiek en opmerkingen aan de ene kant en je eigen stijl behouden langs de andere kant. Vergeet niet dat er altijd een subjectieve kant zit aan de opmerkingen die je terugkrijgt, waarbij men zich deels laat leiden door wat men zelf graag leest. Een vriend van me gaf me de volgende tip over omgaan met kritiek: is er op een bepaalde passage of paragraaf een bepaalde opmerking, dan is het eigenlijk niet de bedoeling dat je die herschrijft enkel volgens de aanmerkingen die geformuleerd werden. Ga integendeel op zoek naar een passage waar men niets over heeft gezegd (of die de ander ronduit goed vond) en herschrijf het mindere gedeelte in dezelfde stijl. Ga dus door middel van de feedback op zoek naar je eigen sterke punten, en blijf in die trend schrijven. Zo behoud je je eigenheid en eigen stijl.

Ten vierde: orde, regelmaat en discipline.

Ik merk van mezelf dat ik niet of erg moeilijk schrijf als ik niet ‘fris’ ben. Dat betekent dat ik in een min of meer gezond bioritme moet zitten. Tegen middernacht naar bed, zodat ik een uur of 8 later min of meer spontaan wakker word. Een avond tot een gat in de nacht op café zitten filosoferen in het gezelschap van wijn of trappist wil in mijn geval zeggen dat ik een schrijfdag moet ‘opofferen’. Alcohol belemmert mijn schrijven ook, dus waar ik vroeger tijdens de lunch al eens een glas wijn durfde drinken, vervang ik dat door thee (tenminste als ik nog wil verder schrijven na de middag). Turbulentie in mijn relationeel of sociaal leven is ook dodelijk, maar het lukt me wel meer en meer om me daarvoor af te sluiten. Geen turbulentie meer ware natuurlijk nog beter, maar ik ben voorzeker dat type niet.

Ten vijfde: vermijd afleiding.

Klinkt logisch natuurlijk, maar ik heb het zelfs niet over de afleiding die het internet met zich meebrengt. Het gaat me meer over het feit dat something’s gotta give. Dat je moet kiezen tussen de trap stofzuigen en vijfhonderd woorden typen. De afwas die zich opstapelt, en de vraag of er wel nog voldoende WC-papier op voorraad is. En hoe lang je op crocque-monsieurs kunt overleven zonder scheurbuik op te lopen. Of mama, wil je nieuwe liedjes op mijn Ipod zetten. Mama, wil je mij eens opvragen? Of mama, wat gaan we eten, want ik heb honger en is er nog iets om te drinken? Ik begin te vermoeden dat de beste plaats ter wereld om te schrijven een suite is in één of ander Hilton met butler-service. Ik dien nu een aanvraag in het Vlaams Fonds der Letteren.

Read Full Post »

Een mens komt zo nog eens iets te weten, als hij De Blik leest. ‘Bovendien liet ik op beroepsvlak wat kansen schieten door een mengeling van uitstellen, luiheid en faalangst’, zegt Marc Lauwrys. Systematisch onderpresteren, en je daar dan schuldig over voelen. Permanent de dreiging voelen omdat je betrapt kunt worden. De angst wegduwen, rationaliseren, jezelf gerust proberen stellen dat het allemaal wel goed komt. Jezelf beloven dat je het morgen zult doen, dat je morgen wel zult kunnen waar je vandaag van wegloopt. Externe prikkels opzoeken in de hoop dat die de onrust in jezelf zullen overstemmen. Jezelf kwellen door meticuleus alle mislukkingen, stommiteiten, flaters, blunders die je ooit beging in gedachten op te lijsten. Denken aan hoe je het allemaal had moeten doen, en hoeveel verder je dan zou kunnen staan in dit leven. De onmetelijke vrees voelen dat het nu wel echt helemaal te laat is. Panisch worden, je vingers koud en gevoelloos, je hoofd dat bonst, bloed dat gonst ter hoogte van de slapen. Je hart slaat op hol, je maag trekt samen en stuwt het zuur naar boven. Je voelt het angstzweet, het is alsof je lichaam alle porieën wagenwijd openzet om van die vuiligheid af te raken. Klamme handen, spasmen in je darmen en je gaat op zoek naar de WC.  In deze afgesloten ruimte laat je het hoofd zakken, en je probeert je ademhaling onder controle te krijgen. Inademen. Uitademen. Het is alsof je longen zich maar half kunnen vullen met lucht, je schouders zijn verkrampt, de spieren in je nek trekken keihard samen. Ergens in je brein doemt de mantra ‘rustig maar, rustig maar’ op, en daar klamp je je dan maar aan vast. Langzaam bereik je een stadium voorbij de angst. Je weet dat de vage dreiging nog een paar dagen op de achtergrond zal doorwerken, met af en toe nog een opstoot van onvervalste, blinde paniek die alles overheerst, je denken en je lichaam overneemt.

Read Full Post »