Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2013

Ennui.

Hier sta ik dan op het perron. Op weg naar mijn middenklasse job. Met mijn middenklasse koffie en in mijn middenklasse kleren. Met mijn middenklasse kleur en een middenklasse geur uit een flesje dat ik kocht omdat het mij iets anders dan middelmaat beloofde. Ik woon in een middenklasse huis en ik heb middenklasse vrienden. ’s Avonds eet ik soms samen met hen in een restaurant waarover ik las in een middenklasse tijdschrift. De gelagzaal is gevuld met middenklasse mensen die praten over hun middenklasse kinderen en hun middenklasse hobbies. Ik lees boeken van middenklasse schrijvers die denken wat ik denk en die voelen wat ik voel. Ik heb middenklassedromen zoals een eigen huis. Een wereldreis en veel tijd om te doen wat ik wil. Mijn wereld is wit.

Ik blader door de middenklasse krant en ik luister naar de radio dat een programma uitzendt voor mensen zoals wij. Ik hou van mijn middenklasse man. Ik lijd aan middenklasse kwaaltjes. Ik heb een middenklasse bril. Ik ben 5 kilo te dik. Maak er 10 van.

De middenklassetrein dendert over het spoor, houdt eerst halt bij de voorstad. (DE PINTE WAAKT!). Vanuit het raam in mijn coupé zie ik de achterkant van de huizen en de tuinen. Veranda’s en gordijnen. Dubbel glas en zonnepanelen. Keurig geschoren hagen, gemillimeterd gazon. Een terras in steen of hout met tuinmeubels uit blauw plastic. Trampolines met een netje rond. We zijn een voorzichtig volk. Met het verstrijken van de jaren groeien de hagen hoger en houden we de poorten dicht. Er staat nu meer op het spel dan vroeger.

Straks begint het grote consumeren weer. Nutteloze dingen verpakt in glanspapier.

Ik ben een stomme goudvis die niets van de wereld weet. Ik haal betekenis uit dingen die er niet toe doen. Hoe moet ik weten wie woont aan de onderkant, de achterkant van wat ik ken? Waar gekrabd wordt en gehoest en waar de blik vernauwt. Ik ken de mensen niet die het leven laten op vreemde zeeën in gammele bootjes. Ik heb geen weet van zij die sterven in loeihete woestijnen één of andere Mozes volgend naar het beloofde land. Wat ken ik van de wanhoop van wie hier aankomt en die prikkeldraad wacht en vijandige blikken?

Ik wou dat ik anders was, meer en beter ook. Waarom zijn wij zo ongevaarlijk? Zo banaal en kneuterig? Zo klein, zo dwaas, zo afgestompt? Van wie zijn we zo bang? Waarom zijn wij zo makkelijk om de tuin te leiden? Waarom laten we ons zo makkelijk sussen, in slaap wiegen en uiteindelijk als schapen naar de slachtbank voeren?

Waarom doen we alsof we niet weten wat er komt?

Advertenties

Read Full Post »

Een lans voor Klara.

Op het facebookprofiel van mijn moeder zie ik door middel van haar virtuele duim omhoog de pagina “Ja, ik luister naar Joos op Radio 1” verschijnen. Ja, ik luister ook naar Joos op Radio 1 als het kan. Meestal kabbelt het programma vriendelijk verder op de achtergrond terwijl ik aan het werk ben. Ruth Joos heeft een aangename stem, een vlekkeloze uitspraak en als ik de verzamelde auteurs en acteurs mag geloven die de laatste weken over elkaar heen vielen om schande te roepen over de aankondiging dat het programma zal afgevoerd worden beschikt ze over een warme persoonlijkheid en zoveel liefde voor haar vak dat ze zelfs de boeken las die zich ter bespreking aandienden. Als ‘Joos’ (het programma, niet de vrouw!) een hond was, dan vast een goudgele labrador. Zo eentje die altijd vrolijk blaffend en met wapperende oren de weggegooide stok netjes komt terugbrengen en die je rustig kunt vertrouwen met de kleine. Het is moeilijk om boos te worden op lieve labradors, je voelt je altijd een beetje een miserabele klootzak als je zo’n beest een uitbrander geeft.

Terwijl ‘Joos’ nog voor even gemoedelijk door de ether zweeft werd op Klara geruisloos het cultuurprogramma ‘Babel’ afgevoerd. Als ‘Joos’ (het programma, niet de vrouw!) een labrador is, dan was ‘Babel’ een dolfijn of zo. En dan heb ik het niet over zo’n sufgetraind dier dat ter vermaak van kleine kinderen en hun grootouders in één of ander dolfinarium rond tuimelt in ruil voor een haring. Nee, Babel was nieuwsgierig, buitelend, verfrissend, onverwacht. Babel was de schatkist op de stoffige zolder van je grootmoeder en waar je onverwacht de ene na de andere onontdekte parel kon opdiepen. Het kon al eens een kwartier of langer over opera gaan, bijvoorbeeld. En in tegenstelling tot ‘Joos’ viel er al eens een woord van gefundeerde kritiek te horen. Zo luisterde Erna Mettepenningen eens een autorit huiswaarts op door minutenlang ongecensureerd haar gal te spuwen over de enscenering van ‘Carmen’ door de Amerikaanse regisseur Daniel Kramer. Gloeiend van verontwaardiging en met een Gents accent dat steeds sterker leek te worden wond ze zich op over de vulgariteit ervan en hoe het hoofdpersonage werd gereduceerd tot nauwelijks meer dan goedkope hoer en hoe dat de oorspronkelijke tekst en boodschap van het personage geen recht deed. Maar het was wel goed gezongen, voegde ze er achteraf nog aan toe. Ik zat bijna te schateren achter het stuur, en ik heb thuis direct gekeken of ik nog een ticket kon kopen voor de voorstelling. Niet omdat ik de kritiek niet geloofde, maar omdat ik me beter zou gewapend gevoeld hebben tegen de eigenzinnige interpretatie van de regisseur.

In ‘Babel’ werden ook de minder aaibare kneusjes van cultuurland gedoogd. Enfin, kneusjes. Ik bedoel eigenlijk de dichters of de auteurs die minder mainstream zijn dan Bart Moeyaert bijvoorbeeld. (Niets tegen Bart Moeyaert hoor, maar soms wordt een mens een beetje moe van al die labradors). Zo mocht Annemie Tweepenninckx eens Judith Herzberg interviewen in een studio in Hilversum, terwijl Annemie in Brussel zat. De wonderen der techniek hé! Het moest gaan over de nieuwe bundel van de dichteres, ‘Klaagliedjes’. Haar interpretatie van het Bijbelboek ‘Klaagliederen’ was dat. Wie zich het moeizame interview van Joos met Nolens nog herinnert moet zeker eens het gesprek tussen Tweepenninckx en Herzberg beluisteren. (Dankzij de wonderen der techniek kan dat hier). Ik hoorde het, alweer toen ik van het werk naar huis reed en ik klemde mijn handen om het stuur toen. Het ging hortend en stotend, het misverstand regeerde. Toen alsnog ontdooiing en een interview dat kleurde buiten de lijntjes van de regie. Achteraf zei Annemie Tweepenninckx dat ze haar twijfels had gehad om het uit te zenden, maar ik was heel blij dat de redactie toch besloot om het te doen.

Nu is Babel vervangen door een uurtje Pompidou. Ook cultuur, daar niet van. Maar wel een uur minder lang. Vorige week hoorde ik Yves Desmet  zich tijdens dat uurtje middels een voorgelezen cursiefje zijn beklag doen over de aangekondigde verdwijning van Joos. Hij besefte waarschijnlijk niet eens dat hij die uitspraak deed tijdens het tijdsslot waar tot voor enkele maanden een aantal mensen met hoorbare liefde voor hun vak een werkelijk uitstekend cultuurprogramma maakten. Moeilijk en compromisloos, en al helemaal zonder de makkelijke invulling van cursiefjes die de meningencultuur van vandaag zo nodig lijkt te hebben.

Waar Annemie Tweepenninckx is gebleven is me een raadsel. Misschien moet iemand wel eens Child Focus verwittigen en melding maken van een onrustwekkende verdwijning.

Begrijp me niet verkeerd, het is jammer dat Joos op het kapblok komt te liggen. Auteurs, acteurs, dansers, regisseurs en iedereen die van mainstreamcultuur zijn beroep heeft gemaakt zal op zoek moeten gaan naar een andere manier om zijn boek, film, bundel of voorstelling te pitchen. Bij Joos kan dat nog even, het is een programma op een grote zender dat door nogal wat mensen beluisterd wordt. Langs de andere kant: kunnen we ophouden met doen alsof we bij Joos terecht kunnen voor diepgaande analyses en ontdekkingen buiten de platgetreden paden? Zoals Peter Casteels op Apache al opmerkte wordt het programma voornamelijk gevuld met aankondigingen van de cultuurindustrie.

Het is een beetje tekenend voor de staat van wat we dan maar de intelligentsia van vandaag zullen noemen dat men – terecht hoor – op de achterste poten staat op het moment dat een programma als Joos dreigt afgevoerd te worden terwijl je niemand hoort over de geruisloze slachting van Babel. Uiteindelijk regeert de middenstand nog altijd het land.

Read Full Post »

Ik zeg al niets meer.

Ik weet het ook niet meer, dus ik zwijg maar.

Gisteren hoorde ik een interview met een man die was opgepakt bij de zoveelste betoging van die Afghaanse vluchtelingen die zo stout zijn dat ze een structurele oplossing voor hun probleem willen. In het beste geval worden ze genegeerd, of we mopperen over de verkeershinder die deze mensen veroorzaken als ze in Brussel een kruispunt bezetten. We laten hun lot over aan een minister die vindt dat zij noch wij moeten overdrijven. Een dode op zovele uitwijzingen, wat is dat nu ook? Ze zullen met een paar honderd zijn waarschijnlijk, de Afghanen die uiteindelijk hier zijn aangespoeld. Op de vlucht voor krijgsheren, religieuze fanatici die meedogenloos hun visie op de wereld aan anderen opleggen, armoede en de uitzichtloosheid van een land dat daar maar ligt na jaren van oorlogen. Op het nieuws, als het daar eens over gaat zien we bergen van oker, zwaar gesluierde vrouwen, bebaarde mannen die hun ogen dichtknijpen tegen de zon en met een volautomatisch geweer in hun schoot. Maar goed, wij hebben beslist dat het er veilig is dus ze moeten weg, die Afghanen.

Eerder deze week werd in een krant Kuregem met Kaboel vergeleken. Het knettert in mijn hoofd als ik mij voorstel hoe ik aan iemand moet uitleggen op hoeveel manieren iets fout kan zijn. De ene no-go zone is de andere duidelijk niet. Droog maakte de nieuwslezer gewag van 170 opgepakte mensen, inclusief de man die in de boeien werd geslagen en vanuit de cel per telefoon een interview gaf. Weet u wel dat het verboden is om te bellen terwijl u opgepakt bent, vroeg Annelies. Dat wist de man niet.

Ik kan het beeld niet van me afschudden van die ene buschauffeur die zijn collega, die me later naar zou afzetten aan de halte vlakbij mijn werk, triomfantelijk met de krant van die dag toezwaaide. Sharifi mag op safari, riep hij. Ik zat op de bank in de warme bus en ik zei niets. Ik dacht vanalles, maar ik zei niets. Liet niet blijken wat ik van zijn woorden vond, hoe ongepast zijn vreugde mij toescheen.

Maar goed, ik ken er niets van en ik heb ook geen zin in agressief gestelde vragen zoals ‘wij zijn toch het OCMW van de wereld niet?’. De krampachtige, schrille toon waarmee elk debat gevoerd wordt, ik kan er niet meer tegen. Emotie en frustratie worden als brandstof samengeperst in een ontploffingsmotor, en iedereen schreeuwt maar, graaft zich in, bunkert in de eigen positie. Elke mening, hoe futiel of banaal ook dient geventileerd. Mensen zeggen dat het hen niet interesseert, dat ze zich niet willen moeien en gaan vervolgens onvermoeibaar door op een elan van ‘zie je wel dat ik gelijk heb’. Denkfouten woekeren als braamstruiken en versmoren elk redelijk argument. Het zal de toon wel zijn, of een woord dat verkeerd valt. De arme, hongerige kindjes uit Ethiopië zijn vervangen door de kindjes uit Syrië. Tot de eerste families uit Syrië hier toekomen waarschijnlijk. Dan zullen we de populairste politicus op TV laten zeggen dat er veilige zones zijn en dat de wet nu eenmaal de wet is. Dat we ons niet druk kunnen maken over 1 enkele dode. En dat we nu eenmaal het OCMW van de wereld niet kunnen spelen.

Ik probeer me terug te trekken in de literatuur, doof te blijven voor het gehuil en het gejank waarmee we vooral energie lijken te verspillen. Ik wend mijn blik af als ik weer eens een opiniestuk zie dat gepitcht wordt met clichés als ‘scherpe analyse’ wat dan uiteindelijk betekent dat iemand 500 woorden meer heeft gekregen om iets te schrijven dat je al wist of dat in de eerste paragraaf al duidelijk maakt dat de auteur vooral zichzelf interessant vindt. Hoe wanhopig moeten hoofdredacteuren eigenlijk niet zijn dat ze hun sites en hun kranten of tijdschriften in hoofdzaak vol willen laten lullen slecht onderbouwde onzin?

Ik zeg al niets meer. Uiteindelijk is nieuws niets anders dan de banalere versie van literatuur.

20131023-194806.jpg

Read Full Post »

zoektermen

Read Full Post »

Amsterdam.

Ewel ja. Het weer is even druilerig als Iejoor, ik ben deze morgen veel te vroeg mijn bed uit gejaagd en ik heb de onmiskenbare indruk dat ik met een griepje onder de leden loop en vrees dat de 3 Dafalgans die ik nog in huis blijk te hebben onvoldoende zullen zijn om me op de been te houden. De onderhandelingen met mijn 15-jarige om wiskunde te studeren verlopen ongeveer even vlot als de regeringsonderhandelingen die uiteindelijk Elio in het zadel kregen, ik zal mijn lief niet zien tot volgende vrijdag en ik kijk tegen een een 4 weken durende alcoholvrije periode aan. Bovendien is mijn geld alweer bijna op. Voldoende excuses dus om eens gewoon te doen en iets te schrijven over Amsterdam wat je ook in elke reisgids van het 7de knoopsgat kunt vinden.

  • Beste 15 € ooit uitgegeven aan een ticket voor het Van Gogh museum. Ik weet niet wat het is, mijn affaire met Van Gogh. Is het zijn levensloop? De meest bekende van zijn schilderijen zijn natuurlijk iconisch en een mens kan geen banale brasserie binnenstappen zonder een onderlegger te zien met zijn Zonnebloemen of zo er op, maar toch. De ontroering die ik voel als ik die werken ‘in het echt’ zie is op het gênante af bijna. Ik had het de eerste keer vlaggen toen ik een paar jaar geleden in het Musée d’Orsay oog in oog kwam te staan met zijn ‘Kerk te Arles’ of de ‘Sterrenhemel’. Ik kan het niet anders omschrijven dan dat ik er week van word. Dat ik mij het liefst een uur of twee op mijn gemak voor een doek als ‘Amandelbloesems’ zou zetten met een pakje zakdoeken bij de hand. Zo teer, zo fragiel, zo mooi. Zo blauw en zo symbolisch. (In de shop zijn brillendozen, onderleggers, handtassen, koffiekoppen, sjaals, … te verkrijgen. Het moet uiteindelijk wel allemaal een beetje opbrengen). Mooi museumgebouw ook, van Rietveld als ik mij niet vergis. Protip: bestel je tickets online.
  • Het Museumplein is een mooi plein, veel gevoel van ruimte. En ik vermoed dat die ‘badkuip’ van het Stedelijk Museum een beetje dezelfde gevoelens bij de Amsterdammers heeft losgeweekt als de Stadshal bij de Gentenaars. ’t Is nogal spesjaal, maar als je nooit anders hebt geweten stoort het hoegenaamd niet. Het café van het Stedelijk was trouwens mijn eerste ervaring met de horeca in Amsterdam dit weekend. Ook spesjaal eigenlijk. Je bestelt ’t dees of ’t geen en je krijgt onveranderlijk het antwoord ‘komt er aan, hoor’, maar dan met een intonatie die doet vermoeden dat het nu ondertussen al de 34ste keer is dat je ’t dees of ’t geen hebt besteld. Maar voor de rest: vriendelijke en vlotte bediening daar in het Stedelijk Museum. Volgende keer plan ik zeker een bezoek. Wie een tentoonstelling van Malevich plant, die kan rekenen op mijn interesse.
  • En nu we het toch hebben over 15 € spenderen: als ik kon, ik vroeg mijn geld terug aan het Hermitage Amsterdam. Niet dat die mensen mij iets verkeerd hebben gedaan, maar het was een kleine, redelijke saaie tentoonstelling (zeker als je de dag ervoor voor hetzelfde bedrag een paar uur door het Van Gogh museum bent gedwaald). Ik had er meer van verwacht, hoopte op een fractie van de grandeur van de Hermitage in Sint-Petersburg (waar ik overigens nog niet geweest ben, moet ik bekennen). Langs de andere kant: misschien was die magere tentoonstelling wel de laatste zet van de Nederlandse regering in het conflict met de Russen. Tijdens hun Vriendschapsjaar nota bene! Soit, als je alle andere musea hebt afgewerkt in Amsterdam, dan zou ik dit er ook nog bijnemen. Voor de goede verstaander.
  • Nog een punt van vergelijking tussen Amsterdam en Gent: er worden op dit moment her en der werken uitgevoerd aan het tramnet. D’r wordt geboord, geklopt, gehamerd, gedrild, gegraven en gebuldozerd dat horen en zien je vergaan. Er zijn omleggingen en omleidingen, doodlopende steegjes en onafgewerkte bouwwerven achter hoog opgetrokken hekken. Dat maakt het er voor de argeloze buitenlandse voetganger niet makkelijker op. (Spoiler alert: resem clichés onderweg!). Kijk, ik heb met fietsers ongeveer dezelfde verhouding als ik met kleuters en honden heb: leid uw eigen leven, blijf op respectabele afstand en ik zal je met enige welwillendheid bejegenen. In het geval van kleuters wil ik nog kleurpotloden en koekjes in de strijd gooien. Maar honden moeten dus liever niet hun stinkhaar en kwijlende kop in mijn schoot duwen, want anders hebben we ruzie. En van fietsers krijg ik liever niet het gevoel dat ik me als voetganger in de voedselketen ongeveer op hetzelfde niveau als plankton bevind. Serieus, Amsterdam. Uw voetpaden zijn te smal (als ze al bestaan) en worden om de haverklap gehinderd door fout geparkeerde voertuigen, bankjes en (jawel!) geparkeerde fietsen al dan niet met een bak vooraan. Fietsen als gevallen lijken uitgespreid over het trottoir. Fietsen, 4 rijen dik aan elkaar vastgemaakt en zo elke doorgang verhinderend. Je ziet je als voetganger dus verplicht om de helft van de tijd op de rij(wielen)weg te wandelen. En dat, lieve lezer, komt je dus te staan op het constante belgerinkel van gehaaste fietselingen. Want elke fietser in Amsterdam lijkt zich van hot naar her te spoeden, moet volgens een protestantse klok ergens op tijd aankomen blijkbaar. Op het einde van de tweede (en dus laatste) dag had ik het concept onder de knie: gewoon negeren dat hooglijk irritante fietsbelletje en rustig, onverstoorbaar als een Boeddha je weg vervolgen. Ze remmen wel. (En misschien moet ik volgende keer maar zelf de Amsterdammer uithangen en een fiets huren).
  • Ik weet wel, veel toeristischer dan dit wordt het niet, maar die rondvaart op de grachten was heel fijn. Voor 10 € zit je een uur in zo’n platte schuit en dat levert je een heel fraai zicht op de statige herenhuizen van de beroemde Herengracht en andere. En je krijgt ook een antwoord op de vraag: waarom bouwen ze in Amsterdam hun huizen in hemelsnaam zo schots en scheef?

Besluit? Amsterdam heeft vele troeven en ik kom zeker nog terug. Alleen niet direct.

Read Full Post »

Wanneer ken je nu ook een stad? Wanneer dring jij tot haar door, in plaats van enkel omgekeerd? Wanneer voel je je op gelijke hoogte, wanneer ben je niet langer toerist, reiziger of vreemdeling? Is het als de verwondering stopt? Als je de weg kent door haar straten, lanen en boulevards? Leer haar kennen door een nacht te dwalen en te struikelen van café naar café. Laat je aanspreken door drugsdealers en weiger hun marchandise eerst beleefd. Deel een sigaret met een bedelende dakloze, laat je niet afschrikken door zijn geur noch voorkomen. Geef hem er bij het afscheid nog 2, en wens hem ondanks alles succes.

Laat je in de zak zetten door een straatventer die je betovert met zijn radde tong, wees achteraf niet te boos dat je je in de luren hebt laten leggen en nu opgescheept zit met een parfum dat stinkt of een riem waarvan de sluiting het na luttele uren begeeft. Spoel de teleurstelling weg met een glas bier of wijn dat je drinkt in een café waar je eerst niet binnen wou omdat het meer leek op een donker hol dan op een kroeg. Wees niet bang van de waard, ook al leek hij op het eerste zich iets in zich te dragen van Cerberus, de driekoppige hond die poorten naar de onderwereld moet bewaken.

Kijk omhoog en niet omlaag, en betrap de jongeman die in ontbloot bovenlijf een telefoongesprek voert op zijn bed. De slapers nog in de hoekjes van zijn ogen. Zit op een bankje in een park, zomer, herfst of winter en luister stiekem naar de gesprekken die haar inwoners met elkaar voeren. Merk op dat ook daar, in den vreemde, het verlies van de liefde of de recente herovering ervan de boventoon voert.

Stap op een bus of een tram zonder te weten waarheen die je zal voeren, stap af en verdwaal in een stadsdeel dat je niet in de gids vindt. Wees niet bang. Wees niet bang. Spreek met taxichauffeurs en weet dat ze je alle leugens zullen vertellen die de stad rijk is.

Realiseer je dat een stad je wel in haar armen zal sluiten, maar zich slechts langzaam gewonnen zal geven. Dat je na enkele dagen zult terugkeren met het gevoel dat de reis onaf is, en dat de stad in kwestie je terug zal lokken. Wees geduldig, krab bij elk bezoek iets meer weg van het laagje vernis waarmee een stad zichzelf oppoetst. Als een vrouw die zich klaarmaakt voor een feestje.

Neem de foto’s die iedereen neemt, steek de rivier over via de brug die iedereen bewandelt. Geef enkele munten aan de blinde violist die een klaaglijk geluid uit zijn instrument wringt. Bezoek haar musea, haar kerken, haar dom of kathedraal. Doe zoals iedereen, voorlopig ben je enkel te gast. Koop geen souvenirs in de vorm van klompjes of sleutelhangers, kurkentrekkers, malle hoeden of miniatuurweergaves van haar belangrijkste monumenten. Toegelaten: een glazen bol met sneeuw er in om op te schudden (zo verveel je je niet tijdens de terugweg). Koop een boek dat je altijd aan haar zal doen denken of vul je hoofd met de herinnering aan een film die je daar hebt gezien. Steek een bedrukte servet in je handtas van het restaurant waar je at.

Read Full Post »

Twitter.

Wat zouden we zijn zonder de blageurs, de opscheppers, de poseurs, de gestekakkers, de ertefretters,  de schaamteloze ijdeltuiten, de narcisten en de navelstaarders, de wijsneuzen, de muggenzifters, de mierenneukers, de zageventen, de slimmeriken zonder hersenen. De vragers en de klagers, de schaamteloze hengelaars naar complimentjes en uitnodigingen voor recepties en evenementjes. De mouwvegers, de stroopsmeerders, de hielenlikkers. De overbodige discussies, de vergezochte vergelijkingen en de slimmigheidjes zonder doel of zonder reden, behalve dan het zonnetje te laten schijnen over het eigen intellectje. Het is een oefening in gelijkhebberijtjes over pietluttigheden die er niet eens toe doen. Tijdverdrijf voor verveelde lieden, vervelende mensen en al wie goesting heeft zich in de leeuwenkuil te wagen. Het is een krabbenmand, een slangennest en een vossenhol. De virtuele place m’as-tu-vu?

Het is voortdurend snateren, snibben, kwebbelen, kwetteren, babbelen, ruisen, napraten, blèren, stoken, zeuren, zagen, snuiven, gnuiven en meesmuilen. Het gaat van nénénénénénénéné en van mimimimimimimi en van nee, nu doe ik niet meer mee en alles wat ge zegt dat zijt ge zelf. Het is roddel en het is achterklap, het is kleingeestig klagen over dit en over dat, over ’t dees en over ’t geen en over alles en niets tegelijk. Het is overdragen en klikspanen-boterspanen. Het zijn ditjes en datjes en kreetjes en zuchtjes. Scheetjes in een fles of in een netzak. Geblaat, geblaat, geblaat, een hele schaapstal vol en zonder wol.

Het gaat over koffie en latte en taartjes en splinters in de vinger, over moet ge nu eens iets weten? Het is van kijk naar mij en zie ne keer hoe goed ik wel niet mee ben en mama ik kan al zonder handen. Het zijn jengelende kleuters en snotterende peuters. Het is autist hier en autist ginder, het is boehoe ‘arme ikke’ en kijk naar wat de wereld mij nu doet. Het is het gezeik over treinen en bussen en trams die te vroeg zijn, te laat komen, te vol zitten of te leeg blijven. Het is de voetbal en de koers, de vrouwen en de venten, de schoenen en de hemdjes, de films, de series, de concertjes en de festivals. Het is waar ge moet geweest zijn als iedereen al voort is. Het zijn twunches en lunches en twi-twa-twovenaar.

Het is de jaarmarkt op het dorpsplein, de Vlaamse kermis met Breughelfestijn en sjoelbakgedoe. Bollo smitto voor luie journalisten en omhoog gevallen columnisten. Het orkestje op de Titanic dat ons zien en horen doet vergaan, een cocktailparty op een mesthoop, een doldrieste commedia dell’arte, een vermoeiend theepartijtje bij Alice in Wonderland.

En tof dat dat allemaal is.

Read Full Post »

Older Posts »