Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Opvoeding & Pedagogie’ Category

Vrouwen kunnen niet parkeren. Mannen zijn nu eenmaal beter in wiskunde en wetenschappen. En volgens bepaalde bestsellers komen  vrouwen zelfs van Venus, mannen van Mars en is communicatie tussen beide seksen bijna onmogelijk. Cordelia Fine, neurowetenschapper en doctor in de pyschologie, maakt in haar boek ‘We komen allemaal van Mars’ brandhout van dat soort stellingen en noemt het ronduit ‘neuroseksisme’.

Op 19 september gaf Cordelia Fine aan de KUL een lezing onder de titel: ‘Women and Men are from Earth: The real science of sex differences’. (Vrouwen en mannen komen van Aarde: de echte wetenschap over sekseverschillen). Daarin gaat Fine dieper in op de basisstellingen van haar boek en vertelt ze meer over haar kritische positie ten opzichte van de conclusies die neurowetenschappers trekken op basis van neurologisch onderzoek dat tegenwoordig vooral gebeurt door het afnemen van fMRI’s (brainscans).

Populaire literatuur over sekseverschillen.  

Toen Fine als ouder van 2 kinderen zelf een aantal populaire boeken begon te lezen over opvoeden (o.a. Why Gender Matters: What Parents and Teachers Need to Know about the Emerging Science of Sex Differences door Leonard Sax) werd ze getroffen door beweringen zoals ‘nieuw wetenschappelijk onderzoek heeft nu onomstotelijk aangetoond wat we al langer dachten, namelijk dat het mannelijke en het vrouwelijke brein intrinsiek van elkaar verschillen’. Mannen en vrouwen zouden op een heel andere manier informatie en talige impulsen verwerken. En die vaststelling zou dan weer moeten leiden tot verklaringen over waarom vrouwen nu eenmaal niet zo goed presteren in pakweg wiskunde en waarom het voor mannen quasi onmogelijk spreken is over hun gevoelens of wat hen bezighoudt.

Alleen, zo bewijst Fine in haar boek, is het wetenschappelijk onderzoek dat dergelijke intrinsieke verschillen blootlegt helemaal niet zo consistent als de populaire literatuur beweert. Kort gezegd: boeken zoals ‘Vrouwen komen van Venus, Mannen komen van Mars’ mogen dan wel aangenaam zijn om te lezen, u hecht er best niet al te veel geloof aan (om niet te zeggen: helemaal geen).

Onderzoek.

Maar waar komen al die publicaties dan vandaan? Waarom worden we de laatste jaren overspoeld met studies over hoe verschillend mannen en vrouwen wel niet van elkaar zijn, hoe ze anders denken, voelen en zich dus helemaal anders gedragen? Is daar dan helemaal niets van waar?

Fine verwijst tijdens haar lezing naar een studie die in 1995 in het befaamde wetenschappelijke tijdschrift Nature verschijnt en die één van de eerste is die rapporteert over de verschillende manier waarop mannen en vrouwen informatie verwerken. Voor die studie worden 19 mannen en 19 vrouwen aan 3 verschillende taken onderworpen terwijl er ondertussen scans van hun breinen worden genomen. Voor 2 van de taken worden geen verschil vastgesteld in de manier waarop beide geslachten informatie verwerken. Voor de andere taak worden kleine verschillen gerapporteerd, dus daarover wordt uitgebreid bericht.

En dat is een trend die sindsdien enkel is versterkt: studies die geen of zeer weinig verschillen aantonen worden ofwel niet gepubliceerd en liggen in het beste geval stof te vergaren in allerlei archieven. In het zeldzame geval dat zo’n onderzoek wel gepubliceerd raakt krijgt die uiteraard niet dezelfde aandacht als weer eens een studie die schreeuwt hoe zeer mannen en vrouwen van elkaar verschillen, laat staan dat deze doorsijpelt naar de populaire pers en zich zo nestelt in het bewustzijn van mensen.

Gelijkenissen worden dus onder de mat geschoven en de eventuele verschillen die in sommige studies – dikwijls op zeer kleine testpopulaties en met dus veel kans op toevalstreffers – worden breed uitgesmeerd. (Volgens Fine zijn tot 75% van de onderzoeken die op verschillen wijzen uitgevoerd op te weinig testpersonen).

Ons beeld over de zogenaamde verschillen tussen mannen en vrouwen is dus niet enkel gestoeld op dubieus onderzoek maar wordt ook nog eens versterkt doordat er niet bericht wordt over de vele studies die geen significante verschillen aantonen. Meta-onderzoek (een onderzoek dat alle onderzoeksresultaten over een bepaald onderwerp groepeert en bestudeert) is trouwens zeer duidelijk: er is geen verschil in de manier waarop een ‘vrouwelijk’ en een ‘mannelijk’ brein talige informatie verwerken.

Conclusies.

Een ander heikel punt in de wetenschappelijke methodiek die gehanteerd wordt is de manier waarop de sprong gemaakt wordt van de constatering van een bepaald feit naar de conclusie die er aan wordt vastgemaakt. Zo wordt de algemeen aanvaarde (en foute) stelling dat hersenen van mannen gemaakt zijn om zich te focussen op 1 enkel probleem en dat die van vrouwen zich meer concentreren op de globaliteit van de dingen nogal vaak in het geweer gebracht om de ‘natuurlijke’ aanleg van mannen voor wiskunde en wetenschappen te verklaren. Terwijl het net zo logisch zou zijn om te stellen dat een brede kijk op de dingen – wat dan weer een exclusief vrouwelijke insteek is blijkbaar – evenzeer in aanmerking komt als kwaliteit om wetenschappelijke problemen te benaderen.

Het gaat zelfs zo ver dat studies die een totaal verschillend testresultaat hebben, toch tot dezelfde conclusie komen. De prefrontale cortex is bijvoorbeeld het gedeelte in het brein dat verantwoordelijk wordt geacht voor emotionele controle. Er zijn studies die aantonen dat in geval van emotionele stress mannen meer activiteit hebben in dat gedeelte, andere studies bewijzen hetzelfde voor vrouwen en nog andere studies rapporteren geen verschil. De conclusie in elk van die gevallen was wel dezelfde: mannen zijn beter in staat dan vrouwen om hun emoties onder controle te houden.

Hoe toevallig! En dat heeft natuurlijk niets te maken met het heersende discours over vrouwen die emotionele kippetjes zijn die niet in staat zijn om het hoofd koel te houden op momenten dat het er op aankomt rationele beslissingen te nemen.

Aangeboren.

Een denkfout die bovendien vaak voor komt is de aanname dat bepaalde fenomenen die in de hersenen aangetroffen worden per definitie aangeboren zouden zijn. Onze hersenen zijn bij de geboorte lang niet volgroeid, en het is geweten dat bepaalde verbindingen tussen de twee hersenhelften (zoals het corpus callosum bijvoorbeeld) sterker worden onder invloed van opvoeding en andere prikkels. Hoe kinderen gesocialiseerd worden heeft invloed op de hersenontwikkeling. Bij die socialisatie hoort ook de voortdurende confrontatie met stereotypes over gender zoals ‘meisjes zijn niet goed in wiskunde’ of ‘jongens huilen niet’. Veel meer dan aangeboren verschillen in de hersenen beïnvloeden dergelijke denkbeelden wel degelijk het denken en het gedrag van jongens, meisjes, mannen en vrouwen.

Uniek.

Zijn er dan helemaal geen verschillen tussen mannen en vrouwen, hoor ik u al denken? Wees gerust, die zijn er. Alleen zijn ze veel miniemer dan wordt aangenomen en zijn de gelijkenissen veel groter, zo wijst wetenschappelijk onderzoek uit. Elk mens is een uniek individu, met een even unieke set aan karaktertrekken waarvan er sommige als ‘vrouwelijk’ bestempeld kunnen worden en andere weer als ‘mannelijk’. Mensen verschillen van elkaar, veel meer dan dat er sekse-onderscheid is.

Cordelia Fine.

Voor mensen die het nog niet deden: het boek ‘We komen allemaal van Mars’ (de vertaling van ‘Delusions of Gender’) is een absolute aanrader voor wie meer wil weten over dit razend interessante onderwerp. Het is bovendien een verademing omdat het je in staat stelt in het verweer te gaan tegen de immense hoeveelheid onzin die erover verschijnt onder titels zoals ‘uw man begrijpt u niet, maar hij kan er niets aan doen’ of ‘waarom vrouwen jaloers zijn’.

Daarnaast is Cordelia Fine een aangename spreker, die er moeiteloos in slaagt haar publiek te boeien en daarbij – hoe onvrouwelijk – de nodige portie humor niet schuwt.

Advertenties

Read Full Post »

Beste Mijnheer Libeer,

Ik weet dat u een druk bezet man bent, en het zou kunnen dat u dit weekend nog naar een communiefeest moet of zo. Maar ik zou toch eens een paar minuutjes van uw tijd willen vragen. Tenzij u de hele voorbije week op één of andere handelsmissie in een ver, ver land was, is u waarschijnlijk de heisa niet ontgaan die Sofie Verschueren heeft ontketend. In de Knack verscheen haar noodkreet. Over hoe moeilijk het is om als koppel met een kleine voltijds te blijven werken zonder dat je het gevoel hebt dat je dat kind eigenlijk onrecht aandoet.

Ik weet het, als goede ultraliberaal kijkt u natuurlijk naar de overheid om kwalitatieve kinderopvang te organiseren, maar ik kan enkel samen met u vaststellen en betreuren dat deze marxistische regering daar op dit moment schromelijk tekort schiet. Daarom had ik gedacht, mijnheer Libeer, dat uw creatieve en innoverende ondernemers misschien wel ter hulp zouden kunnen snellen. We weten immers allemaal, dat als het moeilijk wordt, Ondernemerman voor ons klaar staat met visie en passie en keihard werken om ons te redden van de nakende ondergang.

Wacht nog even met op uw achterste poten te staan: ik zal u hier eens haarfijn uit de doeken doen hoe we hier samen onverkort een win-win situatie van maken.

Stel u eens voor dat de verschillende ondernemingen die samen op 1 groot bedrijventerrein liggen allemaal samen zouden werken om voor hun werknemers die het nodig hebben op die plek een crèche te openen. Wat zijn daar de voordelen van?

Ten eerste:  de werknemers van die bedrijven zijn content, want ze moeten zich niet suf zoeken naar kinderopvang. Ik weet dat het waarschijnlijk ver van uw bed is, maar geloof mij: een plaats bemachtigen in een goede crèche is in een stad als Gent een helse klus, een kwestie van ellebogenwerk en in het slechtste geval 15 kilometer verder een plaatsje vinden bij een onthaalmoeder die u als ouder misschien niet helemaal ligt. En dat soort kopzorgen, dat zorgt bij de werknemers bij stress. En die stress en dat gepieker, dat zorgt ervoor dat de werknemers er misschien niet helemaal goed met hun gedachten bij zijn op het werk. En dat is niet goed voor Ondernemerman. Want dan worden er fouten gemaakt, of meldt de werknemer zich sneller ziek omdat hij ’s nachts wakker ligt. Of hij krijgt een maagzweer, een burn out, een depressie of een andere vieze ziekte. En wie mag daar weer voor opdraaien? Ondernemerman.

Ten tweede: het is een kwestie van efficiëntie. Vandaag rijdt werknemer A met bedrijfswagen B naar de crèche/onthaalmoeder C. En van daar naar het werk. En ’s avonds diezelfde weg in de omgekeerde richting. En wie betaalt die kilometers? Werkgever D die elke maand een dikke vette factuur in de bus krijgt van het tankstation. En hoe zou het morgen kunnen zijn? Werknemer A rijdt met bedrijfswagen B naar het werk. Stopt 500 m voor hij op het werk aankomt bij crèche C waar hij/zij baby E. afzet. Wie is er op het einde van de maand gelukkig met minder afgelegde kilometers? Aha!

Ten derde: gedaan met de 9 tot 5 mentaliteit! Vandaag kijkt werknemer A vanaf kwart voor 5 op de klok, want baby E moet met bedrijfswagen B op tijd afgehaald kunnen worden, anders zwaait er wat. Om 17h01 spurt werknemer A over de parking richting bedrijfswagen B om zich in het verkeer te storten in de hoop op tijd de kleine te kunnen afhalen. Dat er nog een klant aan de lijn hing, een dringende offerte moest worden afgewerkt of een bestelling moest worden ingevoerd, dat is er niet meer van gekomen, en dat is wel heel jammer. Zeker voor Ondernemerman die misschien een klant verliest of omzet misloopt omdat werknemer A echt geen kwartier langer aan zijn bureau kon blijven zitten. Maar als de crèche vlakbij is en bovendien lang genoeg open blijft, dan zal geen enkele gemotiveerde werknemer het erg vinden om eerst rustig zijn taak af te werken en dan op zijn gemak baby E te gaan ophalen.

Ten vierde: goodwill en incentive. Door als ondernemer en werkgever te tonen dat u daadwerkelijk inzit met de ‘work/life’ balance van uw werknemers creëert u goodwill. De personeelsleden voelen zich gewaardeerd, en zijn bijgevolg gemotiveerd, zetten zich 100% in, zijn minder afwezig wegens ziekte en stuwen zo mee de onderneming voort naar betere resultaten.

Ten vijfde: employer branding en imago. Zeker voor ondernemingen die op zoek zijn naar schaarse profielen is het niet simpel om de juiste personeelsleden aan te trekken. Door maatschappelijke betrokkenheid te tonen en een daadwerkelijk antwoord te bieden op reële problemen van (potentiële) werknemers wordt uw bedrijf aantrekkelijk om voor te werken.

Soit, mijnheer Libeer, dit is mijn plan in een notendop. Waarschijnlijk zijn er hier en daar nog wat onvolkomenheden te vinden, maar er zijn ook nog wel wat voordelen te bedenken aan mijn plan. Zoals het feit dat er opnieuw actief jobs gecreëerd worden, bijvoorbeeld.

Weet u wat? Laat het mij eens van naaldje tot draadje uit de doeken doen tijdens een presentatie op een volgende VOKA-congres. Ik zal een schone Power Point Presentatie van maken, met grafiekjes en zo. En dan kunt u het tijdens de receptie terug bijleggen met Mevrouw Krekels!

Deal?

Uw toegenegen Wendy.

Read Full Post »

Laat het over aan de specialisten. 

Gisteren op Twitter de sneer: ‘Al een geluk dat ik geen kinderen heb, want ik zou nieuwe visitekaartjes moeten drukken waarop staat ‘onderwijsspecialist‘.

Want ja, ouders met schoolgaande kinderen zijn per definitie geen specialisten en kunnen uiteraard niets zinvol bijdragen aan het debat dat niet toevallig vlak voor de grote vakantie is losgebarsten. Jean-Jacques Rousseau maakte in de 18de eeuw naam en faam als pedagoog, maar liet zijn 5 kinderen te vondeling leggen. De kinderen van Dr. Spock die in de jaren 40 en 50 furore maakte als opvoedingsdeskundige liet 2 getraumatiseerde kinderen achter.

Versta me niet verkeerd, ik heb niets tegen deskundigen en theoretische modellen. Maar er is dikwijls een groot verschil tussen de theorie en de praktijk. En ook: waarom worden in dit debat twee van de belangrijkste betrokkenen, namelijk de scholieren en hun ouders, grofweg genegeerd?

Waarschijnlijk omdat ouders de laatste paar jaar vooral gezien worden als lastpakken. Dat moeit zich maar met de scholing van hun kroost, dat durft al eens kritische vragen stellen op een oudercontact over gehanteerde studiemethodes en vraagt al eens aan het lerarenkorps een motivatie rond een bepaalde beslissing.

Ouders zijn natuurlijk ook maar ervaringsdeskundigen die bezorgd zijn over de schoolse toekomst van hun kind(eren), dus daar hoeven we geen rekening mee te houden op het moment dat er hervormingen aangekondigd worden. We rammen hen dat wel door de strot. Slikken moeten ze toch.

Drop outs. 

Dé reden die een hervorming blijkbaar noodzakelijk maakt is de sociale ongelijkheid die er voor zorgt dat kinderen uit ‘lagere’ sociale klassen minder doorstromen naar het ASO en van daar naar het hoger onderwijs. En 20% van de jongeren verlaat het onderwijs zonder diploma of getuigschrift. Jongens van allochtone afkomst vormen in die groep de hoofdbrok. En het is de evidentie zelve dat die ‘brede eerste graad’ het onbetwiste wondermiddel is. Want ja, dat hebben specialisten en topambtenaren uitgevogeld.

En wie zich vragen stelt bij die hervormingsplannen, dat moet wel een elitaire & conservatieve egoïst zijn die die arme arbeiderskindertjes wil beletten om het elitaire bastion van het ASO binnen te dringen.

Het is maar een simpele vaststelling dat in dit land het overgrote deel van de mannelijke allochtonen niet of maar zeer moeizaam aan een job geraakt. En voor een deel speelt het lage opleidingsniveau een rol, maar waarom zou een jonge Marokkaan zich de moeite troosten om zijn best te doen op school als hij weet dat het structurele racisme in onze maatschappij hem toch zal beletten om werk te vinden? (Feryn Poorten  – onze klanten willen geen buitenlanders over de vloer, Adecco – als u geen migranten op de werkvloer wil, dan gaan wij volledig mee in uw verhaal, etc etc).

Hoe, in hemelsnaam, hou je zo iemand gemotiveerd op de schoolbanken als werkloosheid afgewisseld met hier en daar een onderbetaald kutjobje het enige vooruitzicht is? Om het heel cynisch te stellen: waarom zou je investeren in de opleiding van jonge allochtonen als we  het als maatschappij vertikken om die groep ook daadwerkelijk aan het werk te zetten?


Oplapwerk. 

Kan het zijn dat die structurele hervorming van de eerste graad gebruikt wordt om problemen aan te pakken die veel verder gaan dan louter onderwijs? Dat goed en degelijk onderwijs een speerpunt kan zijn in het verhogen van sociale mobiliteit en de instroom van talent naar het hoger en voortgezet onderwijs, dat lijdt geen twijfel. Maar doen alsof het onderwijs als enige daar een rol in te spelen heeft, is vals.

En nog eens iets: ik ken de cijfers niet, maar ik heb zo het gevoel dat het eigenlijk met onze sociale mobiliteit over het algemeen nogal meevalt. De meeste mensen van mijn leeftijdsgenoten en hun ouders zijn er een product van. Onze premier is een arbeiderskind. En hij is geen uitzondering.

Differentiatie. 

Het toverwoord in de discussie is blijkbaar ‘differentiatie’. We moeten streven naar ‘gedifferentieerd onderwijs’. Dat betekent dat de onderwijsmethodieken aangepast worden aan de verschillende leerlingen in functie van de te behalen leerdoelstellingen. Op zich kun je daar niet tegen zijn. Eenzelfde vaardigheid of kennis zal op verschillende manieren en op een aangepast overgebracht en aangeleerd worden zodat alle kinderen zich die kennis of vaardigheid kunnen eigen maken.

Maar er zijn ook grenzen aan dat systeem. En ik heb het gevoel dat men veel te krampachtig wil doen alsof elk kind met dezelfde intelligentie behept is, zich dezelfde vaardigheden kan eigen maken en in dezelfde dingen geïnteresseerd is. Maar dat is toch niet zo?

Differentiatie wordt dan een middel om kinderen die wezenlijk verschillende vaardigheden, interesses en intelligentie hebben toch maar samen te onderwijzen. Ik geloof echt niet dat ook maar iemand daar bij gebaat is.

Brede eerste graad. 

Ik merkte in het begin van de week al op: eigenlijk bestaat er al een brede eerste graad. Er zijn leerlingen die uit het 6de leerjaar naar een beroepsvoorbereidend jaar doorverwezen worden, als voorbereiding op een verdere schoolcarrière in het BSO. Dat gebeurt meestal niet toevallig. Bovendien zijn ouders niet gebonden aan adviezen van het CLB. Uiteindelijk steek je je kind nog altijd waar jij het wil.

Stuur je je zoon of dochter naar een eerste jaar ASO, dan krijgen die grotendeels dezelfde lessen en zijn ze onderworpen aan ongeveer dezelfde eindtermen. Er is een verschil van 4 lesuren, die ingevuld worden door Latijn, Wetenschappen/Economie (de zogenaamde ‘moderne’) en Techniek. En het struikelblok zou nu zijn dat iemand die in het eerste jaar voor techniek kiest in het tweede jaar niet meer kan overschakelen naar Latijn? No shit Sherlock.

Plus est en vous. 

Op facebook zag ik gisteren een dame met grote stelligheid beweren dat onderwijs moet gaan over ‘weten’ en niet meer over ‘kennen’. En dan heb ik nog het discours gemist van die Jef Staes in De Ochtend die blijkbaar ten stelligste beweerde dat we geen diploma’s meer moeten uitreiken, maar studenten moeten coachen op hun ‘talenten’.

Kinderen intellectueel uitdagen, ze dingen van buiten laten leren en ze af en toe op de toppen van hun tenen laten lopen, dat zijn vieze woorden geworden.

Hoe ga je een taal leren als je wel ‘weet’ dat er onregelmatige werkwoorden zijn, maar je die niet meer moet ‘kennen’? Waarom wordt er in het lager onderwijs gesproken over ‘doe-woorden’ wanneer men het over ‘werkwoorden’ heeft?

Ik las onlangs nog een artikel in The New Yorker: Spoiled Rotten. Blijkbaar hebben wij zo weinig vertrouwen in de capaciteiten van onze kinderen dat we ze willen behoeden voor elke inspanning en voor elke frustratie, dat we de lat steeds lager leggen. Ik deel dat gevoel. Heimwee naar drilregimes en de tirannie van de schoolmeester of juf heb ik niet. Maar ik voel me zo langzamerhand wel een buitenbeentje als ik luidop durf beweren dat ik van mijn dochter verwacht dat ze goed presteert op school. Dat ik wil dat ze haar vocabularium en haar verbuigingen van buiten kent. Binnenkort krijg ik de kinderbescherming over de vloer omdat ik zeg dat 66% voor een bepaald vak nog altijd 4% weg is van de na te streven 70%.

Read Full Post »

Lorin Parys. 

Af en toe word ik door tinternet attent gemaakt op de schrijfsels van ene Mijnheer Parys. Het gevolg is meestal wat milde ergernis. Parys heeft een rubriekje in de Standaard dat de ‘De Paradox van Parys’ heet. Over het algemeen zijn zijn redeneringen zo consistent als een brik karnemelk en zijn argumenten makkelijker te doorprikken dan een tros ballonnen die per ongeluk in een cactuswoud terecht zijn gekomen.

Ik begin bijna te vermoeden dat Van Parys ergens een sekstape liggen heeft waar hij de hoofdredactie van de krant in kwestie mee kan chanteren, want ik kan geen andere reden bedenken waarom een gazet die zich laat voorstaan op het predikaat ‘kwaliteit’ week na week onzin van dat kaliber blijft publiceren.

Volgens zichzelf is Parys een ‘doener’ (ja, van veel nadenken kun je hem niet beschuldigen). Hij is ook COO (dat is Chief Operations Officer, meisjes en jongens) van Uplace. Ja, dé Uplace. Naar eigen zeggen heeft hij op die manier meer dan 3.000 jobs gecreëerd door het bedenken van een lifestyleconcept in vastgoed. We gaan even voorbij aan het feit dat het nog hoogst onzeker is dat dat spel ook effectief gebouwd zal worden, mijnheer Parys schrijft zonder omkijken toch lekker zomaar eventjes 3.000 gecreëerde jobs op zijn conto. Als ik Parys een boek zou aanraden, het zou Kaas zijn van Elsschot.

Gisteren verscheen zijn stukje onder de titel ‘Het Zwakke Geslacht‘.  In die column komt Parys via een kronkelig pad van halve waarheden en verkeerd geïnterpreteerde feiten tot de conclusie dat mannen tegenwoordig ‘het zwakke geslacht’ zouden zijn en de onschuldige slachtoffers van een complot genaamd ‘omgekeerd seksisme’.

Zwak versus sterk. 

Om te beginnen de titel. Het Zwakke Geslacht. In 2012 moeten we het blijkbaar nog altijd stellen met die gedateerde dichotomie van het ‘sterke’ versus het ‘zwakke’ geslacht. Dat is niet de schuld van Parys natuurlijk, en we kunnen niet van bedenkers van ‘lifestyleconcepten in vastgoed’ verwachten dat ze er op hun eentje in slagen om oude paradigma’s achter zich te laten. Fair enough. Maar kunnen we misschien de wedloop tussen de seksen stoppen en onze complementariteit en sterke punten gebruiken? En zouden beide geslachten er geen baat bij hebben om – ik zeg maar iets – een beter evenwicht te creëren tussen werk en vrije tijd? (Enzovoort, enzoverder, ik kan hier moeilijk een exhaustieve lijst publiceren van alle vlakken van het maatschappelijke leven waar er nog ruimte is voor verbetering).

Mannen op de arbeidsmarkt.

Parys begint zijn column met de vaststelling dat de economische crisis ‘een pak harder’ toeslaat bij mannen dan bij vrouwen. De werkloosheid bij mannen stijgt, die bij de vrouwen daalt. De reden die hij daarvoor aanhaalt is dat vrouwen vaker tewerkgesteld zijn in sectoren die niet zo onderhevig zijn aan economische schommelingen zoals de zorg en het onderwijs. Dat klopt. Zorg en onderwijs zijn ook die sectoren waar er vaker part-time gewerkt wordt en waar er minder te verdienen valt. Waarschijnlijk is dat laatste één van de redenen waarom deze sectoren door mannen minder aantrekkelijk bevonden worden.

Een andere reden voor de kwetsbaarheid van mannen op de arbeidsmarkt – zo haalt Parys aan – is het feit dat jongens (mannen) vaker dan meisjes de schoolbanken verlaten zonder diploma. Die vaststelling is correct. Maar mijnheer de COO slaat de bal behoorlijk mis op het moment dat hij zegt ‘meisjes blijken nu ook gewoon slimmer‘. Meisjes en vrouwen zijn inderdaad op het vlak van onderwijs aan een serieuze inhaalbeweging bezig, ook in studiegebieden die vroeger meer ‘mannelijk’ terrein waren zoals de exacte en de toegepaste wetenschappen. Dat heeft op zich niets te maken met pure intelligentie, wel met een aantal andere factoren die meer van psychische en emotionele aard zijn. Zo hebben meisjes over het algemeen een betere studie attitude dan hun mannelijke collega’s, om maar iets te zeggen. Over het verschil in studieresultaten tussen jongens en meisjes is trouwens genoeg vakliteratuur te vinden. En deze inhaalbeweging op de schoolbanken vertaalt zich nog altijd niet op de arbeidsmarkt.

Omgekeerd seksisme.

‘Hebben wij mannen een probleem? Lijden wij in stilte als slachtoffers van omgekeerd seksisme?’ vraagt Parys zich ongegeneerd af. Hij citeert David Benatar die aanhaalt dat mannen dan wel oververtegenwoordigd zijn aan de ‘top’ van de maatschappij (wat daar dan ook mee bedoeld wordt), maar dat ze tegelijk van dezelfde oververtegenwoordiging genieten in de ‘kelder’ van de maatschappij die dan moet bestaan uit ‘daklozen, gevangenen en schoolverlaters zonder diploma’. En dat moet het bewijs zijn van het bestaan van omgekeerd seksisme? Ik dacht het niet.

 Ten eerste: mannen scoren over het algemeen beter aan de extremen van het spectrum, vrouwen zijn dan weer beter vertegenwoordigd in het midden. Ik heb het nu over een aantal ‘meetbare’ zaken zoals bijvoorbeeld intelligentie, leeftijd of bepaalde ziektebeelden. Er zijn bijvoorbeeld meer mannelijke genieën (IQ hoger dan 150) dan dat er vrouwelijke genieën zijn, maar er zijn ook meer mannelijke ‘debielen’ (IQ tussen 50 en 70).

Vrouwen leven gemiddeld langer omdat mannen en jongens onder invloed van testosteron meer risico nemen, meer ongelukken hebben en dus vroeger sterven. Mannen plegen ook meer zelfmoord en leven over het algemeen ongezonder, gaan zich meer te buiten aan overmatig alcohol- en druggebruik. Het feit dat vrouwen langer leven kun je dus bezwaarlijk afschuiven op ‘omgekeerd seksisme’.

Ga direct naar de gevangenis. 

Ten tweede: mannen plegen ongeveer 90% van de geweld- en zedendelicten. Dat de ratio man/vrouw in de gevangenissen ongeveer 10/1 is, ligt dus niet aan ‘omgekeerd seksisme’. Het ligt wel aan het feit dat mannen gewoon meer strafbare feiten plegen en dus logischerwijze sneller een kaartje krijgen richting gevangenis. Als mannen nu eens zouden stoppen met gewapende overvallen plegen of tijdens vechtpartijen andere mensen de kop in te slaan, er zou minder reden zijn om mannen op te sluiten. Het is natuurlijk maar een idee hoor, Lorin.

Keuzevrijheid. 

In de laatste twee paragrafen gaat Parys helemaal loos. Sta mij toe te citeren.

“Op sommige vlakken hebben vrouwen vandaag meer keuzevrijheid dan mannen. Als vrouw kun je er vandaag voor opteren voluit voor een carrière te gaan, thuis te blijven om voor de kinderen te zorgen of beide te combineren. Alleen is diezelfde beweging voor mannen niet gevolgd. Want laat ons eerlijk zijn, een man aan de haard, die lachen we vierkant uit. Een man wordt geacht voor het brood op de plank te zorgen; een vrouw mag kiezen”.

We kunnen dus besluiten dat Lorin Parys COO van Uplace is geworden (een functie die hij combineert met het voorzitterschap van de RVB van de organisatie Flanders DC) omdat hij bang was uitgelachen te worden mocht hij ervoor gekozen hebben om zijn carrière op een lager pitje te laten draaien om tijd te maken voor zijn kinderen?

En het pleidooi van Monica De Coninck enkele weken geleden waarbij mannen en vrouwen opgeroepen worden om een evenwichtiger verdeling inzake werk/gezin na te streven heeft Parys in al de drukte van het lobbyen op het kabinet van minister Schauvlieghe waarschijnlijk niet gehoord. Ik weet natuurlijk niet in welke kringen Parys zich meestal beweegt, maar de meeste mannen die ik ken zijn niet te beroerd om de zorg voor hun kinderen op zich te nemen, ouderschapsverlof aan te vragen en op allerlei andere manieren te investeren in de opvoeding en de toekomst van hun kinderen. Kan het allemaal nog beter? Uiteraard! Maar stellen dat ‘een man geacht wordt brood op de plank te brengen‘ en laten uitschijnen dat dat het enige is dat een man geacht wordt te doen is intellectueel oneerlijk. Het enige dat Parys doet is zichzelf (en bij uitbreiding ‘de mannen’) wentelen in de rol van slachtoffer van het ‘omgekeerde seksisme’.

Cliché. 

De voorzitter van de raad van bestuur van Flanders DC eindigt zijn lamlendig betoog met een cliché van formaat: “En voor wie nog niet overtuigd zou zijn dat mannen het moeilijk hebben: van ons wordt verder niet verwacht dat we onze emoties tonen, de weg vragen of echt zeggen hoe die rok eruit ziet. Je zou van minder beginnen te twijfelen”.

Maar gij dutske toch! Ik laat per direct een pallet papieren zakdoekjes leveren op het hoofdkwartier van Flanders, District of Creativity.

Een mens zou eigenlijk verwachten dat een organisatie die werkt aan een cultuur van ‘creativiteit, innovatie en ondernemerschap’ geleid zou worden door iemand die zelf blijk geeft van creativiteit, originaliteit en vernieuwing. Mis poes! De RVB wordt daar voorgezeten door een ouderwetse macho die uitblinkt in bekrompenheid.

Read Full Post »

Vraag aan 100 mensen wie hun favoriete groep is, en 99 ervan zullen antwoorden met een band die ze goed vonden toen ze een tiener waren waren. Ik ga mij blijmoedig bij die 99% aansluiten. Voor mijn ‘groot’ lentefeest in het zesde leerjaar kreeg ik van één of andere tante een radio met een cassettespeler, zodat ik eindelijk kon luisteren naar muziek die IK leuk vond. Daarvoor heerste mijn moeder over de radio. Afwisselend luisterde ze naar BRT1 en naar BRT3 (nu Klara). We kregen dus vooral nieuws, actualiteit en klassieke muziek te slikken. De enige die deze hegemonie kon doorbreken was de kuisvrouw. Als zij kwam mocht het op Radio2, een programma met Lutgart Simoens.

Er was bij ons thuis dus zelden of nooit popmuziek te horen, en ik liep op dat vlak hopeloos achter op mijn leeftijdsgenoten. Ik wist maar via-via wie Kim Wilde was, of dat er een machtige liedjes bestonden zoals ‘I love rock’n’roll’. Mijn radiootje was dus een godsgeschenk (al had ik het dan gekregen op een lentefeest) en ik begon gretig aan een inhaalbeweging. Ik nam de top-30 op, die uitgezonden werd op BRT2. Nu is dat meer een zender voor bejaardentehuizen, maar toen was het the place to be als je geïnteresseerd was in popmuziek. Studio Brussel was nog niet uitgevonden.

Tot in het derde middelbaar ongeveer luisterde ik dus vooral naar mainstream popmuziek. Madonna, bijvoorbeeld. Daar kocht ik zelfs haar eerste album van, op cassette. De expliciete seksuele ondertoon ging een beetje aan mij voorbij, al had je natuurlijk wel een idee dat het ‘daarover’ ging. Ik herinner me de liedjes van Feargal Sharkey (A Good Heart en You Little Thief). Waarschijnlijk kan ik ze nog altijd woord voor woord meelippen. Sandra Kim won het songfestival, ik was zot van ‘J’aime la Vie’. Er werd druk gespeculeerd over de werkelijke leeftijd van het meisje. Een paar klasgenootjes waren fan van U2, en ik sloot me bij hen aan. Ik wilde erbij horen, meer dan dat ik écht fan was.

Rond mijn 15de had ik het wel gehad met die ongevaarlijke pop. Daarbij: die punkers en die new-wavers die ik op school zag rondlopen leken me stukken interessanter dan de snobs met hun Millets, Chipie-jeans, Docksides en Burlingtonkousen. En ook: ik had niet genoeg geld om mij al die merkkleren aan te schaffen, en van mijn moeder kreeg ik het niet. Exit dus Paul Young , Wham & George Michael. Enter the usual suspects: The Cure, Bowie, The Smiths, Sex Pistols, Bauhaus, Joy Division, … Iets later ook The Pixies, Virgin Prunes, en andere ‘moeilijke’ muziek.

Zoals het een tienermeisje betaamt had ik in die tijd een boezemvriendin. We trokken zoveel samen op, dat het mijn toenmalige vriendje duchtig op de zenuwen werkte. Via haar kwam ik ook in contact met Oudere Jongens, die wel eens een joint opstaken. Ze hadden lang haar en deden alsof ze échte hippies waren, twintig jaar na datum. Het leek wel alsof ze alles mochten wat ik niet mocht. Of ze deden het gewoon. Ze waren cool en ik keek geweldig naar ze op. Ik was verliefd op die met zijn lange pijpenkrullen en zijn cowboyboots. Hij zag mij niet staan, natuurlijk. New Wave vonden ze maar niets, verklaarden ze een beetje blasé. Nee, zij luisterden naar Jimi Hendrix, The Beatles, Pink Floyd en The Doors. Jimi Hendrix kon ik toen maar moeilijk smaken, maar met The Doors was het liefde op het eerste gehoor. The Beatles & Pink Floyd vind ik ook goed, en ik luister er ook nog altijd naar, maar het is van een ander niveau.

Alle studioalbums kocht ik van The Doors, ik ploos de teksten van Morrison na met een woordenboek bij de hand. Ik kocht de dichtbundels van Jim Morrison, en ik las alles wat ik te pakken kon krijgen over hem. Het ging over drugs! En seks!! En massa’s rock’n’roll!!! En hij was vroeg gestorven, wat je op je 17de het einde vindt, natuurlijk. Het is pas sinds enkele jaren dat ik die puberale romantische bril heb kunnen afzetten. Maar The Doors vind ik nog altijd steen- en steengoed!

Read Full Post »

Op deze opdracht heb ik een tijdje moeten kauwen. Ik heb niet de gewoonte om naar muziek te luisteren in bed, laat staan dat ik een soort favoriet nummer heb om in slaap bij te vallen. Het lijkt me eigenlijk ook geen compliment voor het liedje in kwestie, dat het voornamelijk geroemd wordt omwille van de slaapverwekkende eigenschappen ervan. (Tenzij men natuurlijk lijdt aan een chronische vorm van slapeloosheid).

Allerlei Duysterachtige muziekjes passeerden de revue, maar er zijn er ten eerste heel erg veel en ten tweede: they do not make me fall asleep. Ik zat een beetje vast dus, tot ik me herinnerde dat ik als kind vroeger zélf liedjes zong in mijn bed om in slaap te kunnen vallen. Mijn moeder stuurde ons gruwelijk vroeg naar bed, omdat ze geloofde in het concept van ‘het klokje rond’ slapen. We moesten er om zeven uur uit, dus lag ik er in de de eerste jaren van de lagere school meestal al in tussen zeven en acht. Gruwelijk vroeg vond ik dat toen, zeker op momenten dat ik het licht nog zag piepen tussen de streepjes van de rolluiken door. Helemaal erg was het tijdens de vakantie. Toen hoorde je de andere kinderen nog op straat en op het speelplein voor onze deur nog luidruchtig spelen. Moe was ik helemaal niet.

Ik hoor het de jonge kinderen van mijn vrienden ook doen, luidkeels zingen in bed. Als ze het doen om dezelfde reden als ik destijds, dan is het om de verveling te verdrijven en om de gedachtenstroom het zwijgen op te leggen. Dat zingen werkt dan rustgevend, op de één of andere manier. En uiteindelijk viel ik wel in slaap.

De liedjes die ik zong, waren de gewone kinderliedjes. ‘k Zag twee beren’, of ‘Heb je al gehoord van de zeven, de zeven, heb je al gehoord van de zevensprong?’. Het repertoire werd wel aangevuld met een aantal communistische strijdliederen. Mijn ouders hadden aan de universiteit in Gent mei ’68 meegemaakt, en in plaats van zoals de rest van de wereld hippies te worden, de vrije liefde te prediken en hasj te roken, hadden ze zich politiek geëngageerd. Ze cirkelden rond de onlangs overleden Ludo Martens, en waren er net zoals alle jonge mensen uit die tijd van overtuigd dat ze de wereld zouden veranderen. Het moet in de late jaren ’60 en de vroege jaren ’70 geleken hebben alsof de revolutie binnen handbereik lag. Mijn vader had zijn universitaire studies afgebroken om zijn taak als revolutionair in de fabriek op te nemen. Dat moet niet lang geduurd hebben, want ik heb hem nooit als arbeider weten werken. Wel als kleine zelfstandige, de meest achterlijke klasse volgens Lenin.

Andere kinderen gingen op kamp met de mutualiteit, wij met de Pioniers, de jeugdwerking van De Partij. Die heette toen nog AMADA (Alle Macht Aan De Arbeiders), en ik vermoed dat het daar was dat we De Internationale aangeleerd kregen. Ik herinner me ook dat we ooit een verkiezing van ‘Het mooiste kindje in België’ op stelten gingen zetten. Spannend was het wel, we mochten relschoppen en werden nog aangemoedigd ook. Of het allemaal zo pedagogisch verantwoord was, dat is weer een ander paar mouwen.

In 1979 besliste men dat De Partij van naam diende te veranderen. Alle Macht Aan De Arbeiders was te gauchistisch en getuigde van ouvrierisme. Er werd een congres georganiseerd, waar mijn ouders heen gingen. Wij bleven thuis met een babysit. Mijn jongste zus was wat ziekjes, zonder dat het alarmerend was. Ze hoestte wel wat, maar had eigenlijk bijna geen koorts. Tegen de avond werd dat erger, en ze werd in haar bedje gelegd. Toen ik door Lucy (de babysit dus) naar bed gestuurd werd, hoorde ik uit de kamer van mijn zus vreemde geluiden komen. Ze was duidelijk in ademnood, en ik haalde Lucy erbij. Die vertrouwde het zaakje niet echt, en na enig overleg werd beslist dat ik over mijn pyjama mijn kleren moest aantrekken en de buurman – die kinderarts was – erbij zou halen. Telefoon hadden wij niet, en gelukkig was de buurman thuis. Hij wierp een blik op mijn zus, en besliste om onmiddellijk met haar naar het ziekenhuis te rijden. Ik ging mee, ze was tenslotte nog maar vier. Lucy bleef thuis, bij mijn andere zus en wachtte mijn ouders op . Uiteindelijk bleek het allemaal wel mee te vallen, het was maar een aanval van valse kroep. Ze kreeg een zuurstofmasker op, en ik geloof dat mijn moeder toch redelijk snel haar opwachting maakte in het ziekenhuis.

In het verre Brussel was ondertussen de PVDA (Partij Van De Arbeid) boven de doopvont gehouden …

Read Full Post »

Geloof het of niet, maar ik heb David Bowie leren kennen dankzij mijn leraar Engels in het vierde middelbaar. Mijnheer Devriese kun je bezwaarlijk een groot pedagogisch genie noemen, maar wat een liefde voor de Engelse taal had (heeft?) die man. Naar zijn lessen werd door sommigen uitgekeken, maar er was ook een serieus deel van de klas dat met dichtgeknepen billen het klaslokaal betrad. Devriese was een ongeduldige, opvliegende driftkikker die het erg persoonlijk nam als je fouten maakte tegen Engelse grammatica, zeker als hij het al eens had uitgelegd. Ik herinner me dat een klasgenoot die thuis Frans sprak eens ‘what did you did’ uitkraamde tijdens een oefening. Willy, die de regel ‘DID + PRESENT TENSE’ er in had gedrild tijdens het schooljaar, geloofde duidelijk niet wat hij hoorde. Hij keek B. aan, zwijgend. Hij liep rood aan en het leek alsof zijn ogen uit zijn hoofd wilde springen. Hij greep het eerste, het beste voorwerp dat hij in handen kreeg (de agenda van B.), zwierde die door het klaslokaal (iemand moest opzij duiken om die niet in het gezicht te krijgen) en brulde dat B. maar ergens achteraan de klas moest gaan zitten, en liefst uit zijn blikveld.

We kregen geen bijstand van slachtofferhulp, na dergelijke scènes.

 

Het hoe of het waarom is mij niet helemaal duidelijk meer, maar ik herinner me wel nog heel zeker dat ik David Bowies ‘Space Oddity’ voor de eerste keer hoorde in zijn klaslokaal. Ik vermoed dat we tekst wel zullen ontleed hebben. In de bibliotheek ontleende ik de allereerste L.P. van Bowie (zonder Space Oddity er op, dat staat logischerwijs op zijn L.P. ‘Space Oddity’, maar wel met ‘Letter To Hermione‘ en ‘God Knows I’m Good‘) en nam het op een cassettetje zodat ik ook op mijn walkman kon luisteren. Eigenlijk heb ik zo Engels geleerd, door de songteksten van groepen zoals The Doors en The Beatles te willen begrijpen.

Devriese was wel de primum movens, en wakkerde mijn interesse aan door bevlogen en geestdriftig poëzie te citeren van de grote Engelse romantici zoals Byron, Keats & Shelley. Op de één of andere manier slaagde hij er in een bende pedante 17-jarigen ‘Ode to a Graecian urn’ van buiten te laten leren. We bespraken tot in detail ‘To Be Or Not To Be’, en hij introduceerde J.D. Salinger. Toen ‘Twin Peaks’ van David Lynch hier op TV zou komen, spendeerde hij daar geloof ik twee volledige lesuren aan. Als je cool wilde zijn, dan keek je. Over ‘Songs for Drella’, het conceptalbum van John Cale en Lou Reed over Andy Warhol, kon hij niet zwijgen. En ik zal dus nooit vergeten dat spleen ‘milt’ betekent. Van hem leerde ik ook dat het Engels de rijkste Indo-Europese taal is, met ongeveer 600.000 woorden. Dat komt omdat er woorden zijn overgenomen uit het Angels, het Saksisch, het Latijn en het Frans. Het is verbazend welke nutteloze weetjes je gedurende vele jaren in je brein kunt bewaren.

Het rare is dat hij ons ook levenslessen probeerde bij te brengen. Ooit beweerde hij met veel overtuiging dat een ‘gewone’ vriendschap tussen mannen en vrouwen onmogelijk was, dat er altijd wel een erotische ondertoon te bespeuren was. Ik bestreed die stelling vurig, in mijn schoolengels, en met de stellige naïviteit van een onschuldig meisje dat nog niet veel van de wereld wist.

 

Read Full Post »

Older Posts »