Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Politiek’ Category

In The Warmth of Other Suns worden 3 persoonlijke verhalen gemengd met wetenschappelijk geschiedkundig onderzoek om een beeld te schetsen van The Great Migration, de migratie dus van zwarten uit Zuiden van de VS naar het Noorden tussen 1910 en 1970. Het resultaat is een even magistraal als ontluisterend beeld van een behoorlijk donkere periode uit de recente geschiedenis. 
Begin 20ste eeuw is in de Zuidelijke Staten – die zich tijdens de burgeroorlog achter de confederatievlag schaarden – een systeem van wetten en regels van kracht dat bekend staat als ‘Jim Crow’. In principe is de slavernij afgeschaft, in de praktijk zorgt Jim Crow ervoor dat zwarten tweederangsburgers zijn zonder rechtszekerheid. Een verkeerd woord of een verkeerde blik kan leiden tot een lynchpartij, de daders gaan vrijuit. Zwarte families bewerken de katoenvelden in een soort van Middeleeuws pachtsysteem: de blanke eigenaar roomt de helft van de oogst af en berekent dan of dat genoeg is om de kosten van zaaigoed en levensmiddelen te dekken. Als dat niet het geval is wordt een schuld opgebouwd die de volgende seizoenen ingelost moet worden. 
De Eerste Wereldoorlog is doet een eerste migratiegolf ontstaan: de Noordelijke industrie ontbeert mankracht en laat haar oog vallen op de goedkope arbeidskrachten in het Zuiden. Families trekken weg – dikwijls in het geniep – langs het traject van de grote spoorlijnen en komen in Chicago en New York terecht. Een kleinere stroom trekt richting Californië (Los Angeles). De Exodus valt pas stil in 1970 en kent een hoogtepunt in de jaren ’40 en ’50. 
Wilkerson documenteert uitstekend waarom en hoe families vertrekken, wat hun traject is en hoe ze zich vestigen in het Noorden. Ze legt daarbij ook de complexe dynamieken bloot tussen de blanke inwijkelingen uit Zuid- en Oost-Europa en de zwarte arbeidsmigratie uit het Zuiden. Zwarten werden vaak ingezet als stakingbrekers. Ze stonden helemaal onderaan de sociale ladder, werden minder betaald dan blanke arbeiders en in sommige fabrieken of industrieën werden ze helemaal gediscrimineerd. Ze hadden dus de neiging om elke job tegen elk loon aan te nemen en dat had ook zijn impact op de lonen van blanke migranten. 
Wie dit boek, dat trouwens uitstekend geschreven is en fijn afwisselt tussen wetenschap en anekdotiek, leest zal beter de symboolwaarde begrijpen van de verkiezing van Barack Obama en de historische wortels zien van bewegingen zoals Black Lives Matter. Je krijgt een les geschiedenis die je niet licht zult vergeten en die eigenlijk veel te lang onder het stof is blijven liggen: hoe tot diep in de jaren ’60 bijvoorbeeld nog wetteloosheid heerste in het diepe zuiden, maar ook hoe zwarte families in Chicago en LA hun recht om te wonen in een witte wijk voor de rechtbank moesten afdwingen en in sommige gevallen leidde tot dagenlange rassenrellen.
Zijn er dan geen minpunten aan dit boek? Wel ja: de laatste paar hoofdstukken zijn er te veel aan en soms worden er conclusies uit de losse pols getrokken. Dat neemt niet weg dat het overgrote deel ervan wel goed onderbouwd is, dus het lezen meer dan waard! 

Advertenties

Read Full Post »

Een week of wat geleden ben ik verhuisd. Naar een doodgewone volkswijk in een deelgemeente van Gent. Mijn nieuwe buurman – die buschauffeur is –  begroette me met de woorden: “Ah, de nieuwe buurvrouw. Ewel, ik ben gene racist, maar ik ben blij dat je geen Turk bent”. Voor de rest een heel hartelijk welkom gekregen hoor, daar niet van. Ik weet nu al wie wie is in de straat. En in de zomer, als het warm is worden de stoelen buiten gezet, een flesje cava gekraakt of een bak bier gedeeld en wordt er onder buren gezellig gekeuveld. Ik mocht mezelf als uitgenodigd beschouwen. En toen buurman en buurvrouw zich nieuwsgierig toonden naar de kleine verbouwing die we lieten uitvoeren voor we het huis echt betrokken vroeg ik hen binnen om het resultaat te aanschouwen.

Mijn gedachten dwalen af en toe af naar mijn goede vriendin die met een Turkse man getrouwd is. Voor mij is het wel makkelijk natuurlijk, om die banale racistische opmerking te negeren en verder min of meer hartelijk te reageren. Alsof er niets aan de hand is. Omdat een goede buur beter is dan een verre vriend. Omdat je niet weet hoe lang je nog buren zult zijn en je natuurlijk geen zin hebt om vanaf dag 1 in de rol van outcast geduwd te worden.

Na de ongemeen harde schokgolf die de overwinning van Trump door de wereld joeg werd de blanke middenklasse in deze contreien nog eens opgeschud en moest de verkiezingsuitslag ten gronde geanalyseerd. Hoe was het mogelijk en patati en patata? Eén van de lessen die we moeten trekken blijkbaar is dat we moeten luisteren naar de verongelijkte witte arbeidersklasse die redelijk massaal voor Trump heeft gestemd. Daarnaast hebben ook de hogere (witte) inkomensklassen voor Trump gestemd (+/- de helft). Maar bij hen moeten we ons oor niet te luisteren leggen naar het schijnt. Klein detail: in de 2 laagste inkomensklassen stemden de minste mensen voor Trump. Voor de volledigheid: ik baseer mij op de exitpolls zoals ze door de NY Times gepubliceerd werden.

Op Vrij Nederland – een Nederlands weekblad voor witte hoogopgeleide mensen – werd een interview gepubliceerd met een Amerikaanse sociologe die ons vertelde dat we inderdaad moesten luisteren naar Trump-stemmers. Dat artikel waarin ze vertelde over haar ervaringen moest Nederlandse en Vlaamse middenklassers met een streepjestrui en een veel te dure fiets het gevoel geven dat ze ook daadwerkelijk met een werkloze arbeider in de rust belt hadden gepraat. En wat bleek? Die mensen zijn zo slecht nog niet. Ze schijten bovendien niet uit dwazigheid in hun eigen keuken of zo. Met een beetje goede wil zou je zelfs kunnen zeggen dat het mensen zijn zoals jij en ik. Met hopen en dromen en kleine kantjes. Wie had dat ooit kunnen denken zeg??

In 1991 – vlak na de eerste onverwachte en vrij verpletterende overwinning van het Vlaams Blok – heerste in Vlaanderen een beetje hetzelfde gevoel. Wie waren eigenlijk die kiezers die de traditionele partijen hadden durven opzadelen met een electorale kater? Er werden reportageploegen naar de Antwerpse Seefhoek gestuurd in de hoop de ziel van de foertstemmer te kunnen capteren en een oude man met een kapiteinspet op verklaarde zonder veel schroom voor de camera dat Hitler het allemaal nog niet zo slecht had gedaan.

Aha, hoor ik u al denken. Dat is hier voorzeker zo’n betoog van een politiek correcte adept van de linkse kerk die beweert dat al die proteststemmers van toen en nu vermaledijde racisten waren. Ewel, u hebt deels gelijk. Dat ik een poco ben is ongeveer algemeen geweten. Dat al die proteststemmers racisten zijn (of waren) is weer een andere zaak. De meeste onder hen zullen zich alvast niet zo identificeren. Een beetje zoals mijn nieuwbakken buurman eigenlijk, die geen racist is maar toch blij is dat hij niet naast een Turk woont. Waarmee je au fond natuurlijk wel een racistische uitspraak doet en een stem voor Trump of Dewinter nog altijd een impliciete goedkeuring is van een xenofoob en racistisch partijprogramma.

Wat me op dit moment stoort aan dit hele ‘we moeten luisteren naar de stem van de kiezer’ verhaal is de manier waarop de ontevredenheid van de white working class centraal wordt gesteld. We weten waarom die op Trump heeft gestemd. Een terecht gevoel van ontevredenheid met het huidige politieke beleid. Een politieke elitaire kaste die nog weinig voeling heeft met de gewone werkmens. De teloorgang van traditionele industrieën en jobs voor laaggeschoolde arbeiders. Weinig geloofwaardige alternatieven. Een demagoog die simpele oplossingen belooft voor complexe problemen. Het is allemaal zo moeilijk niet en het is ook al verschillende keren eerder met redelijk veel succes geprobeerd.

Maar de arbeidersklasse bestaat noch in de USA, noch in Europa enkel uit blanken. De mensen die het laagst van allemaal zijn opgeleid en die in de ongezondste en slechtst betaalde jobs terecht komen zijn van zeer gemengde afkomst. Iemand al horen zeggen dat we naar die mensen moeten luisteren? Ik dacht het niet.

In de nasleep van de Brexit steeg het aantal hate crimes tegenover buitenlanders (met name Polen) spectaculair. Dat gaat van beledigingen en bedreigingen tot mensen halfdood slaan omdat ze het lef hadden om op straat hun moedertaal te spreken. In de USA lopen de eerste meldingen van intimidatie tegenover minderheden uit naam van Trump ook binnen. Niemand die ik hoor zeggen dat we met die mensen in dialoog moeten gaan.

En laat ons wel wezen: we kennen de ontevreden onderbuik, of ze nu voor Trump stemmen of virulent een racistische karikatuur als Zwarte Piet verdedigen. Ze bevolken de commentaarsecties van de populaire kranten, ze zijn onze buren of onze collega’s. Het is de zatte nonkel Frans aan de feestdis op familiefeesten.

Wat mij betreft is de tijd van luisteren gedaan en de tijd van luid tegenspreken aangebroken.

Read Full Post »

We zijn ondertussen op de derde dag waarop Rutten het debat beheerst. Een goed gepitcht interview in Humo gevolgd door een passage in De Afspraak en afgerond met een opiniestuk in De Morgen. Niet slecht bekeken van de partijvoorzitter. Het doet een beetje denken aan die andere partijvoorzitter, die er ook steeds in slaagt de media-aandacht naar zich toe te zuigen door middel van een paar goed gemikte quotes waarover de hele Vlaamse Twitter-elite valt. Vervolgens nog een hele week overal mag gaan uitleggen dat hij niet goed begrepen is, de zaken uit context zijn gerukt of hij het allemaal zo niet bedoeld heeft.

In de paar debatten – nu ja, debatten, … zo’n vriendelijk gesprekje in De Afspraak kun je nauwelijks een debat noemen natuurlijk – waarin ik Rutten ooit bezig zag maakt ze trouwens een bijzonder combattieve indruk. Ze domineert en lijkt bijzonder zeker van haar stuk. Zo’n onervaren Groene overdondert ze natuurlijk compleet en zelfs Bart Schols houdt zich tegenover haar amper staande.

Haar démarche tegen wat zij de doorgedreven focus noemt op de herverdeling (en dus gelijkheid) heeft natuurlijk te maken met het feit dat de Open VLD zich moet blijven profileren tegen de vermogenswinstbelasting. Nu zelfs de N-VA via Zuhal Demir de deur ervoor op een kier zet, ruikt de liberale partijvoorzitter haar kans om zich als de enige echte verdedigers van al wie vermogend is op te werpen. Maar omdat zich ondertussen in de hoofden van de kiezers op dat vlak een kentering heeft voltrokken en de belasting op vermogen (of de winsten daaruit) voor ongeveer 75% van de mensen niet meer dan logisch lijkt moet er natuurlijk gefulmineerd worden tegen dat zotte idee van ‘gelijkheid’.

Diversiteit is niet hetzelfde als ongelijkheid

Wat Rutten doet is – wellicht bewust – 2 verschillende begrippen met elkaar vermengen. Haar argument om tegen een gelijke behandeling van mensen te zijn? Het feit dat we allemaal individuen zijn en dus van elkaar verschillen. Daar schijn je op het eerste zicht geen speld tussen te kunnen krijgen: natuurlijk verschillen we van elkaar. Nochtans: voor de wet zijn we allemaal gelijk, of dat zou toch moeten. Of je nu een rijkeluiszoontje bent of de dochter van een kassajuffrouw, in principe krijg je voor de rechtbank dezelfde behandeling. Niemand die het in haar hoofd haalt om dat systeem te vergelijken met pakweg Noord-Korea. Behalve Rutten dan.

Mensen kunnen dus perfect én van elkaar verschillen én dezelfde behandeling krijgen.

Een beetje ongelijkheid is goed (en te veel ongelijkheid is nefast)

Een andere halve waarheid die Rutten schaamteloos misbruikt is die van de ongelijkheid. Om te beginnen: ja het is zo dat een maatschappij waar iedereen krak hetzelfde zou verdienen niet zou werken. Maar vragen naar een rechtvaardige fiscaliteit is niet hetzelfde als zeggen dat iedereen dan maar over hetzelfde inkomen moet beschikken. En ze mag dan wel komen aandraven met Hans Rosling (die natuurlijk niet het hoofd van de statistiek is van de V.N., maar een kniesoor die daar op let), maar wat Rosling vertelt is iets helemaal anders dan wat Rutten daar van maakt. Voor wie het allemaal wil uitpluizen: check Gapminder.

De waarheid is omgekeerd: een rechtvaardige fiscaliteit die ervoor zorgt dat inkomen uit arbeid en inkomen uit kapitaal op gelijkwaardige wijze belast wordt zal net meer ademruimte creëren en meer vrijheid. Dat zeg ik niet, dat zeggen tientallen studies. En ook Michel Maus, die we bezwaarlijk van veel communistische sympathieën kunnen betichten.

En over dat communisme nog eens iets: in tegenstelling tot wat Rutten ongehinderd mag rondbazuinen wordt dat politiek en economisch systeem niet gekenmerkt door ‘gelijkheid’. Het is een systeem waarbij de productiemiddelen in handen zijn van de werkende klasse en waar men naar de utopie streeft van bijdragen naar vermogen en consumeren naar behoefte. In elk socialistisch systeem dat de wereld tot nu heeft gekend was er zeer zeker een (politiek) elite die zich ook kon verrijken. Maar goed, blijkbaar kan er nog gescoord worden met het soort doembeelden van een communistische heilstaat.

Gelijke kansen

Wanneer Rutten er op gewezen wordt dat niet iedereen met dezelfde kansen aan de start komt, dan geeft ze die natuurlijk gelijk. In één adem geeft ze dan ook de toverformule mee om dat soort van ongelijkheid weg te werken: kleuteronderwijs. Verplicht ouders hun kinderen vanaf 2,5 jaar naar school te sturen en hen Nederlands te leren en alle structurele ongelijkheidsmechanismen zullen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Gedaan met de ingebakken reflex om mensen met een vreemde achternaam niet uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek of een huurhuis toe te kennen. Gedaan met het feit dat mensen die werken of een doordeweekse KMO in dit land veel zwaarder wordt belast dan iemand die door middel van een ingenieus systeem van beleggingen en belastingontwijking op zijn luie kont kan rentenieren. Etc, ad nauseam.

Vederlicht

Het discours waar Rutten mee voor de dag komt is redelijk vederlicht. Ze gebruikt grote en goed klinkende begrippen zoals vrijheid en gelijkheid en ze zaait wat semantische verwarring. In combinatie met haar onverstoorbaarheid lijkt het moeilijk om dat onderuit te halen. Gelukkig zijn er nog de feiten en de cijfers waar iemand haar eens rond de oren zou moeten slaan.

 

 

Read Full Post »

(Nvdr: Dit is het tweede deel van een kortverhaal, waarvan je het eerste hier kunt lezen) 

2005 – 2011

Cies zat in de geairconditionde bar van zijn hotel in Kinshasa, een veel te dure pint voor zijn neus. Schol, mompelde hij voor zich uit, terwijl hij dacht aan zijn ex-hoofdredacteur. Hij zat hier toch maar fraai op zijn kosten. Enfin, op kosten van de krant dan toch. Voor zijn gedwongen exit was hij al bezig geweest met de voorbereiding van een reportage over Congo, zoveel jaar na de onafhankelijkheid. Niet de traditionele opsomming van burgeroorlogen en corruptie, of de nakende verkiezingen. Wel een poging om portretten te brengen van de nieuwe middenklasse. Over Congolezen die in België of elders in Europa hadden gestudeerd en nu in eigen land een bedrijfje uit de grond probeerden te stampen. Hij had er al redelijk wat researchwerk op zitten en de vliegtuigtickets en het verblijf in het hotel waren al betaald. Hij ging er van uit dat in de verwarring van zijn plotse ontslag niemand er aan zou denken om de reis te annuleren. Hij kon zich trouwens geen betere manier bedenken om een laatste keer zijn middenvinger op te steken richting ex-krant door ostentatief deze vakantie op te souperen.

De portretreeks was er natuurlijk niet van gekomen, maar Cies had wel zijn geplande interviews afgewerkt. Het was zo dat hij in contact gekomen was met een koppel dat exclusieve en avontuurlijke vakanties in de Kivu organiseerde voor expats. Het klikte tussen hen en Cies, niet in het minst omdat Baptiste gestudeerd had in Gent en er ook enkele jaren op kot had gezeten. Ze wisselden anekdotes uit over hun favoriete cafés en aanvaringen met proffen. Een week of twee later werd Cies een voorstel gedaan: zou hij het zien zitten om hun groepen te begeleiden tijdens hun trektochten. Op de één of andere manier was het voor de verwende Westerse avonturiers makkelijker om een blank gezicht te vertrouwen dan een Congolees die de streek als zijn broekzak kende. Eén van hun andere gidsen was gestopt omdat hij het beu was zich als een onbetrouwbaar klein kind behandeld te zien door die would be safariërs die altijd wel iets hadden om over te klagen. Te warm, te koud, te hoog, te droog. Plus, zijn jarenlange ervaring als journalist kon hij gebruiken om folders en brochures te schrijven. En een laatste, niet onbelangrijk detail: hij had makkelijker toegang tot het kringetje van buitenlandse diplomaten, ondernemers en hun entourage om nieuwe klanten aan te trekken.

Hij vond het bijzonder ironisch dat hij nog geen maand geleden gebeiteld zat in zijn carrière als journalist, en dat hij nu niet eens een half uur hoefde na te denken over dit aanbod. Het was bijna poëtisch, die plotse cesuur in zijn leven.

Hij zegde toe voor een proefperiode van een half jaar, uiteindelijk zou hij er bijna 6 jaar blijven.

Waarom zou hij het eigenlijk niet doen? Kind noch kraai had hij in het zompige Vlaanderen, en na het grandioze debacle op de krant maakte hij zich nog maar weinig illusies over zijn professionele toekomst. Vanuit zijn hotel belde hij enige keren met Dirk om poolshoogte te nemen. De dagen na de vechtpartij op de redactie was er natuurlijk wel enige commotie geweest. In de pulpkranten werd gretig het relaas over de ontrouwe echtgenote en de confrontatie tussen de sterjournalist en de hoofdredacteur uitgesmeerd. Zijn eigen krant publiceerde een kort en droog bericht waarin het ontslag van Cies werd aangekondigd wegens botsende persoonlijkheden. De grapjassen. Er werd hem ook nog veel succes gewenst bij zijn verdere carrière. Haha. Nu ja, dat had hij allemaal zelf nog gelezen. En zijn telefoon had niet stil gestaan, als hem niet om commentaar werd gevraagd op de gebeurtenissen was het wel een bezorgde ex-collega. Vage kennissen die hij jaren niet meer had gezien of gehoord probeerden nu onbeschaamd de smakelijkste details uit hem los te weken. Hij was opgelucht geweest om te kunnen vertrekken.

Uit zijn gesprekken met Dirk leerde Cies dat zijn ex-hoofdredacteur een logebroeder was, en dat zijn lange arm zich wel heel ver uitstrekte in het medialandschap. Een snelle terugkeer zat er niet in, en of hij ooit nog iets zou kunnen betekenen voor een krant, een magazine of een TV-programma was nog maar zeer de vraag.

Zonder veel nadenken of spijt keerde hij zijn huurhuis, zijn kamerplanten, zijn Saab, zijn ouders, zijn ex-collega’s, zijn grote en zijn kleine liefdes de rug toe. Van op zijn nieuwe, exotische locatie waar alles anders was en rook, en zijn dagen gevuld waren met nieuwe mensen, nieuwe geuren en landschappen, was het ook erg makkelijk om te doen alsof zijn vorige leven een soort droom was geweest.

Hij werd ook nog maar zelden herinnerd aan België. Hij had wel een telefoontoestel, maar was hij zelden thuis te vinden en internet was helemaal een lachertje. Zijn moeder bleef hem trouw brieven schrijven die in de helft van de gevallen niet aankwam, en op de andere helft antwoordde hij zelden of nooit.

En zoals Cies – oftewel Jean-François zoals hij hier werd genoemd – zijn vaderland vergat, zo vergat Vlaanderen hem.

Read Full Post »

1 mei

Jean-François Laforce, Cies voor de vrienden, trok rond een uur of 11 de deur van zijn statig ogende herenhuis in de Gentse stationsbuurt achter zich dicht. Hij had deze morgen ontbeten met havermout, appel en twee sneden geroosterd brood met confituur. Zwarte koffie. De eieren en het spek liet hij tegenwoordig achterwege, zijn dokter had hem gezegd dat zijn cholesterol te hoog was en dat hij dus op zijn voeding moest letten. Blijkbaar was hij op een leeftijd gekomen dat dat soort adviezen niet meer op hoongelach en ostentatief zelfdestructief gedrag werd onthaald. Na het ontbijt had hij zich het hoofd gebroken over een cryptogram, en nu had hij zin in buitenlucht en beweging. ‘Kun je ook alleen met een dame doen’ was één van de opgaves geweest, 7 letters. Hij was er niet op gekomen, onder andere omdat hij zich de dingen voorstelde die hij ook alleen met een dame zou kunnen doen.

Het plan was om via het Citadelpark naar de stad te wandelen, zonder dat hij verder een specifiek doel voor ogen had. Het waaide behoorlijk hard en eigenlijk was het net iets te koud voor de tijd van het jaar. Hij was blij dat hij zijn sjaal had aangetrokken, en toen hij het Sint-Pietersplein naderde en merkte dat mensen hem wel bijzonder vriendelijk toeknikten realiseerde hij zich dat het vandaag de eerste mei was. En zijn rode sjaal werd dus gezien als een symbool, eerder dan een praktisch accessoire.

Als oude punker was hij de idealen van de sossen niet ongenegen: het opnemen voor de zwakkeren in de samenleving, solidariteit, Alle Menschen Werden Bruder en dat soort dingen. Hij liet zich dan maar meedrijven met de mensenstroom richting Vooruit en later Stadshal. Van op een afstandje had hij gezien hoe oude bekenden elkaar hartelijk begroetten en hoe ze elkaar pinten hadden getrakteerd. Zelf probeerde hij zich zo anoniem mogelijk op te stellen, drentelde een beetje rond aan de rand van de mensenmassa. Als er al iemand was die hem leek te herkennen van vroeger dan knikte hij vriendelijk of zwaaide eens, maar deed tegelijkertijd teken dat hij weg moest, gehaast was. Vandaag had hij geen zin in gesprekjes die gedrenkt waren in nostalgie.

Hij miste zijn maat Dirk die vorig jaar plots was doodgevallen. Een hartaanval, en weg was hij. 53 jaar en toen was het afgelopen. Cies zelf was er nu 54 terwijl de teller van Dirk was blijven steken. Nog elke keer als hij iets te vertellen had drukte hij nog voor hij het wist op de contactgegevens van Dirk in zijn GSM. Vroeger kreeg hij nog de voicemail, nu informeerde een vrouwenstem hem dat dit nummer niet in gebruik was. Nog elke keer was er die fractie van een seconde waarin hij zich moest realiseren dat zijn vriend er niet meer was, en nog elke keer was dat een dolk in zijn hart.

1985 – 1995

Hun vriendschap was begonnen aan de universiteit, waar ze in de jaren ’80 pol & soc studeerden. Dirk uit overtuiging en uit interesse, Cies om zijn vader-notaris een hak te zetten. Volgens de algemene overlevering was dit decennium dat van de donkere muziek, de grijze straten, de grauwe buildings en de meer dan sombere vooruitzichten. In zijn eigen herinneren is het één en al opwinding en elektriciteit. Pinten drinken in café De Sloef of pogoën tijdens een concert in één of ander afgeleefd jeugdhuis. Een lijf zo jong en pezig dat het onvermoeibaar leek, katers kende hij niet. De eeuwige ruzies met zijn vader die commentaar had op zijn studiekeuze, zijn haar en zijn kleren. Die ene keer dat ze met gebalde vuisten neus aan neus hadden gestaan, terwijl zijn moeder schreeuwde dat ze elkaar met rust moesten laten. Dan maar terug een aantal dagen op het kot van Dikke Dirk logeren, tot de bui was overgewaaid.

Het waren woelige tijden geweest, dat wel. Betogingen tegen rakketten, tegen de verhoging van het inschrijvingsgeld, tegen de volmachten, de besparingen, de nepstatuten en de jeugdwerkloosheid. Tegen het sluiten van de mijnen en de grote staalfabrieken. Tegen racisme. Er was altijd wel wat om voor of tegen op straat te komen. In die tijd kon je kiezen tussen links, linkser, linkst. Er waren maoïsten, Trotskisten, Leninisten, Marxisten, anarchisten, sociaal-democraten en ze konden allemaal elkaars bloed wel drinken. De andere kant van het spectrum bestond uit skinheads die ten allen prijze bestreden moesten worden. Cies en Dirk freewheelden tussen de verschillende fracties zonder veel scrupules. Als er een gratis vat werd gegeven, waren ze er zeker bij, maar voor de rest hadden ze een broertje dood aan vergaderingen die vooral leken te gaan over punten en komma’s en vlammende discussies over de 4de Internationale.

Het enige engagement dat Cies min of meer plichtsbewust op zich nam, was dat van redacteur bij het studentenblad. Hij schreef vlammende oproepen om het rectoraat te bezetten en levendige verslagen van politieke acties, sit-ins, debatten, happenings en bezette kruispunten. Dat hij daarbij de karikatuur niet schuwde en met scherp sarcasme elke figuur die zichzelf al te serieus nam de grond in boorde, leverde hem een bescheiden schare fans op. En hier en daar een verbeten vijand, maar dat kon hem weinig deren.

Na hun studies, die ze elk met een jaar vertraging hadden afgewerkt volgde de onvermijdelijke burgerdienst. Dirk deed iets met sociaal-cultureel werk en kwetsbare jongeren. Toen al. Cies ging aan de slag op de communicatiedienst van de vakbond, wat betekende dat hij vooral adresetiketten op het ledenblad plakte zodat ze op de post konden. Zijn vader stikte bijna in zijn woede, maar de hoogoplopende ruzies waren er niet meer bij. Cies hoefde niet meer bij elke gelegenheid tegen de schenen van zijn vader te schoppen, maar de notaris zelf zou het nooit helemaal verkroppen dat zijn enig kind niet in het gespreide bedje van de petit-bourgeois wilde gaan liggen zoals hij het zich altijd had voorgesteld. Hun verhouding verstilde tot op het punt dat ze elkaar verdroegen, zonder openlijke vijandelijkheden.

Na hun burgerdienst sloegen de twee kameraden elk een andere weg in: Cies ging aan de slag bij de Humo – toen een jongensdroom die uitkwam, hij herinnerde zich het moment waarop hij de brief had gekregen waarin stond dat hij aangenomen was als het gelukkigste van zijn hele leven. Dirk bleef in de culturele sector vanalles doen. Hij organiseerde buurtfeesten, was actief in wijkcomités en zette een jazzfestival in de steigers dat in de loop der jaren zou uitgroeien tot het grootste van België. Door zijn verzoenende manier van optreden en zijn invloed op hele hordes stadsjongeren die verder voor geen ene meter in politiek geïnteresseerd waren kwam hij in het vizier van een aantal gemeenteraadsleden van de Socialistische Partij, en zo ging voor hem de bal aan het rollen. Een behoorlijke plaats op de lijst bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen, een functie op het kabinet van de burgemeester gevolgd door een verder gestaag opklimmen in de partijrangen.

Ze bleven elkaar wel zien, al was het dan niet meer zo vaak als daarvoor. Dirk trouwde zelfs en kreeg kinderen. Cies hield te veel van het jachtige leven om zich aan één vrouw te kunnen binden. Maar telkens ze elkaar bij toeval of op afspraak troffen op café, was er onmiddellijk weer de vertrouwdheid van een oud broederschap tussen twee gelijkgestemde geesten.

Godenkinderen waren ze, want nooit was hun falen groter dan hun succes. Het was makkelijk te denken dat ze alles aan zichzelf te danken hadden, hun kennis, hun harde werk, hun neus voor opportuniteiten hier en daar.

1995 – 2005

Na een paar jaar studentikoze kolder bij Humo had Cies zin gekregen in het serieuzere werk. Hij had ondertussen wel voldoende reputatie opgebouwd om zonder al te veel problemen of plichtplegingen een functie als politiek journalist in de wacht te slepen bij die enige linksige krant. De karikaturen en het scherpe sarcasme had hij ondertussen achter zich gelaten. Nu maakte hij verder naam door zijn interviews grondig voor te bereiden. ‘Als politiek journalist heb je geen vrienden, en al helemaal geen politieke’, was één van zijn boutades. Of hij zich nu verwant voelde met de ideologie van de man of vrouw aan de andere kant van de tafel of niet, het maakte hem niets uit. Genadeloos wees hij hen op inconsistenties in hun betoog of hun beleid, sloeg hen rond de oren met cijfers die ze liever verborgen hielden, citeerde uit het blote hoofd hun wetsvoorstellen of amendementen die nergens op sloegen. Ooit zette hij zijn tanden in een corruptiedossier tot hij de scalp van een minister van Defensie aan zijn riem hangen.

Hij was zijn eigen flamboyante zelve in duidingsprogramma’s, een enkele keer in een laatavond talkshow. Het was nog de tijd dat het nieuws gemaakt werd door mensen met beroepsernst en een diploma achter de kiezen. Weerwerk bestond in de vorm van hier en daar een lezersbrief van Staf De Wilde uit De Haan. Maar voor de rest kon een journalist zich met recht en reden een vertegenwoordiger van de vierde macht noemen. Hij had aanzien toen, even zwaaien met zijn perskaart en deuren gingen voor hem open als de Rode Zee voor Mozes. In zijn helderste momenten besefte Cies dat hij nooit was afgekickt van de drug die bewondering en erkenning van wildvreemden voor hem was. Maar meestal voelde hij een vage bitterheid over hoe journalistiek tegenwoordig een zaak was geworden van amateurs en kloefkappers die gazetten gratis volschreven. Meninkje hier, meninkje daar, een paar schone foto’s en hop, de deur uit. Hij kon het niet laten de kranten te kopen en zich er aan te ergeren. Zich voor te stellen hoe hij één of ander artikel zou hebben geschreven en feiten uit zou hebben gespit.

Dirk bleef het voor de wind gaan. Niet dat hij ooit een nationale topper zou worden, maar dat vond hij niet erg. Hij hield van zijn rol als loyale backbencher. Hij was populair in zijn stad, maar hoefde er al de stress en miserie van een politieke topfunctie niet bij te nemen. De Loge nodigde hem uit tot hun rangen toe te treden, en dat streelde zijn ego meer dan hij durfde toegeven. Na enig aarzelen stemde hij toe, ze haalden hem over de streep met het praatje dat het vooral maatschappelijke dienstverlening was die hen bond. Uiteindelijk werd er tussen de bedrijven door vooral gepolst naar geschikte postjes in allerlei raden van bestuur. Of er werden leden gezocht voor commissies van de meest uiteenlopende aard. Omdat hij zich voor cultuur interesseerde ging hij zowaar op een aantal aanbiedingen in.

Het kameraadschap tussen de twee mannen bleef ondertussen ongeschonden, al laaiden hun discussies nu hoger op dan vroeger. Cies lachte ongelovig toen Dirk hem vertelde over zijn lidmaatschap van De Loge.

– Allez gast, nu zit je bij de Rotary van de vrijzinnigen.

Dirk protesteerde voor de vorm, maar moest later toch toegeven dat het vooral een ons-kent-ons clubje was dat enkel pretendeerde niet elitair te zijn. Naarmate de avond vorderde en het bier vloeide, begonnen ze harder te lachen met de gekunstelde rituelen waarover Dirk met veel smaak vertelde.

Ging het over politiek, dan werd de toon serieuzer. Bitsig soms zelfs.

– Jij hebt makkelijk praten, mijnheer de onkreukbare journalist. Wij zitten er elke dag in, in de stront. En ja, soms moet je uit tactische overwegingen al eens iets doen of stemmen dat tegen je principes in gaat. Maar wat wil je dan? Als de kat de vis wil vangen, moet ze ook haar pootjes nat durven maken.

– Tegen je principes? Tegen je principes? Ik vraag mij af welke principes jullie eigenlijk nog hebben? Weet je wat jullie geworden zijn? Een partij voor yuppies met een schuldgevoel. Voor biogroentenfretters met een plooifiets.

Het was een lange, onverwachte val naar beneden voor Cies. Oké, het was niet erg verstandig geweest om een korte, maar hevige affaire te beginnen met de vrouw van de hoofdredacteur. En nee, het was ook niet erg netjes geweest om dat te doen op het moment dat voornoemde hoofdredacteur 6 weken lang in het ziekenhuis verbleef, officieel wegens ‘oververmoeidheid’. Maar goed, hij was er de man niet naar om de passie uit de weg te gaan als ze zich aandiende. Hij had alleen niet kunnen voorzien dat de vrouw in kwestie alles zou opbiechten.

Hij zat dan ook gewoon rustig te werken aan zijn bureau, toen zijn baas onverwacht het verdiep kwam binnengestormd en recht op hem af kwam. Voor hij het goed en wel besefte incasseerde hij 2, 3 toeken op zijn bakkes. Hij had nog wel weerwerk geboden, maar hij was niet opgewassen geweest tegen de woede van de bedrogen echtgenoot. Het was zelfs een beetje een schaamtelijke vertoning geweest op den duur, zoals hij daar lag te ‘stop, stop’ lag te kermen en met zijn bloedneus. Ria, de receptioniste van de redactie had uiteindelijk een taxi voor hem gebeld, en toen ze hem hielp instappen zei ze nog: ‘Ik stuur je je persoonlijke spullen wel op. Het is misschien beter dat je hier niet meer komt’.

Read Full Post »

Blanco

In een niet nader genoemde grote stad van een niet nader genoemd land wordt het volk op een zonnige zondag naar de stembus gesommeerd. Nu ja, zonnig. Eigenlijk regent het zo hard dat de voorzitter van een niet nader genoemd stembureau zich afvraagt of de zondvloed is begonnen. Tegen de middag breekt plots de zon door, en in een lichtjes feestelijke stemming komt de bevolking haar stem uitbrengen. Tot grote verbijstering van de machthebbers zijn die overwegend blanco. In die mate zelfs dat het niet uit te maken valt welke partij heeft gewonnen en wie de verliezers zijn. Na gepalaver over en weer wordt beslist om de stemming een week later te herhalen, en ondertussen worden de burgers bestookt met de oproep om hun verantwoordelijkheid te nemen. Er worden complotten vermoed van staatsontwrichtende radicale fracties die de geesten en de harten van brave mensen hebben vergiftigd.

Het resultaat van de volgende stembusgang is geen verrassing. Nog massaler dan de vorige edities dwarrelen de oningevulde stembiljetten uit de urnes. De politici plegen overleg op het hoogste niveau, de legertop wordt er bij gehaald en de stad wordt in quarantaine geplaatst. Zonder politici – zo is de redenering – is het een kwestie van dagen vooraleer de chaos regeert en zal er gesmeekt worden naar de terugkeer van het politieke establishment.

In de stad gaat het leven ondertussen gewoon door. De aangekondigde staking van de vuilnismannen waar de overheid voor één keer naar uitkeek wordt opgeschort. De scholen blijven open, de ziekenhuizen, de winkels, de restaurants … Alles functioneert en de sfeer is gemoedelijk.

Hoe dit verhaal verder afloopt leest u zelf wel in ‘De Stad der Zienden’ van Saramago. Het boek is voer voor de stelling dat noch in de politiek, noch in de rest van ons bestaan ooit zaken gebeuren die al niet beschreven werden in de literatuur. Wie het leven wil kennen moet lezen, of zich op een andere manier aan kunst blootstellen.

Voor één keer kijk ik uit naar maandag, omdat ik hoop dat deze circusvoorstelling ‘kiescampagne’ geheten dan eindelijk voorbij zal zijn. Ik ga stemmen voor de goeie van mij, jij voor de goeie van jou.

Er zijn dingen waar de politiek niet bij kan. De vraag is: hoeveel geduld heb je met een kind dat zijn wiskunde niet begrijpt en tranen in de ogen heeft van frustratie? Neem je de auto om naar de apotheker te gaan of haal je toch de fiets van stal? Loop je de kantjes er af, melk je het systeem uit gewoon omdat het kan en het net niet illegaal is? Rijd je het gras of laat je het groeien? Ga je uit of blijf je thuis? Hoe hard erger je je aan kinderen die spelen in het park? Sta je op of blijf je zitten in de bus? Wassen op 40° of op 60°?

De absurde banaliteiten van ons dagelijks gespartel en de keuzes die we maken.

We kunnen blanco stemmen. Blanco leven dat gaat niet.

 

Read Full Post »

Ennui.

Hier sta ik dan op het perron. Op weg naar mijn middenklasse job. Met mijn middenklasse koffie en in mijn middenklasse kleren. Met mijn middenklasse kleur en een middenklasse geur uit een flesje dat ik kocht omdat het mij iets anders dan middelmaat beloofde. Ik woon in een middenklasse huis en ik heb middenklasse vrienden. ’s Avonds eet ik soms samen met hen in een restaurant waarover ik las in een middenklasse tijdschrift. De gelagzaal is gevuld met middenklasse mensen die praten over hun middenklasse kinderen en hun middenklasse hobbies. Ik lees boeken van middenklasse schrijvers die denken wat ik denk en die voelen wat ik voel. Ik heb middenklassedromen zoals een eigen huis. Een wereldreis en veel tijd om te doen wat ik wil. Mijn wereld is wit.

Ik blader door de middenklasse krant en ik luister naar de radio dat een programma uitzendt voor mensen zoals wij. Ik hou van mijn middenklasse man. Ik lijd aan middenklasse kwaaltjes. Ik heb een middenklasse bril. Ik ben 5 kilo te dik. Maak er 10 van.

De middenklassetrein dendert over het spoor, houdt eerst halt bij de voorstad. (DE PINTE WAAKT!). Vanuit het raam in mijn coupé zie ik de achterkant van de huizen en de tuinen. Veranda’s en gordijnen. Dubbel glas en zonnepanelen. Keurig geschoren hagen, gemillimeterd gazon. Een terras in steen of hout met tuinmeubels uit blauw plastic. Trampolines met een netje rond. We zijn een voorzichtig volk. Met het verstrijken van de jaren groeien de hagen hoger en houden we de poorten dicht. Er staat nu meer op het spel dan vroeger.

Straks begint het grote consumeren weer. Nutteloze dingen verpakt in glanspapier.

Ik ben een stomme goudvis die niets van de wereld weet. Ik haal betekenis uit dingen die er niet toe doen. Hoe moet ik weten wie woont aan de onderkant, de achterkant van wat ik ken? Waar gekrabd wordt en gehoest en waar de blik vernauwt. Ik ken de mensen niet die het leven laten op vreemde zeeën in gammele bootjes. Ik heb geen weet van zij die sterven in loeihete woestijnen één of andere Mozes volgend naar het beloofde land. Wat ken ik van de wanhoop van wie hier aankomt en die prikkeldraad wacht en vijandige blikken?

Ik wou dat ik anders was, meer en beter ook. Waarom zijn wij zo ongevaarlijk? Zo banaal en kneuterig? Zo klein, zo dwaas, zo afgestompt? Van wie zijn we zo bang? Waarom zijn wij zo makkelijk om de tuin te leiden? Waarom laten we ons zo makkelijk sussen, in slaap wiegen en uiteindelijk als schapen naar de slachtbank voeren?

Waarom doen we alsof we niet weten wat er komt?

Read Full Post »

Older Posts »