Feeds:
Berichten
Reacties

Fata morgana

De man stapt stevig door over de lange laan die is afgezoomd met Japanse kerselaars die allemaal even hevig in bloei staan. Als in een lichte sneeuwbui dwarrelen de blaadjes naar beneden en lijken net voor is stil. Niet gewoon stil, maar muisstil. Er is niets te horen, behalve dan zijn eigen zuchten, het schuren van zijn broek en het geluid van zijn voetstappen. Er staat geen zuchtje wind en de zon schittert eenzaam hoog aan de hemel.

Vastberaden stapt hij door, wat achter hem ligt kan hem niets schelen. Hij weet het niet zeker, maar hij vermoedt dat hij nog een aantal kilometer af te leggen heeft vooraleer hij zijn bestemming bereikt. In de verte, als een fata morgana ziet hij al vaag de contouren van de poort waar hij straks doorheen zal stappen. Hij heeft horen zeggen dat die reusachtig is.

En werkelijk, zo is het ook. Naarmate hij dichterbij komt flonkert de poort in de zon. Het is dan toch waar wat ze zeggen: dat beide poortdeuren gemaakt zijn uit het sterkste ebbenhout en rijkelijk belegd met goud. Hoe dichter hij komt, hoe sneller zijn pas. De laatste honderden meters legt hij op een drafje af, zijn hart holt van vreugde en verwachting. Voor de poort houdt hij halt en legt zijn hoofd in zijn nek om de hoogte ervan in te schatten. Het ding is zo breed als viervaksautosnelweg, zo hoog als een bescheiden flatgebouw. Nu ziet hij dat niet enkel goud is gebruikt voor de afwerking, maar ook parelmoer en honderden – wat zeg ik? – duizenden edelstenen. Smaragden, briljanten, robijnen. Saffieren en het helderste kristal. Lapis lazuli. Hij is met verstomming geslagen, de aanblik van al dat fraais maakt zijn knieën week. Zijn koffer glipt uit zijn handen zonder dat hij het merkt. De ingenieuze geometrische patronen maken hem duizelig, er is zoveel, zoveel te zien dat hij dagen zou kunnen blijven kijken en telkens weer nieuwe taferelen, symbolen en betekenissen zou kunnen ontdekken.

Enigszins bekomen van de eerste indrukken herinnert hij zich opnieuw waarom hij hier is. Hij moet door de poort! Daarachter ligt zijn toekomst, zijn nieuwe leven. Hij neemt opnieuw zijn koffer in de hand, probeert het stof uit zijn kleren te staan en is een moment of wat ontzettend gegeneerd over zijn outfit. Hij nadert de poort in de veronderstelling dat die zich op magische wijze zal openen. Als dat niet gebeurt probeert hij één van de poortdeuren te openen door zich er met zijn volle gewicht tegen aan te gooien, maar het ding geeft natuurlijk geen kik. Hij zoekt naar een bel, een klopper of een sleutelgat. Niets.

Hij schreeuwt. Een langgerekt ‘HALLOOOOOOOOO’, maar het enige dat hij hoort is zijn eigen stem. Verder dezelfde lege stilte die hem nu al urenlang omringt. Hij krijgt het er een beetje van op zijn heupen. Meticuleus inspecteert hij de poort. Wandelt er langs op en neer, probeert het met bezweringen allerhande, drukt hier en daar op een paneel in de hoop dat de poort zich alsnog opent. Het is pas als hij zich uitgeput tegen vestingmuur neerzet dat hij in de bocht ervan een bescheiden, houten deurtje ziet. Er hangt zelfs een bordje waarop in vervaagde letters ‘RECEPTIE’ te lezen is. Deze keer geeft de klink gelukkig wel mee en hij betreedt een koele, halfduistere ruimte. Er is een ouderwets loket met traliewerk.

– Goedemiddag mijnheer, kan ik u helpen? Vraagt een bleek en androgyn uitziend jongmens.

– Ja, wel. Ik weet het niet goed. Ik dacht dat ik binnen moest langs de poort, dus ik loop al een tijdje te zoeken, klonk het geërgerd.

De bleke jongeman, of was het een vrouw, trok de wenkbrauwen op.

– Och mijnheer, die poort openen we eigenlijk enkel bij zeer speciale gelegenheden. Of op momenten dat we zeer veel bezoekers verwachten. Het is een hels werk om dat ding geopend te krijgen. Mag ik even uw papieren? Dan kijk ik even na in welke kamer ik u mag onderbrengen?

– Papieren? Hmm, nee, ik vrees dat ik die niet bij mij heb. Ik had me niet aan dit soort formaliteiten verwacht, als ik eerlijk mag zijn.

– Dat hoor ik wel meer, zei de jongeman – of was het een jongedame? – droog. ‘Maar zonder papierwerk zou het hier nogal een boeltje worden vrees ik. Mag ik dan even uw naam? Dan kijk ik alles even na in het systeem.

– Geboren te? En wanneer precies?

– Geboren te Brussel in 1986.

– Aha, ik zie het. Wel vreemd, we hadden u nog niet zo onmiddellijk verwacht. Staat u mij toe even te bellen met een collega. Neemt u ginder even plaats? Dan kom ik zo dadelijk bij u terug.

Gedwee neemt hij plaats in één van de makkelijk uitziende zetels. Hij opent zijn koffer en haalt er een ingebonden exemplaar van de Koran uit. Hij laat zijn vinger over het papier glijden en murmelt zachtjes een soera. In de achtergrond hoort hij de receptionist – of is het een receptioniste? – bellen met een collega en driftig tokkelen op een toetsenbord. Hij schrikt op wanneer een even jong en even androgyn wezen in butleruniform naast hem komt zitten.

– Mijn naam is Ku. Mag ik u een paar vragen stellen?

Ibrahim klapt het boek dicht. “Neen”, zegt hij driftig. “Ik heb hier schoon genoeg van. Er is sprake van een groot misverstand en ik eis dat u dit onmiddellijk recht zet. Ik wil de baas spreken, en wel nu onmiddellijk. Dit is werkelijk ongehoord!”.

Ku lacht minzaam. “Dat er sprake is van een misverstand, dat ben ik met u eens. De brochure die u in uw hand heeft is namelijk behoorlijk misleidend opgesteld. Het is nu al een tijdje dat we proberen om de verantwoordelijke uitgever ervan te pakken te krijgen, maar tot nu toe zonder resultaat. Heeft u misschien wat inlichtingen daarover?”.

– Hoe durft u? Hoe durft u dit Heilige Boek een brochure te noemen? En misleidend? Dit is heiligschennis, hoort u? Ik ben benieuwd wat uw baas daarvan vindt.

Gehaast zegt Ku “Ach mijnheer, windt u zich toch niet op. Ik bedoelde het niet zo. Er zijn heel wat van die brochures in omloop geraakt op de één of andere manier. Zo krijgen we hier regelmatig verschillende versies binnen van één of ander Testament waar geen weldenkend mens wijs uit raakt. Je leest er de gekste dingen in. Het is op een bepaald niveau zelfs behoorlijk grappig, alleen merken we dat mensen zich er nogal druk over kunnen maken. Daarom zouden we eigenlijk graag eens met de schrijver van die brochures willen praten, maar we hebben er geen flauw idee van wie hij is.”

– De schrijver van dit boek? Het is de openbaring van God, door Zijn profeet natuurlijk. Vrede zij met hem.

– Ja, wel, dat is het net. De Verenigde Unie van Goden, Afgoden, Halfgoden en Superhelden ontkent dus met klem ooit aan iemand deze opdracht te hebben gegeven. Wij hebben bovendien alle notulen van alle vergaderingen grondig doorzocht en daaruit blijkt inderdaad dat zo’n openbaring zoals u het noemt dus nooit heeft plaatsgevonden.

– Dat is een grove leugen! roept Ibrahim uit.

Ku trekt de wenkbrauwen op en zegt afgemeten: “Nu kunt u mij van zeer veel zaken beschuldigen, mijnheer, maar een leugenaar ben ik niet. En als u mij nu wil volgen, dan breng ik u naar uw vertrekken”.

Verward sjokt Ibrahim achter Ku aan. De plaats ziet er uit als een duur vakantie-oord. Er is een wit strand met palmbomen. Zwembaden en strandstoelen. Gezellig uitziende huisjes. Bij nummer 42 houden ze halt. Ku opent de deur en zegt: Voilà, dit wordt je plek voor de komende dagen. Er ligt geschikte kledij in de kast, en verder ben je vrij te gaan en te staan waar je wil. Eten en drinken doe je aan de bar of het restaurant, of je laat je maaltijd hier bezorgen. Binnen enkele dagen zou ik de beslissing van het comité moeten ontvangen hebben. Dan spreken we elkaar weer.”

– Wacht! Ik protesteer. Dit klopt helemaal niet. Ik ben een martelaar, ik zou aan de rechterhand van Allah moeten zitten.

– Ja, en ook nog iets met 72 maagden? Het spijt me, maar ik kan niets voor je doen. Het nummer van de klantendienst vind je binnen naast de telefoon, maar ik kan je nu al zeggen dat zij ook geen enkele verantwoordelijkheid kunnen nemen voor die brochures.

En met die woorden verdween Ku. Alsof hij oploste in de lucht.

tumblr_lnkoplxqzj1qhr5yoo1_r1_500

Kortverhalen, ze worden onderschat. Nog altijd teveel beschouwd als een voorstudie op het echte werk: minstens een novelle, als het even kan een roman. Er valt nochtans veel te zeggen voor korte verhalen in jachtige tijden zoals deze. In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Je bent als auteur van kortverhalen immers gedwongen om compact te schrijven, de karakterontwikkeling van je personages snel en toch geloofwaardig te laten verlopen en tegelijkertijd het plot (of het gebrek daaraan) in gang zetten. Schrijven is schrappen en al die shit.

Nu ja, de reden waarom Berlin zich tot het genre van het kortverhaal beperkte zal misschien wel prozaïscher geweest zijn dan grote literaire overwegingen: 3 huwelijken, 4 zonen, een alcoholverslaving en een zwervend bestaan zullen er allicht voor gezorgd hebben dat het aan focus, geld en tijd ontbrak om zich te richten op een echte roman.

Een handleiding voor poetsvrouwen is een verzameling van haar meest relevante kortverhalen, in 2015 uitgegeven in New York en een onverwachte bestseller. Tijdens haar leven was ze een writer’s writer, wat zoveel wil zeggen als geweldig goed maar niet inspelend op de smaak van een groot publiek. Of misschien was ook haar gedrag te grillig en te onconventioneel. Kleine tip nog voor wie het boek wil lezen in de Engelse versie: bewaar het voorwoord voor achteraf, het geeft net iets te veel weg over de verhalen dan je zou willen.

Achteraf bekeken leest de bundel kortverhalen wel als een roman, en dan zelfs nog eentje uit de traditie van The Great American Novel, zodat het lijkt alsof je een glimp opvangt van de mythische Amerikaanse ziel of volksaard. Caleidoscopisch en gefragmenteerd, maar dat geeft eigenlijk niet. Het hoofdpersonage blijft in de meeste gevallen dezelfde, of dat kun je toch vermoeden. Ze woont nu eens in Texas of New Mexico, Chili. Dan weer in New York of Alaska. Ze is pasgetrouwd of heeft al volwassen kinderen die ze te weinig ziet. In rehab of ze staat al jaren droog. Ze werkt als poetsvrouw, verpleegster, doktersassistente of secretaresse. Ze verzorgt haar zus die aan de één of andere terminale kanker lijdt maar toch nog geniet van een affaire.

Het vrouwelijke perspectief is een verademing, evenwel zonder dat dat perspectief er vingerdik op ligt. Geen ‘kijk mij eens vrouw zijn en de last van wereld en het gezin op mijn schouders nemen’, zelfs integendeel. Nu we toch in die categorieën bezig zijn: Berlin hanteert zelfs een eerder ‘mannelijke’ schrijfstijl: er is haar weinig gelegen aan eindeloze introspectie of het ontrafelen van innerlijke drijfveren. Noch van zichzelf, noch van anderen. Ze observeert en schrijft neer, waarmee ze de emotionele lading van haar verhalen natuurlijk daar legt, in de observatie. Tegelijkertijd creëert ze daarmee een vage afstandelijkheid, alsof de (erge) dingen die haar overkomen dromen zijn van lang geleden. Er is een zeker afstand, die toch warm blijft. Er is ook ruimte voor humor: een verhaal over een abortuskliniek blijft verteerbaar door de kinderlijk-naïeve ogen waarmee het hoofdpersonage de feiten ziet en beschrijft. De geestigheid blijft bitterzoet, vervalt op geen enkel moment in slapstick (iets wat je bijvoorbeeld wel ziet bij Dimitri Verhulst).

Soit, 5 sterren zijn meer dan verdiend voor deze handleiding. Een bundel om te lezen en te herlezen.

tumblr_inline_ntccjhgsvm1t8vj5h_500

Strictly ballroom

-Veel gevoel voor empathie heb jij niet hé?

Ik haalde mijn schouders op, drukte mijn sigaret uit. Wat weet jij daar nu eigenlijk van, dacht ik bij mezelf. En ik zei: weet je wat? Noem me in het vervolg gewoon een ijskoud wijf. We moeten de dingen gewoon zeggen zoals ze zijn.

Hij keek opzij en zei ‘och gij’.

Wat deed ik hier ook eigenlijk? Een zomernacht in de stad die de pleinen en de straten had gevuld met mensen en muziek. Een etentje met vrienden dat was overgegaan in een tocht langs terassen. Ik was een ex-collega tegen het lijf gelopen waar ik bijzonder weinig mee gemeen had, maar die ik wel ongemeen sexy vond. Enfin, de rest laat zich raden en nu zat ik in een vreemd appartement de morgen nadien. Een 7 voor de seks.

– Mensen zijn bang voor alles, het is eigenlijk komisch om te zien.

– Komisch? Gij vindt dat om te lachen? Awel merci.

– Natuurlijk is het komisch in alle tragiek. De dingen die mensen doen of of angstvallig laten omdat hun verbeelding met hen op de loop gaat, hoe geweldig is dat niet? Ik had ooit een schoonmoeder die wel met de auto reed maar niet op de autostrade, want dat ging haar te snel. Er zijn mensen die bang zijn om over te geven en zichzelf daarom de lekkerste dingen ontzeggen. We kunnen bang zijn van straten, pleinen, slangen, spinnen, honden of kippen. Voor andermans microben en bacteriën terwijl het er op elke vierkante millimeter van ons eigen lichaam van wemelt. Clowns. Microgolfovens. Bomen, bossen en hout. Keuzes en beslissingen.De angst om er niet bij te zijn of te horen. Bruggen en water. Het strand en het zand. Voor gras. Voor de wind en voor de wolken. Voor duiven en struisvogels, alhoewel ik dat enigszins begrijp. Navels. De tijd die verglijdt. Voor seks. Om zwanger te worden of te zijn. Voor het huwelijk of een relatie. Om alleen te zijn. We zijn zelfs bang om bang te worden of te zijn. Het hele gamma aan angsten en neurosen waar we aan lijden is toch verschrikkelijk fascinerend?

– Bof, je zult het maar hebben hé, angstaanvallen.

– Dus jij denkt dat ik niet weet hoe het is om een paniekaanval te krijgen of zo? Dat ik nooit in mijn zetel heb zitten zweten terwijl ik me wanhopig op mijn ademhaling concentreerde om terug bij zinnen te komen? Dat ik niet mijn eigen doldwaze fobietjes heb die totaal ongegrond zijn en waaraan ik me toch elke keer laat vangen? Ik heb zoveel hoogtevrees dat het belachelijk wordt en ik krijg koude rillingen als ik nog maar een prentje van een slang zie. Ik ga hyperventilerend naar het postkantoor om een aangetekende zending op te halen, als ik er al om ga.

Dat wil niet zeggen dat ik niet kan zien hoe ongefundeerd die vrees is en quasi geen uitstaans heeft met de werkelijkheid. Ik moet niet in een donsdekentje gewikkeld worden omdat ik bang ben voor dingen die logischerwijze nooit zullen gebeuren.

– Jezus Christus zeg. Het is al goed, ik ga douchen.

Terwijl ik het water hoorde stromen scharrelde ik mijn kleren bijeen. In mijn handtas vond ik een oud treinticket en een balpen. Ik schreef: Vivir con miedo es como vivir a medias. Daarna trok ik de deur achter me dicht.

In de auto zette ik mijn telefoon uit en begon hartstochtelijk te huilen.

6358402551031417651118703309_sudden-fear_main1520

Nu – bij mij althans – de voetbalgekte over is, was het gisterenavond nog eens tijd voor een schaamteloos intellectueel divertissement. (Zo leef ik, mijzelf voor kortere of langere termijn verliezend in een beweging, een doel, een evenement, een hype. De enige constante is dat het sowieso weer overwaait, vroeg of laat. Het is uiteindelijk slechts een kwestie van tijd voor de dingen mij vervelen.)

Chantal Akerman dus. Ik hoorde voor het eerst over haar op Klara, tijdens het onvolprezen cultuurprogramma Pompidou. Het moet een jaar of 2 à 3 geleden zijn, ze leefde nog. Er was ergens een retrospectieve en iemand op de radio noemde haar toen de grootste Belgische cinéast en ik had er geen idee van wie ze was. Vorig jaar maakte ze een einde aan haar leven en werd ze tot in The New Yorker geprezen voor haar werk. Het moet nogal een sensatie geweest zijn in de jaren ’60 en vroege jaren ’70 toen Akerman op de proppen kwam met films die draaiden rond banaliteit en verveling, het mundane leven van huisvrouwen dat voordien onzichtbaar was. We hebben het dan over het echte leven, niet over het opgeblonken plaatje van jaren ’50 huisvrouwen dat in de reclame werd opgehangen.

Haar achternaam intrigeert me. Geen c of dubbele k na de A, waardoor die dus lang wordt, of dof. In elk geval geen ‘akker’, al zal het uiteindelijk wel op hetzelfde neer komen als je het etymologisch zou bekijken.

Mijn lief keek naar Duitsland tegen Italië, ik zette mijn koptelefoon op en doorbladerde YouTube op zoek naar Jeanne Dielman, maar het werd dus L’Homme à la valise (The Man with the Suitcase). Gedraaid ergens begin jaren ’80, maar (her)uitgegeven door Centre Pompidou in 2004.

Een vrouw – Chantal Akerman zelf? (in elk geval speelt ze de hoofdrol) – keert na 2 maanden terug (van waar of wat?) naar haar appartement om te werken. Behoedzaam probeert ze zich de ruimte weer toe te eigenen, herontdekt ze haar eigen plek. Ze opent ramen, bekijkt of het uitzicht nog hetzelfde is als toen ze het achterliet. Het lawaai van de straat? Dat gaat allemaal goed en wel tot blijkt dat de vriend die ze tijdens haar afwezigheid in haar flat liet logeren er nog altijd is. Wat volgt is een claustrofobisch en neurotisch-obsessief spel waarbij Akerman er niet in slaagt Henri te zeggen dat hij moet vertrekken. Ze verstopt zich bijna in haar eigen appartement en probeert haar bezoeker op alle mogelijke manieren te ontwijken. Meticuleus houdt ze schema’s bij van zijn komen en gaan, wanneer hij opstaat en zijn tanden poetst om haar eigen leven en werken daaraan aan te passen. Het begint met irritatie en het eindigt in complete vijandschap, een soort geweldloze loopgravenoorlog. Om die niet te verliezen durft ze op den duur haar flat niet meer te verlaten, laat ze haar boodschappen aan huis brengen.

Ik snap het wel, de weigering om (creatieve) arbeid te verrichten terwijl er iemand anders in de buurt is. Het vergt een hoge mate van intimiteit omdat je je tijdens het schrijven lijkt bloot te geven, er ligt altijd één of andere vorm van schaamte op de loer. Akerman kan evenmin werken als haar ongewenste gast te lang afwezig is, dan obsedeert ze over zijn terugkomst. Het is ook altijd wat.

De hele film is opgenomen in het appartement, waar we haar via een nauwe gang van de keuken naar haar werkkamer zien sluipen. De enige keren dat er gepraat wordt in de film is tijdens de toevallige ontmoetingen tussen Henri en Akerman. Muziek weerklinkt er nauwelijks, en dan nog alleen als de radio of de televisie op staat (Dogma 95 voor Dogma 95 zeg maar). Het is arty-farty natuurlijk, maar er gaat toch een zekere betovering van uit. De eenzaamheid, de lange, trage shots, de plotse uitbarstingen van absurd/grappige momenten. Ze noemde zichzelf een vrouwelijke Charlie Chaplin, en dat is niet eens zo gek bekeken. Bittere tragedie verzoeten met lichtjes surreële momenten, dat heeft ze in elk geval met hem gemeen.

Soit, Akerman zal nooit een groot publiek vinden. Dat hoeft ook niet.

En zoals de clichés het willen wonnen de Duitsers de match.

chantal1

 

Proclamatie

Ik heb me nooit beziggehouden met oudercomités of -verenigingen of hoe die ondingen ook mogen heten. Voor mij geen ellenlange discussies met overijverige ouders over welke boom waar op de speelplaats moet of welk beleg er ’s middags tussen de boterhammen mag. De school, dat was haar wereld, waar ik haar ’s morgens afzette en ’s avonds ophaalde voor ze er zelf heen ging. Werd het mij gevraagd, dan bracht ik plichtmatig een bezoek als er een opvoering was of ik ging eens voorlezen. Het zou kunnen dat ik ooit zelfs een cake heb gebakken voor een schoolfeest. Oudercontacten jawel, al kan ik mij er bijzonder weinig van herinneren. Uiteindelijk lijk je er toch altijd zelf een beetje op appel te komen. Ofwel doet je kind het goed en proberen zowel ouders al leerkracht de hen toegemeten tijd vol te lullen met gemeenplaatsen, ofwel loopt er iets mis en moet er een oorzaak gevonden worden. Als ouder valt je altijd wel iets te verwijten: je bent gescheiden of net niet, te veel of te weinig aanwezig, te zenuwachtig of net te veel laissez-faire. Leerlingen vinden al sinds het begin der tijden dat die leraar hen moet hebben. En de leraar zit daar in zijn natuurlijke habitat superieur te wezen terwijl zijn autoriteit buiten de schoolpoort sneller afbrokkelt dan de gletsjers in Antarctica. (Zijn er gletsjers in Antarctica?). Het is – achteraf bekeken – natuurlijk een behoorlijk amusant schouwspel, een ingewikkeld web van steeds weer verschuivende machtsverhoudingen.

Ze is afgestudeerd nu, mijn enige dochter. Het was een lastige eindsprint, niet in het minst omdat ze een paar emotionele opdoffers kreeg te verwerken. Er is weinig dat meer knaagt aan een ouderhart dan te zien hoe je kind twijfelt en worstelt met de gevolgen van beslissingen van anderen.

Afgelopen donderdag werd ze dan samen met haar jaargenoten op het podium geroepen in het gebouw van de Cercle Royal Artistique et Littéraire om haar diploma in ontvangst te nemen. Dat gebeurt natuurlijk niet zonder omkaderend ritueel. Toespraken van de Voorzitter van één of ander bestuurscomité, de directeur, een krakkemikkig en goedbedoeld muzikaal intermezzo. Obligate bedankingen, iemand die afscheid neemt en in de bloemetjes gezet wordt. Ondertussen stonden ongeveer 40 jongens en meisjes te trappelen als bronco’s, klaar om zonder omzien alles achter te laten en de grote wijde wereld te bestormen. Fier, ongeduldig, gulzig. 18jarige hoofden vol van dromen en idealen, waanzinnige plannen en in de vaste overtuiging dat zij het anders zullen doen en beter. Dat er niets is dat hen zal stoppen.

De directeur had over en voor elk van hen een zin of twee voorbereid in zijn toespraak. Dat ze in hun talenten moesten geloven of dat ze het nog ver zouden schoppen. L. werd geprezen voor haar kritische geest en haar tegendraadse karakter. Ach ja. Ze heeft – voor zover ik het kan inschatten – ook een zachtere kant, die haar misschien zal behoeden voor nodeloze schenenschopperij. Daar geraak je tenslotte ook niet altijd even ver mee.

Wat geef je mee aan goede raad tijdens zo’n ceremonie? Een heleboel, zo blijkt. Hopelijk hebben ze er niets van onthouden. Want het enige dat je zou kunnen zeggen is dat ze de hemel moeten bestormen en dat ze overeind moeten krabbelen als ze naar beneden vallen.

En zonnecrème. Dat ook.

We zijn ondertussen op de derde dag waarop Rutten het debat beheerst. Een goed gepitcht interview in Humo gevolgd door een passage in De Afspraak en afgerond met een opiniestuk in De Morgen. Niet slecht bekeken van de partijvoorzitter. Het doet een beetje denken aan die andere partijvoorzitter, die er ook steeds in slaagt de media-aandacht naar zich toe te zuigen door middel van een paar goed gemikte quotes waarover de hele Vlaamse Twitter-elite valt. Vervolgens nog een hele week overal mag gaan uitleggen dat hij niet goed begrepen is, de zaken uit context zijn gerukt of hij het allemaal zo niet bedoeld heeft.

In de paar debatten – nu ja, debatten, … zo’n vriendelijk gesprekje in De Afspraak kun je nauwelijks een debat noemen natuurlijk – waarin ik Rutten ooit bezig zag maakt ze trouwens een bijzonder combattieve indruk. Ze domineert en lijkt bijzonder zeker van haar stuk. Zo’n onervaren Groene overdondert ze natuurlijk compleet en zelfs Bart Schols houdt zich tegenover haar amper staande.

Haar démarche tegen wat zij de doorgedreven focus noemt op de herverdeling (en dus gelijkheid) heeft natuurlijk te maken met het feit dat de Open VLD zich moet blijven profileren tegen de vermogenswinstbelasting. Nu zelfs de N-VA via Zuhal Demir de deur ervoor op een kier zet, ruikt de liberale partijvoorzitter haar kans om zich als de enige echte verdedigers van al wie vermogend is op te werpen. Maar omdat zich ondertussen in de hoofden van de kiezers op dat vlak een kentering heeft voltrokken en de belasting op vermogen (of de winsten daaruit) voor ongeveer 75% van de mensen niet meer dan logisch lijkt moet er natuurlijk gefulmineerd worden tegen dat zotte idee van ‘gelijkheid’.

Diversiteit is niet hetzelfde als ongelijkheid

Wat Rutten doet is – wellicht bewust – 2 verschillende begrippen met elkaar vermengen. Haar argument om tegen een gelijke behandeling van mensen te zijn? Het feit dat we allemaal individuen zijn en dus van elkaar verschillen. Daar schijn je op het eerste zicht geen speld tussen te kunnen krijgen: natuurlijk verschillen we van elkaar. Nochtans: voor de wet zijn we allemaal gelijk, of dat zou toch moeten. Of je nu een rijkeluiszoontje bent of de dochter van een kassajuffrouw, in principe krijg je voor de rechtbank dezelfde behandeling. Niemand die het in haar hoofd haalt om dat systeem te vergelijken met pakweg Noord-Korea. Behalve Rutten dan.

Mensen kunnen dus perfect én van elkaar verschillen én dezelfde behandeling krijgen.

Een beetje ongelijkheid is goed (en te veel ongelijkheid is nefast)

Een andere halve waarheid die Rutten schaamteloos misbruikt is die van de ongelijkheid. Om te beginnen: ja het is zo dat een maatschappij waar iedereen krak hetzelfde zou verdienen niet zou werken. Maar vragen naar een rechtvaardige fiscaliteit is niet hetzelfde als zeggen dat iedereen dan maar over hetzelfde inkomen moet beschikken. En ze mag dan wel komen aandraven met Hans Rosling (die natuurlijk niet het hoofd van de statistiek is van de V.N., maar een kniesoor die daar op let), maar wat Rosling vertelt is iets helemaal anders dan wat Rutten daar van maakt. Voor wie het allemaal wil uitpluizen: check Gapminder.

De waarheid is omgekeerd: een rechtvaardige fiscaliteit die ervoor zorgt dat inkomen uit arbeid en inkomen uit kapitaal op gelijkwaardige wijze belast wordt zal net meer ademruimte creëren en meer vrijheid. Dat zeg ik niet, dat zeggen tientallen studies. En ook Michel Maus, die we bezwaarlijk van veel communistische sympathieën kunnen betichten.

En over dat communisme nog eens iets: in tegenstelling tot wat Rutten ongehinderd mag rondbazuinen wordt dat politiek en economisch systeem niet gekenmerkt door ‘gelijkheid’. Het is een systeem waarbij de productiemiddelen in handen zijn van de werkende klasse en waar men naar de utopie streeft van bijdragen naar vermogen en consumeren naar behoefte. In elk socialistisch systeem dat de wereld tot nu heeft gekend was er zeer zeker een (politiek) elite die zich ook kon verrijken. Maar goed, blijkbaar kan er nog gescoord worden met het soort doembeelden van een communistische heilstaat.

Gelijke kansen

Wanneer Rutten er op gewezen wordt dat niet iedereen met dezelfde kansen aan de start komt, dan geeft ze die natuurlijk gelijk. In één adem geeft ze dan ook de toverformule mee om dat soort van ongelijkheid weg te werken: kleuteronderwijs. Verplicht ouders hun kinderen vanaf 2,5 jaar naar school te sturen en hen Nederlands te leren en alle structurele ongelijkheidsmechanismen zullen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Gedaan met de ingebakken reflex om mensen met een vreemde achternaam niet uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek of een huurhuis toe te kennen. Gedaan met het feit dat mensen die werken of een doordeweekse KMO in dit land veel zwaarder wordt belast dan iemand die door middel van een ingenieus systeem van beleggingen en belastingontwijking op zijn luie kont kan rentenieren. Etc, ad nauseam.

Vederlicht

Het discours waar Rutten mee voor de dag komt is redelijk vederlicht. Ze gebruikt grote en goed klinkende begrippen zoals vrijheid en gelijkheid en ze zaait wat semantische verwarring. In combinatie met haar onverstoorbaarheid lijkt het moeilijk om dat onderuit te halen. Gelukkig zijn er nog de feiten en de cijfers waar iemand haar eens rond de oren zou moeten slaan.

 

 

Tot mijn grote spijt en schaamte moet ik bekennen dat ik Connie Palmen lange tijd links heb laten liggen, toen de lezing van De Wetten of De Vriendschap mij begin jaren ’90 niet goed was bevallen. Het was eerder nieuwsgierigheid dus die me ertoe noopte om in ‘Jij Zegt Het’ te beginnen. En dan nog eerder nieuwsgierigheid naar de dynamiek binnen het duo Hughes-Plath dan naar het schrijftalent van Palmen. ‘Je moet wel lef hebben’, dacht ik nog, ‘om je tanden te durven zetten in de relatie tussen Sylvia Plath en Ted Hughes en dan nog wel vanuit zijn perspectief’. Onmiddellijk daarna bedacht ik me dat ‘lef’ net het datgene is waar het Palmen niet aan ontbreekt. Het is weinigen in het literaire wereldje gegeven, die ‘fuck you’ attitude die haar kenmerkt. De manier waarop ze haar liefdesleven in alle openbaarheid beleeft die tegelijkertijd vrij is van alle aandachttrekkerij. Hoe ze worstelt met verslaving en andere kleine kantjes, en hoe ze bijzonder weinig haar best doet om in de smaak te vallen. Vooral dat laatste is tegenwoordig als vrouw een statement. Palmen is niet je volgende beste vriendinnetje dat je zal vertellen dat het allemaal wel goed komt en dat we allemaal lief moeten zijn tegen elkaar. Eerder integendeel. Connie is moeilijk, lastig, tegendraads en begroet de rest van de wereld met een gezond wantrouwen. Gelukkig hou ik veel meer van stekelvarkentjes dan lieflijk ogende elfjes die je net zo goed een mes in de rug zullen planten als je eens twee seconden met je ogen knippert.

Terug naar ‘Jij Zegt Het’. Het verhaal van de verhouding tussen Plath en Hughes is genoegzaam bekend. Zij het tere kasplantje, hij de grove bruut en rokkenjager. Zij die zich in de keuken vergaste omdat ze zijn affaires niet meer kon verkroppen. Een groot talent in de kiem gesnoerd door een monster van een man. Enfin, zo ging de achteraf-lezing van de feiten toch. Hughes werd bespuwd en veracht voor zijn rol in haar dood.

Nu ja, niet dat Palmen de feiten vooraf kent, maar ze werpt toch een ander licht op de feiten. Plath had ook voor ze Hughes ontmoette al een verleden van depressies, ernstige suïcidepoginge en leed onder de gezinsdynamiek: een Pruisische afkomst, een dominante moeder met grootste ambities op haar dochter geprojecteerd en een afwezige vader. De kiemen voor de latere tragedie waren al gelegd.

Palmen beschrijft op meesterlijke wijze de verhouding van het echtpaar. Moeiteloos, zelfs bijna achteloos laat ze de observaties uit haar pen rollen. Het moeilijke makkelijk laten uitschijnen, iemand heeft ooit beweerd dat dat groot talent verraadt, en dat is wat mij betreft in ‘Jij zegt het’ meer dan waar. Sylvia wordt ontleed op basis van haar dagboeken en brieven. Ze is grillig, dwingend, eisend, worstelt met haar talent en haar moeder. Ze is tot op het paranoïde af wantrouwig over Hughes’ omgang met andere vrouwen, jaloers, bezitterig en controlerend. Ze dwingt hem in een loyaliteitsconflict met zijn ouders en zijn geliefde zus. Hij kiest steeds voor haar: zij heeft hem nodig, is als de dood door hem verlaten te worden. Hij is blij dat iemand hem op die manier het middelpunt van haar leven maakt, kan zich volop uitleven in de rol van mentor en verjager van al haar demonen en neemt er de vreemde blikken van zijn vrienden over haar gedrag maar bij. Palmen verschaft in ‘Jij zegt het’ een mooi inzicht in dit soort gedoemde relationele symbiose. Uiteindelijk probeert Hughes het wurgende huwelijk achter zich te laten (of alleszins open te breken) door verliefd te worden op de vrouw van een bevriend koppel waarmee hij een affaire begint. Saillant detail: enkele jaren na de dood van Plath zal ook deze vrouw zelfmoord plegen door haar hoofd in de oven te steken en neemt daarbij hun dochtertje mee in de dood.

Palmens taalgebruik is meeslepend met een zeker barok karakter zonder dat het overweldigend of overdadig aandoet.

Als ik dan toch een minpunt moet aanhalen: naarmate de dramatische ontknoping van het boek nadert wordt Hughes naar mijn gevoel toch iets te veel neergezet als een naïeve sukkel die te weinig kan inschatten wat de gevolgen van zijn onbezonnen acties zijn. Verliefde mensen zijn nu eenmaal wreed en laten ex-geliefden en gezin vaak zonder scrupules achter, verblind als ze zijn door de roze wolk waar ze zich nu eenmaal op bevinden. Dat Plath zo tragisch aan haar einde is gekomen is niet (helemaal) zijn schuld: jarenlang psychisch lijden en een medische wetenschap die nog in de kinderschoenen stond (de manier waarop de dokter waarbij ze hulp zocht erop stond dat ze voor haar eigen kinderen bleef zorgen bijvoorbeeld) zal daar zeker ook toe hebben bijgedragen.

Blij in elk geval met deze herontdekking van Palmen!

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 3.444 andere volgers