Feeds:
Berichten
Reacties

Sektes in al hun verschijningsvormen, ze hebben me altijd gefascineerd. Net zoals terroristische groupuscules, maar het is dan soms ook niet helemaal duidelijk waar de sekte overloopt in de terroristische beweging of omgekeerd. In ‘The Girls’, het debuut van Emma Cline wordt de aanloop naar de moorden op Sharon Tate door de volgelingen van Charles Manson beschreven.

Evie is een 14-jarig meisje dat in de buurt woont van de ranch die door ‘The Family’ wordt gekraakt. Het meisje worstelt tijdens de zomervakantie met de scheiding van haar ouders, het verlies van een jeugdvriendschap en de wetenschap dat ze volgend schooljaar naar een kostschool wordt gestuurd. Haar vader is er vandoor met zijn nieuwe vriendin en haar moeder heeft het erg druk met daten. In dat vacuüm zoekt Evie toenadering tot het vreemde en fascinerende groepje jonge vrouwen dat The Ranch bevolkt. Niemand die haar mist als ze haar dagen en haar nachten doorbrengt in de afgelegen plek waar de vervreemding van de wereld nog intenser wordt door de drugs, de nachtelijke feesten en rituelen, de seksuele inwijding.

Russel Hadrick (aka Charles Manson) is geobsedeerd door een muziekcarrière en als de producer die daarvoor moet zorgen zijn eerder gemaakte beloftes niet kan waarmaken is het tijd voor wraak. De rest van het verhaal is gekend: Sharon Tate en haar vrienden worden op beestachtige wijze afgeslacht. De volgende nacht wordt die stunt nog eens dunnetjes overgedaan in een andere wijk van LA. Het is eerder door stom toeval dan door geweldig speurwerk dat de daders uiteindelijk gevat worden.

Cline leeft zich bijzonder goed in in de psyche van een eenzame en onbegrepen tiener die bij The Family de liefde, steun en waardering krijgt die ze zoekt.

Is dit grote literatuur? Neen, maar het boek leest bijzonder aangenaam weg en Cline toont zich een talentvolle schrijfster die een jonge taal hanteert. Ze komt met onverwachte metaforen op de proppen die bijzonder goed werken.

Gisteren bekeek ik nog een aantal documentaires over het fenomeen Charles Manson en zijn ‘Family’. Hoe hij tijdens de Summer of Love in San Francisco profiteerde van de sfeer van peace, love & understanding om zich te omringen met jonge vrouwen (en mannen) die zoekende waren. Hoe isolatie van het werkelijke leven, een drang naar rebellie en grootse dingen, industriële hoeveelheden drugs en een hele hoop kosmische bullshit de rest deden. Het blijven onwerkelijke beelden van de drie jonge daders die zich tijdens het proces vrolijk zingend en lachend naar de rechtbank begeven. Geen greintje spijt lijken ze te hebben op dat moment. In latere interviews, als ze al lang achter slot en grendel zitten en vrouwen van middelbare leeftijd zijn, vertellen ze dat ze ook tijdens het proces LSD bleven nemen. De enige reden waarom ze aan de doodstraf ontsnapten was omdat die werd opgeheven niet lang na hun veroordeling. De drie vrouwen die lijken in de loop der jaren wakker te zijn geworden, en beseffen maar al te goed wat ze hebben aangericht. Manson kraamt nog altijd dezelfde onzin uit als hij nog eens geïnterviewd wordt.

manson

Luisteren of tegenspreken?

Een week of wat geleden ben ik verhuisd. Naar een doodgewone volkswijk in een deelgemeente van Gent. Mijn nieuwe buurman – die buschauffeur is –  begroette me met de woorden: “Ah, de nieuwe buurvrouw. Ewel, ik ben gene racist, maar ik ben blij dat je geen Turk bent”. Voor de rest een heel hartelijk welkom gekregen hoor, daar niet van. Ik weet nu al wie wie is in de straat. En in de zomer, als het warm is worden de stoelen buiten gezet, een flesje cava gekraakt of een bak bier gedeeld en wordt er onder buren gezellig gekeuveld. Ik mocht mezelf als uitgenodigd beschouwen. En toen buurman en buurvrouw zich nieuwsgierig toonden naar de kleine verbouwing die we lieten uitvoeren voor we het huis echt betrokken vroeg ik hen binnen om het resultaat te aanschouwen.

Mijn gedachten dwalen af en toe af naar mijn goede vriendin die met een Turkse man getrouwd is. Voor mij is het wel makkelijk natuurlijk, om die banale racistische opmerking te negeren en verder min of meer hartelijk te reageren. Alsof er niets aan de hand is. Omdat een goede buur beter is dan een verre vriend. Omdat je niet weet hoe lang je nog buren zult zijn en je natuurlijk geen zin hebt om vanaf dag 1 in de rol van outcast geduwd te worden.

Na de ongemeen harde schokgolf die de overwinning van Trump door de wereld joeg werd de blanke middenklasse in deze contreien nog eens opgeschud en moest de verkiezingsuitslag ten gronde geanalyseerd. Hoe was het mogelijk en patati en patata? Eén van de lessen die we moeten trekken blijkbaar is dat we moeten luisteren naar de verongelijkte witte arbeidersklasse die redelijk massaal voor Trump heeft gestemd. Daarnaast hebben ook de hogere (witte) inkomensklassen voor Trump gestemd (+/- de helft). Maar bij hen moeten we ons oor niet te luisteren leggen naar het schijnt. Klein detail: in de 2 laagste inkomensklassen stemden de minste mensen voor Trump. Voor de volledigheid: ik baseer mij op de exitpolls zoals ze door de NY Times gepubliceerd werden.

Op Vrij Nederland – een Nederlands weekblad voor witte hoogopgeleide mensen – werd een interview gepubliceerd met een Amerikaanse sociologe die ons vertelde dat we inderdaad moesten luisteren naar Trump-stemmers. Dat artikel waarin ze vertelde over haar ervaringen moest Nederlandse en Vlaamse middenklassers met een streepjestrui en een veel te dure fiets het gevoel geven dat ze ook daadwerkelijk met een werkloze arbeider in de rust belt hadden gepraat. En wat bleek? Die mensen zijn zo slecht nog niet. Ze schijten bovendien niet uit dwazigheid in hun eigen keuken of zo. Met een beetje goede wil zou je zelfs kunnen zeggen dat het mensen zijn zoals jij en ik. Met hopen en dromen en kleine kantjes. Wie had dat ooit kunnen denken zeg??

In 1991 – vlak na de eerste onverwachte en vrij verpletterende overwinning van het Vlaams Blok – heerste in Vlaanderen een beetje hetzelfde gevoel. Wie waren eigenlijk die kiezers die de traditionele partijen hadden durven opzadelen met een electorale kater? Er werden reportageploegen naar de Antwerpse Seefhoek gestuurd in de hoop de ziel van de foertstemmer te kunnen capteren en een oude man met een kapiteinspet op verklaarde zonder veel schroom voor de camera dat Hitler het allemaal nog niet zo slecht had gedaan.

Aha, hoor ik u al denken. Dat is hier voorzeker zo’n betoog van een politiek correcte adept van de linkse kerk die beweert dat al die proteststemmers van toen en nu vermaledijde racisten waren. Ewel, u hebt deels gelijk. Dat ik een poco ben is ongeveer algemeen geweten. Dat al die proteststemmers racisten zijn (of waren) is weer een andere zaak. De meeste onder hen zullen zich alvast niet zo identificeren. Een beetje zoals mijn nieuwbakken buurman eigenlijk, die geen racist is maar toch blij is dat hij niet naast een Turk woont. Waarmee je au fond natuurlijk wel een racistische uitspraak doet en een stem voor Trump of Dewinter nog altijd een impliciete goedkeuring is van een xenofoob en racistisch partijprogramma.

Wat me op dit moment stoort aan dit hele ‘we moeten luisteren naar de stem van de kiezer’ verhaal is de manier waarop de ontevredenheid van de white working class centraal wordt gesteld. We weten waarom die op Trump heeft gestemd. Een terecht gevoel van ontevredenheid met het huidige politieke beleid. Een politieke elitaire kaste die nog weinig voeling heeft met de gewone werkmens. De teloorgang van traditionele industrieën en jobs voor laaggeschoolde arbeiders. Weinig geloofwaardige alternatieven. Een demagoog die simpele oplossingen belooft voor complexe problemen. Het is allemaal zo moeilijk niet en het is ook al verschillende keren eerder met redelijk veel succes geprobeerd.

Maar de arbeidersklasse bestaat noch in de USA, noch in Europa enkel uit blanken. De mensen die het laagst van allemaal zijn opgeleid en die in de ongezondste en slechtst betaalde jobs terecht komen zijn van zeer gemengde afkomst. Iemand al horen zeggen dat we naar die mensen moeten luisteren? Ik dacht het niet.

In de nasleep van de Brexit steeg het aantal hate crimes tegenover buitenlanders (met name Polen) spectaculair. Dat gaat van beledigingen en bedreigingen tot mensen halfdood slaan omdat ze het lef hadden om op straat hun moedertaal te spreken. In de USA lopen de eerste meldingen van intimidatie tegenover minderheden uit naam van Trump ook binnen. Niemand die ik hoor zeggen dat we met die mensen in dialoog moeten gaan.

En laat ons wel wezen: we kennen de ontevreden onderbuik, of ze nu voor Trump stemmen of virulent een racistische karikatuur als Zwarte Piet verdedigen. Ze bevolken de commentaarsecties van de populaire kranten, ze zijn onze buren of onze collega’s. Het is de zatte nonkel Frans aan de feestdis op familiefeesten.

Wat mij betreft is de tijd van luisteren gedaan en de tijd van luid tegenspreken aangebroken.

Ja, ik weet het. Er is al zeer veel inkt gevloeid over de Nederlandstalige literaire hype van 2016, dus mijn bedenkingen kunnen er ook nog wel bij. Ik heb me sowieso bewust ver van de controverse gehouden, omdat ik het boek zonder al te veel vooringenomenheid wilde kunnen lezen. Als ik dan op voorhand al erg polariserende recensies en meningen in duik wordt dat te moeilijk omdat ik onderhuids dan toch een aantal verwachtingspatronen voel opspelen. Een eerlijke blik is wel het minste dat je als lezer een auteur verschuldigd bent.

Maar goed, Het Smelt dus (ik moet mijzelf vaak corrigeren om niet ‘Het Spit’ te schrijven of te zeggen trouwens). Hoofdpersonage Eva vertrekt op een winterse dag eind december met een groot ijsblok in de koffer naar het dorp waar ze opgroeide. Een van haar jeugdvrienden geeft een feest ter herdenking van zijn oudere broer die jaren geleden het leven liet én zijn nieuwe melkerij wordt geopend. Reden genoeg dus om oude en nieuwe bekenden op te trommelen richting Bovenmeer. Wat volgt is een goed geconstrueerd verhaal over een disfunctionerend gezin, opgroeien in een kleine dorpsgemeenschap en kinderlijke wreedheden.

En toch vond ik Het Smelt niet bepaald een goed boek. Ook niet hallicunant slecht, maar er zijn me teveel mankementen die ik voornamelijk wijt aan haast om het debuut van Spit uitgegeven te krijgen en een bijzonder slechte (of afwezige) redactie. Slechte punten voor Das Mag in elk geval. Erg slechte punten zelfs. Het boek wemelt van slecht geconstrueerde zinnen die soms bijzonder houterig overkomen. Lelijke zinnen die het leesplezier soms echt vergallen. Nodeloze uitweidingen die het verhaal enkel vertragen en verder niets wezenlijk bijdragen. Toen ik daar op Facebook een opmerking over maakte vroeg iemand zich af of een auteur nog mag groeien en of ik niet te streng was. Natuurlijk mag een debuterend auteur op enige clementie rekenen, maar groeien (of beter worden) lukt niet als iedereen enkel vol bewondering ‘oe’ en ‘aah’ roept.

De spanningsopbouw is doordacht en noopt de lezer tot haastig verder lezen. Anderzijds – en Het Smelt is niet het enige boek dat in dat bedje ziek is – wordt het orgelpunt dan zo’n beetje tussen de soep en de patatten afgehaspeld. En dat brengt ook een ander probleem van dit debuut aan het licht: de personages zijn weinig geloofwaardig. Op geen enkel moment had ik het gevoel dat het mensen zouden kunnen zijn die ook werkelijk zouden kunnen bestaan. De gebeurtenissen van de zomer van 2002 – waarrond het boek grotendeels pivoteert – raken me niet omdat ik het gewoonweg niet geloof.

Kan Lize Spit schrijven? Zeer zeker. In ‘Het Smelt’ zit zelfs een meer dan behoorlijk boek verborgen. Echt jammer dat de redacteur noch de uitgever van dienst niet meer moeite heeft genomen om het er ook uit te halen.

 

Erfgenamen

Arvingere – of The Legacy zoals u Deense de serie wellicht beter kent – is het bekijken meer dan waard. Sinds gisterenavond heb ik er het laatste deel van het tweede seizoen op zitten en dat is jammer. Zeker omdat het tweede seizoen volgens mijn niet zo bescheiden mening beter is dan het eerste. In het eerste seizoen maken we kennis met een stervende en kunstenares (alhoewel je dat op het eerste zicht niet zou zeggen) die met het einde in het vizier beseft dat ze één en ander heeft goed te maken. Ze laat haar have en goed dan ook na aan haar jongste dochter die haar nooit heeft gekend en eigenlijk niet wist dat ze een adoptiekind was. Bij de andere kinderen – één dochter en twee zoons – slaat dat nieuws niet helemaal verwonderlijk in als een bom. De eerste reeks draait dan ook vooral rond de clash tussen Signe (de dochter die werd geadopteerd door haar natuurlijke vader en zijn vrouw) en de andere broers en zussen. En passant maak je ook kennis met het leven van de verschillende broers en zussen die elk hun eigen demonen te bevechten hebben.

In de tweede reeks is het stof rond het verdelen van de erfenis gaan liggen. Er is een modus vivendi gevonden waarin iedereen zich min of meer kan vinden en het leven herneemt zijn gangetje. Wat volgt is een boeiend ballet van vernieuwde machtsverhoudingen binnen de familie, oude allianties tussen de verschillende familieleden die onder druk komen te staan en trauma’s die opspelen en acuut worden. Personages laten zich zowel van hun aardige als hun meer onsympathieke kant zien en dat is natuurlijk wat zorgt voor een realistisch aandoende diepgang.

Wie de DVD’s ooit heeft verzameld via de spaaractie van De Morgen: tijd om de die uit de verpakking te halen om de verveling van de lange winteravonden te verdrijven.

the-legacy-header

Restfragment (intermezzo)

Ooit was ze anders geweest, nog niet zo heel erg lang geleden zelfs. Lichter, vrijer, onbezonnen. In het middelbaar, in de opleiding Snit & Naad had ze gemerkt dat ze smaak had en ook wat talent voor mode. Sneller dan de andere meisjes had ze zich de techniek eigen gemaakt en thuis sloeg ze aan het experimenteren. Minirokjes en later zelfs hotpants die ze in bladen zoals Marie-Claire zag. Kleurige bloesjes en fleurige jurkjes met een A-lijn. Haar weinige zakgeld spaarde ze maandenlang op om er een paar hoge laarzen mee te kopen die ze stiekem moest dragen, omdat haar vader zowel als haar moeder haar hadden verboden zich ‘zo’ te kleden.

Voor haar 16de verjaardag had ze een paar Amerikaanse rollerskates gekregen, blauw met gele streepjes. Op zaterdagnamiddag fietste ze met haar vriendinnen 15 kilometer ver naar Roeselare, waar ze een rollerdisco hadden. Eerst gingen ze zich omkleden en opmaken in de toiletten, klonterige mascara en dik aangezette zwarte eyeliner. Bloedrode lippenstift, een lang kralensnoer rond de hals.

Ze draaide rondjes in het halfduister terwijl de DJ in het midden van de ring plaatjes draaide. The Bee Gees, Blondie, Earth Wind & Fire. De knapste jongens en meisjes mochten plaatjes aanvragen of elkaar de groetjes doen. Diana schaatste zo snel ze kon, de wind in d’r haren, wiegde met haar heupen op het ritme van de muziek. Als ze buiten adem was deed ze het een tijdje rustiger aan, zocht haar vriendinnen terug op. Ze stoeiden, rolschaatsten met zijn tweeën achteruit. Op bepaalde liedjes was het de bedoeling dat een lange rij werd gevormd. Dat eindigde steevast in valpartijen en gegrabbel.

Elk uur werden 3 trage nummers na elkaar gedraaid terwijl blauw-groen-rode lichten nog meer gedempt werden. De meisjes gingen aan de kant staan, wachtten tot een lefgozer hen kwam halen om te slowen. Diana werd altijd als een van de eerste meisjes gevraagd. Een tijdje was ze zelfs min of meer het liefje geweest van Angelo, die al werkte en een brommer had. Na het dansen had hij haar een whisky-cola getrakteerd en gevraagd of ze buiten een sigaret wilde roken. Zonder nadenken had ze ja gezegd, zelfs al had ze nooit eerder een sigaret opgestoken. Natuurlijk wist ze wat er buiten te gebeuren stond, kussen en gretig, stuntelig voelen onder kleren. Ze was een beetje teleurgesteld toen bleek dat Angelo niet zo doortastend bleek als ze had gedacht. Na een paar weken stuntelen zonder dat er zicht was op meer had ze hem de wacht aangezegd.

Het had haar toen nog vanzelfsprekend voorgekomen dat zij zou ontsnappen, weggaan, grootse dingen zou beleven. Ze zou gevierd worden met champagne, schijnwerpers, applaus en het flitsen van fotocamera’s. Ze zou sier maken aan de arm van charmante, knappe mannen die wisten wat er in de wereld te koop was.

Voor dit dorp en dit onbetekenende leventje was ze te goed. En toch zat ze hier nog, op de één of andere manier.

rollerdisco-feature

Vet hart

Ik heb nog eens een dichtbundel gekocht. Niet van mijn gewoonte, ik lees eigenlijk zeer weinig poëzie. En blijkbaar ben ik niet alleen, want dichtbundels worden eigenlijk door niemand aangeschaft. Tenzij je natuurlijk een junkie bent die al een aantal jaar dood is, dan stijgt de verkoop plots wonderbaarlijk.

Volgens mijn eigen aanvoelen en verder totaal ononderbouwde theorie kopen mensen geen dichtbundels omdat ze niet het gevoel hebben waar voor hun geld te krijgen. Je betaalt er ongeveer evenveel voor als voor een ‘gewoon’ boek en je krijgt er wat voor in de plaats? Een stuk of wat gedichten. Er is te veel witruimte op de bladzijden en bovendien denken de meeste mensen ook nog eens dat ze het zelf ook kunnen. Je plakt wat woordjes die op het eerste zicht niets of toch niet veel met elkaar te maken hebben achter elkaar, drukt op de entertoets midden in een zin en hop! je hebt een gedicht geschreven.

Maar goed, passons. De bundel waar ik het over heb is de laatste worp van Koenraad Goudeseune. Vet hart is de titel. In elk geval: het geldelijke argument gaat hier niet op. Voor 16,50 € word je getrakteerd op maar liefst 105 pagina’s die allemaal samen meer dan 80 gedichten bevatten. Was ik beter in hoofdrekenen, ik zou je direct vertellen hoeveel eurocent je per vers betaalt.

Dat ik voor Goudeseune een uitzondering maak is omdat ik al jaren fan ben van ’s mans proza (dat hij met mondjesmaat op de wereld loslaat) en zijn persona. Goudeseune wordt quasi nergens meer besproken en wordt quasi op geen enkel poëzie-festival gevraagd omdat hij met zowat iedereen die iets te betekenen heeft in het literaire wereldje gebrouilleerd is. Een vadermoord op zijn laatste beschermheer Barnard, een vernietigende bespreking van één van de laatste dichtbundels van poëzie-Paus Nolens, een ongenadig fulmineren tegen alles wat ruikt naar sentimentele romans en karamellenverzen? Hij draait er zijn hand niet voor om. Hij is het jongentje dat roept dat de keizer geen kleren draagt en prompt beloond wordt met een draai om de oren van de omstaanders die zulks niet willen horen. Jullie begrijpen ongetwijfeld mijn bijna grenzeloze sympathie voor de man.

Ik ben dus geen doorgewinterde kenner van poëzie, dus verwacht hier geen doorspitte vormelijke of andere analyses. Wat ik wel weet is dat Goudeseune zich ver houdt van wat moet doorgaan voor poëtisch taalgebruik. Bij hem weinig verhevens, schoons of zweverigs. Weinig hoofse liefde, af en toe seks met gewone mannen en gewone vrouwen. Geen lentebriesjes of Beatrices met ranke halzen. Wel blote konten, chronisch geldgebrek en flats die ruiken naar bejaarden. Een plastic tuinstoel, potjes yoghurt en de Tour de France. Enfin, je moet het lezen om het te geloven. Tegelijkertijd spreekt er veel humor uit zijn poëzie, en tederheid. Maar ik vermoed dat je al iemand moet zijn met een afwijkend gevoel voor zijn om het op te merken. Nu ja, ook de eeuwige buitenstaander heeft af en toe behoefte aan herkenning en last van al te luide eenzaamheid. (Over wie heb je het nu eigenlijk?).

Ik heb al die 80 gedichten natuurlijk nog niet gelezen, maar dit is wel een van mijn favoriete.

Moeder

Ik weet nog dat het september was

want dan krijg ik van de belastingen

wat ik teveel betaalde en de zon

was vroeger op dan ik en zwemmen

 

was nog iets wat ik dagelijks deed

gewoon baantjes trekken en daarna

in de taverne koffie en de krant

waarin ik las dat het concert in de abdij

 

vanwege ziekte van de dirigent

die heel speciaal uit Israël kwam

geveld door koorts en mijn zus

berichtte me dat de mis

 

voor mijn moeder dit jaar is verschoven

en ik noteerde het in mijn agenda

en ik dacht dat ik het ook wel zo

onthouden zou maar voor de zekerheid.

 

(Het doet me een beetje denken aan het nummer Tom’s Diner van Suzanne Vega).

img_20161003_215201

Na een laatste leessprintje deze zondagmorgen is ook het laatste deel van Ferrante’s 4-delige reeks uit. Naast ‘De geniale vriendin’ (1) omvat deze tetralogie ook nog de boeken ‘De nieuwe achternaam’ (2), ‘Wie vlucht en wie blijft’ (3) en ‘Het verhaal van het verloren kind’ (4). Dat laatste komt in de Nederlandse vertaling pas uit in de loop van deze maand. Ik las het in de Engelse vertaling.

Het eerste deel las ik deze zomer, en wat ik daarvan vond lees je hier.

Ferrante blijft de gemoederen beroeren: er zijn hevige voor- en tegenstanders, er is het hele gedoe rond haar (of zijn) verborgen identiteit die misschien toch niet meer zo onbekend is. Ik ben – laat ik er maar direct voor uitkomen – een redelijk grote fan. Mijn moeder vraagt zich dan weer wanhopig af of er wel mannelijke lezers zijn die Ferrante weten te appreciëren (het antwoord is ‘ja’, trouwens) en probeert daarmee de auteur te reduceren tot iemand die zich enkel met ‘vrouwenthema’s’ bezighoudt. Dat is volgens mij a/ niet het geval en b/ zelfs als het zo zou zijn, et alors? We mogen wel eens ophouden met a/ ‘mannenthema’s’ als universeel geldend te beschouwen en b/ het overgrote deel van de lezers van fictie zijn vrouwen, dus het zou niet eens zo gek zijn om de stem en de belevingswereld van vrouwen van allerlei afkomsten, gezindtes en leeftijden wat centraler te stellen. Maar goed, dat is een andere discussie. Of niet, maar daar kom ik straks misschien nog op terug.

Het vierluik van Ferrante vertelt het verhaal van de Napolitaanse vriendinnen Lila en Lena, en dat van hun prille kindertijd tot en met de mysterieuze verdwijning van Lila op het moment dat ze vooraan in de 60 is. Naast de twee vriendinnen speelt ook de stad Napels een prominente rol. De arme volkswijk waar beiden opgroeien is vergeven van geweld, armoede en afpersing door de lokale Camorra. De jonge vrouwen proberen zich eraan te onttrekken, maar de lokroep blijft luid weerklinken en op de een of andere manier is er nooit een afscheid van mogelijk.

Lena, alhoewel niet de meest getalenteerde of intelligente van de twee, slaagt er in te studeren en zich op te werken tot de intellectuele middenklasse. Lila moet het zonder enige vorm van opleiding stellen en heeft het dus veel moeilijker om een uitlaatklep te vinden voor haar creativiteit en haar ondernemende geest. De levensloop van beide vrouwen is als een rivier die ontspringt en zich later vertakt, soms mijlenver uit elkaar loopt maar uiteindelijk toch steeds weer dezelfde bedding vindt.

Lena’s ervaringen worden opgehangen aan de bredere context van de woelige jaren 60, 70 en 80 in de linkse intellectuele milieus. De pietluttige discussies tussen links, linkser, linkst zijn hilarisch en komisch tegelijkertijd. De vrouwelijke insteek is er in de zin dat Lena in die tijd haar eigen feministische ontwaken beschrijft: ze ziet hoe de mannen die in de meest dramatische termen oproepen tot revolutie, een andere maatschappij en Alle Macht Aan de Arbeiders zich uiteindelijk wel nog altijd als pasja’s laten bedienen door hun vriendinnen of hun zussen. Hoe ze schaamteloos de intellectuele arbeid van hun echtgenotes of minnaressen stelen en er roem mee vergaren, hoe ze hun vrouwen en geliefden zonder omkijken met de zorg voor hun kinderen opzadelen.

Lila en Lena trouwen, krijgen kinderen, scheiden, laten de wijk en Napels achter zich, komen terug, worden opnieuw verliefd, strijden om hun eigenheid te behouden, verliezen zich weer en vinden elkaar terug. Ze houden van elkaar, kunnen elkaar dan weer niet verdragen. Beschuldigen elkaar ervan de ander te willen beperken of gemeen te zijn tegen de kinderen van de ander. Het leven zoals het is, quoi.

De Napolitaanse romans zijn – onder andere – een verhaal van vriendschap, maar zonder de suikerzoete Hollywoodlaag van idealisering. Maar bovenal is het een epos waar aan de kleine levens van twee vrouwen veel meer wordt opgehangen: politieke geschiedenis, het verlies van illusies en idealen, de manier waarop vooruitgang en de vaart der volkeren een eeuwigdurende processie van Echternach is, hoe Clio zich soms verslikt en hoe mensen in het tumult en de stofwolken soms vermorzeld worden.

Zoals ik zei: ik ben fan🙂