Feeds:
Berichten
Reacties

Wat opvalt in het boekenweekgeschenkrelletje waarmee het weekend opgeleukt moest worden is dat het geestdodend eendimensionaal wordt gevoerd. Laten we even voorbijgaan aan het feit dat het natuurlijk een uitgelokt marketingopstootje is – niets dat zo goed de kranten- en andere kolommen vult dan wat goed geregisseerde verontwaardiging – en de analyse van het ‘debat’ is bijzonder mager. Het moet een vrouw zijn die het volgende boekenweekgeschenk schrijft. Begrijp me niet verkeerd, dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn in alle establishmenten, het literaire incluis, is natuurlijk een feit dat niet staat als een huis, maar als een hele wijk lelijke en vervallen Rabottorens.

Maar wordt het niet zo zoetjesaan tijd om de terechte roep naar meer diversiteit open te trekken en over de vrij saaie binaire piemel vs. vagina tegenstelling te tillen? Wie zit er eigenlijk nog te wachten op het zoveelste narcistische boekje van een wit middenklasse prinsje of prinsesje, al dan niet over het moederschap? In dat opzicht lijken mij de schrijfsels van Isik daarover zelfs a priori interessanter dan pakweg Lize Spit.

Het literaire landschap in de Lage Landen is niet enkel schrikwekkend monochroom, maar lijdt ook op elk ander vlak aan bloedarmoede. Schrijvers met een migratie-achtergrond blijven zeker in Vlaanderen curieuze randfenomenen. (In NL heb je tenminste namen als Bouazza, Benali, Isik, Ouarachi et j’en passe. In Vlaanderen? Aya Sabi is voor zover ik mij kan herinneren de enige die met een roman of verhalenbundel die de laatste jaren wat aandacht wist los te weken).

Auteurs die schrijven vanuit een andere afkomst dan een veilig middenklasse nest vind je al helemaal niet. Voor een interessante blik op het leven van de ‘volksmens’ moeten wij in Vlaanderen bijna teruggrijpen naar Boon. Schrijvers met een beperking? Laat me niet lachen. Die mensen zijn zowat volledig afwezig in heel het maatschappelijke leven.

Kortom: diversiteit is meer, veel meer dan gender of piemels turven en tetjes tellen.

Moe

Ik ben moe. Mijn haar is moe, mijn mond is moe en mijn ogen vallen toe. Mijn nek is moe van mijn hoofd te dragen. Mijn armen zijn moe van het tillen, mijn benen zijn moe en slepen zich voort. Mijn buik is moe en rammelt maar wat.

 De plant is moe, het licht is moe en laat het duister te voorschijn sluipen uit de kieren en de gaten van het huis. De trap is moe en kreunt en kraakt en jammert onder het gewicht van lamlendige lichamen die zich naar boven toe slepen. Zuchten op een bed met metaalmoeë pootjes en een doorgelegen matras. De tafel is moe en de stoel is moe en slaapt de hele dag door. De zetel is moe en staart voor zich uit.

Het kind is moe en dreint en jengelt en zeurt. De minnaars zijn moe en sterven niet meer. De moeder is moe, meer moe dan ze ooit is geweest. De vader is moe, wat doet het ertoe? De opa’s en oma’s zijn moe. De sint is moe, de kerstman is moe en God is lang dood. De reiziger is moe en wil gewoon naar zijn huisje toe. De vluchteling is lang moe en gaat gewoon zitten. De poes is moe en snurkt op de vensterbank. De hond is moe en kwispelt niet meer. De koe is moe van het loeien.

De soep is moe en verzuurt in de pot. De melk is moe, het bier is moe en verschaald. De wijn is moe en doet zelfs geen moeite, de champagne blijft stil en verdwijnt. Het vlees is moe en verstorven. De kaas is zacht en bezweet. De groenten zijn moe en verslensen.
Alles zakt in, naar beneden, verdwijnt onder de grond en de aarde. Moe van het groeien, moe van het leven, moe van het draaien, het vliegen en het springen. Moe van het treinen en moe van de bussen, moe van auto’s overal. Moe van de tanker, de treiler, de loods op het water.

De wind is moe, de regen valt moe langs het keukenraam tot op de moeë stoep. De wolken zijn moe en laten zich zwaar hangen over het uitgestrekte vlakke land. De bomen zijn en vallen om. De wormen zijn moe en geven het op. De spinnen zijn moe net als de vliegen, de muggen en sprinkhanen. De bijen slapen, de kikkers zijn gestopt met kwaken. De padden liggen in de gracht en zijn het trekken moe.

 Het gras is moe, het zand is moe en de zee is moe van alle eb en alle vloed. De maan is moe en heeft het koud. De zon is moe van het schijnen. De sterren zijn moe en verdwijnen. De zomer is moe en de herfst is moe. De winter moet nog beginnen.

De wereld is moe en doet de boeken toe.

In The Warmth of Other Suns worden 3 persoonlijke verhalen gemengd met wetenschappelijk geschiedkundig onderzoek om een beeld te schetsen van The Great Migration, de migratie dus van zwarten uit Zuiden van de VS naar het Noorden tussen 1910 en 1970. Het resultaat is een even magistraal als ontluisterend beeld van een behoorlijk donkere periode uit de recente geschiedenis. 
Begin 20ste eeuw is in de Zuidelijke Staten – die zich tijdens de burgeroorlog achter de confederatievlag schaarden – een systeem van wetten en regels van kracht dat bekend staat als ‘Jim Crow’. In principe is de slavernij afgeschaft, in de praktijk zorgt Jim Crow ervoor dat zwarten tweederangsburgers zijn zonder rechtszekerheid. Een verkeerd woord of een verkeerde blik kan leiden tot een lynchpartij, de daders gaan vrijuit. Zwarte families bewerken de katoenvelden in een soort van Middeleeuws pachtsysteem: de blanke eigenaar roomt de helft van de oogst af en berekent dan of dat genoeg is om de kosten van zaaigoed en levensmiddelen te dekken. Als dat niet het geval is wordt een schuld opgebouwd die de volgende seizoenen ingelost moet worden. 
De Eerste Wereldoorlog is doet een eerste migratiegolf ontstaan: de Noordelijke industrie ontbeert mankracht en laat haar oog vallen op de goedkope arbeidskrachten in het Zuiden. Families trekken weg – dikwijls in het geniep – langs het traject van de grote spoorlijnen en komen in Chicago en New York terecht. Een kleinere stroom trekt richting Californië (Los Angeles). De Exodus valt pas stil in 1970 en kent een hoogtepunt in de jaren ’40 en ’50. 
Wilkerson documenteert uitstekend waarom en hoe families vertrekken, wat hun traject is en hoe ze zich vestigen in het Noorden. Ze legt daarbij ook de complexe dynamieken bloot tussen de blanke inwijkelingen uit Zuid- en Oost-Europa en de zwarte arbeidsmigratie uit het Zuiden. Zwarten werden vaak ingezet als stakingbrekers. Ze stonden helemaal onderaan de sociale ladder, werden minder betaald dan blanke arbeiders en in sommige fabrieken of industrieën werden ze helemaal gediscrimineerd. Ze hadden dus de neiging om elke job tegen elk loon aan te nemen en dat had ook zijn impact op de lonen van blanke migranten. 
Wie dit boek, dat trouwens uitstekend geschreven is en fijn afwisselt tussen wetenschap en anekdotiek, leest zal beter de symboolwaarde begrijpen van de verkiezing van Barack Obama en de historische wortels zien van bewegingen zoals Black Lives Matter. Je krijgt een les geschiedenis die je niet licht zult vergeten en die eigenlijk veel te lang onder het stof is blijven liggen: hoe tot diep in de jaren ’60 bijvoorbeeld nog wetteloosheid heerste in het diepe zuiden, maar ook hoe zwarte families in Chicago en LA hun recht om te wonen in een witte wijk voor de rechtbank moesten afdwingen en in sommige gevallen leidde tot dagenlange rassenrellen.
Zijn er dan geen minpunten aan dit boek? Wel ja: de laatste paar hoofdstukken zijn er te veel aan en soms worden er conclusies uit de losse pols getrokken. Dat neemt niet weg dat het overgrote deel ervan wel goed onderbouwd is, dus het lezen meer dan waard! 

Tristesse

De troosteloosheid van een goedkoop baanrestaurant aan een invalsweg waar prut en papjes van verschillende kleuren en texturen in aluminium bakken wordt warmgehouden. Wie aanschuift krijgt een hoopje drab op het bord geschept dat onveranderlijk smaakt naar zout en tranen. Een grijs gepensioneerd koppel komt op de aanbieding van de week af. Een koninginnehapje, frietjes, sla. 9,99 €. Voor die prijs kun je het thuis niet zelf maken, zeggen ze tegen elkaar.

De eenzaamheid van een helverlicht Chinees restaurant langs een typisch Vlaamse steenweg. Auto’s razen voorbij, de bestuurders zijn op weg naar huis waar ze chipolata gaan eten met spinaziepuree. Daarna kijken naar een stompzinnige serie op TV. Het miezert. Een smerige regen die alles bezoedeld achterlaat. In ‘De Lange Muur’ heeft de dochter van de eigenaar alweer in haar synthetische nep-traditionele jurk aangetrokken en een eeuwige glimlach opgezet. Wie hier – steeds toevallig en nooit met opzet – binnenwaait krijgt eenheidsworst voorgeschoteld in mierzoete saus.

De tristesse van de hoer die te oud en te lelijk is geworden om nog een klant over zich heen te krijgen. Zelfs haar vaste klant en bewonderaar sinds vele jaren heeft de handdoek in de ring geworpen. Ooit zat hij haar achterna, beloofde haar de hemel als ze maar zou stoppen. Zij? Zij lachte haar hese hoerenlach en gaf haar beste jaren aan de nacht en een veel te dikke pooier. Ze schenkt zichzelf nog een glas goedkope vodka in. Schol, zegt ze tegen zichzelf.

Het veel te luide praten van de kalende man die eigenlijk al zijn demonen had getemd moeten hebben. In plaats daarvan trouwde hij met een neurotische vrouw die hem irriteerde. Nu is hij twee kinderen en een affaire later plots op zichzelf aangewezen. Op datingsites spreekt hij vrouwen aan die voor hem net iets te jong zijn. Leeftijd is maar een arbitrair getal, orakelt hij. Wat vinden ze trouwens van zijn sneakers? Paul Smith, voegt hij er aan toe.

De stilte van een kantoor voor en na de werkuren. Ergens in de grijze ruimte zoemt nog een apparaat. 21 is ze, maar al lang geen dromen meer. Gedachtenloos en efficiënt leegt ze vuilnisemmers, haalt een vochtige doek over een bureau. Stofzuigt, verzamelt aangekoekte koffiekopjes in de afwasmachine. Na afloop rookt ze aan de deur een sigaret, samen met haar collega die het lagergelegen verdiep voor haar rekening heeft genomen. Het gesprek gaat over pampers, een moeder met een hardnekkige hoest. Zou ze haar haar blauw durven verven?

Het desolate station in een afgelegen dorp waar mensen enkel weg willen. Eén meelijwekkend spoor waar enkele keren daags een locomotief en twee rijtuigen met hoorbare tegenzin stoppen. Niemand stapt ooit af, of het zou een verdwaalde reiziger moeten zijn. Twee van de de plaatselijke tieners hangen rond, roken verveeld een sigaret. Ze trappen een verschrompeld blikje cola over en weer, hoe meer lawaai, hoe beter. Misschien gebeurt er eindelijk iets. Hier is niets, zegt hij. Hier zal nooit iets zijn, zegt zij. Zullen we gaan? Zullen we het doen? Zullen we het eindelijk doen?, vraagt zij. Straks, zegt hij.

edward_hopper_3d_by_ryo974

Een stuk of wat gedachten

Bowie weerklinkt op de achtergrond, nog even en de tuin zal in de zon baden. Er is nog een restje winter over en ook dat zal dra overweldigd worden door een nieuwe lente. Nieuwe bloemen zullen de kop opsteken en het onkruid in de tuin zal weer woekeren. Soms fantaseer ik mezelf in een tuinbroek en zonnehoed, wroetend in de grond. De illusie van een simpel leven dat genoegdoening en geluk verschaft, voor lichaam zowel als voor geest. Een routineus ritme dat deint op het andante van de seizoenen.

Tegelijkertijd weet ik: zo’n buccolisch leven is niets voor mij. Daarvoor houd ik te veel van de jachtige stad, het staccato van korte nachten en lange dagen. Van avonden vol drinkgelag en duistere blikken en af en toe een onverwachte opstoot van mysterieus geweld dat gesmoord wordt in een passionele kus. In het hart van de stad is alles opgeblonken, van de kasseien tot de middeleeuwse gevels. De kerktorens reiken hoog, want hier woont God. In de buitenwijken maken de kasseien plaats voor troosteloze invalswegen, aftands asfalt en betonnen woonblokken. De tram kreunt als een asthmatisch oud wijf maar slingert zich niettemin kwiek voort, af en toe nijdig schellend naar onvoorzichtige voetgangers. De restaurants zijn goedkoop, de obers snel en efficiënt. Verderop wordt er geritseld en gesjoemeld, onderhandeld op het scherp van de snee. Er wordt geld en hoop gestuurd naar bestemmingen waarvan de namen exotisch klinken.

Er zijn dagen dat ik wou dat ik mij achter een vlag, een slogan of een idee kon scharen en in het gezelschap van honderden en duizenden anderen luid roepend door de straten kon trekken. Dat ik mij niet opgelaten zou voelen daarover en dat ik de nuance niet zou missen. Dat ik de wereld zou kunnen reduceren tot simpele voors en simpele tegens: the good, the rich and the ugly. Dat ik achteraf naar huis zou kunnen gaan met het gevoel dat er werkelijk iets was gebeurd, of dat er op zijn minst iets te gebeuren stond. Dat de dingen dankzij mij anders zouden zijn, beter. Maar verandert er ooit iets echt, diep, wezenlijk?

Ach, we zijn allemaal bang, boos, gefrustreerd en we voelen ons te dik. We zijn jaloers, bekrompen, zielig en op zoek naar aandacht en erkenning. We zijn het beste dat er op de wereld is gezet, we zijn het slechtste dat er op de wereld is gezet. Elke dag komt de wereld op ons af als een vos op een overvol kippenhok. De baas zaagt, het geld is op en de maand is nog lang. Er zitten putjes in mijn dijen, mijn haren worden grijs en mijn huid is traag als een schildpad.

Zou er nog iemand zijn die ons graag ziet? Zou er nog iemand zijn die ons graag ziet, zelfs als we helemaal gekend waren?

Het Guislain-museum in Gent is zo’n beetje het zwart schaap van de Gentse musea. Het ligt niet in de stad, je struint er niet toevallig binnen en er is al helemaal geen trendy brasserie met designmeubelen en hipsterbier te vinden. Het is gevestigd midden in de school en psychiatrische kliniek die werden opgericht door wijlen Dokter Guislain. Je kunt de man zo’n beetje beschouwen als de grondlegger van de psychiatrische geneeskunde in België én hij brak een lans voor de menswaardige behandeling van geesteszieken. De vaste collectie neemt je mee in de geschiedenis van de psychiatrie, en dat is bijwijlen behoorlijk griezelig. Maar regelmatig zijn er ook gelegenheidstentoonstellingen die van dicht of van ver iets met het thema psychiatrie te maken hebben.

De tentoonstelling die nu loopt ‘Een andere wereld (Laboratorium van waan en fantasie)’ past natuurlijk perfect in dat plaatje. Sowieso is het thema al voer voor diepzinnige gesprekken op cafe. Wanneer wordt fantasie ziekelijk, waar ligt de grens tussen creativiteit en waanzin? Wanneer ben je een visionair en wanneer een verkoper van gebakken lucht? Zijn hallucinaties en deliria boodschappen van een andere dimensie?  (Conclusie: ik moet dringend meer op café, zeker deze maand nu iedereen thuisblijft wegens tournee minerale).

In ‘Een andere wereld’ worden 2 kunstenaars die onder de noemer art brut of outsider art vallen met elkaar geconfronteerd. (Art brut/outsider art = kunst die gemaakt wordt door ‘outsiders’, dikwijls psychiatrische patiënten die de waan of de psychose proberen te bedwingen. Een geweldige collectie ontdekte ik enige jaren geleden bij toeval in Lille, in het LAM. Allen daarheen dus).

Maar goed, terug naar ‘een andere wereld’. In het eerste deel van de tentoonstelling zie je tekeningen van ene J.J. Grandville. Een Franse tekenaar die onder andere Gulliver’s Reizen illustreerde, maar die er op een gegeven moment genoeg van had om zijn talent ten dienste te stellen van anderen. In 1844 brengt hij ‘Un Autre Monde’ uit, waarin hij door middel van tekeningen scherpe kritiek uit op – hou je vast – de vooruitgang die veel te snel gaat, de opkomst van de stoommachine die voor veel te veel lawaai zorgt en de manier waarop reclame en advertenties het serieux van dagbladen en tijdschriften ondermijnen. Ook onder die zon niets nieuws. In zijn illustraties spelen dieren een grote rol, uiteraard om de ‘condition humaine’ en al haar lelijke en kleine trekjes dik in de verf te zetten. Na een persoonlijke tragedie (eerst sterven zijn 2 oudste kinderen, nadien blijft zijn vrouw bij de geboorte van nummer 3 in het kraambed) brengt hij zijn laatste jaren door in een psychiatrische instelling. Zijn illustraties werden door Queen en Alice In Chains gebruikt als artwork op hun albums.

img_20170205_144527_550

Het tweede grote deel van de tentoonstelling is gewijd aan ene Gustav Mesmer. En nee, dat is niet die van het Mesmerisme, dat is Karl Anton en die was al dood voor er van Gustav sprake was. Het is maar om de verwarring voor te zijn. Aan dit stuk van de expositie heb ik het meeste plezier beleefd. Gustav is de originele Panamarenko, die allerlei constructies ontwikkelde om over de hoge muren van de psychiatrische instelling te kunnen vliegen. Dat vliegen is hem nooit echt gelukt, maar hij slaagde er wel in om verschillende keren te ontsnappen. Jammer genoeg duurde zijn herwonnen vrijheid nooit lang. Was het zijn familie niet die hem terugstuurde, dan wel de dorpelingen die hem en zijn fratsen al een beetje begonnen te kennen. Ik vertel het wel allemaal alsof het grap is, maar eigenlijk is ’s mans levensloop bijzonder treurig. Hij wordt nochtans geboren in een vrij welgestelde familie (1903), maar loopt veel schoolachterstand op door lange verblijven in het ziekenhuis. Bovendien zorgt WW I er ook nog eens voor dat hij de school helemaal achter zich moet laten. Op zeer jonge leeftijd moet hij als boerenknecht de kost verdienen, later is hij 6 jaar novice in een klooster. Omdat hij zijn ‘echte’ geloften niet mag afleggen keert hij terug naar huis. Hij wordt timmerman (autodidact) en verstoort in 1928 in een aanval van godsdienstwaan een kerkdienst. Hij belandt in de psychiatrie en zou er pas in 1964!!! uit worden vrijgelaten. Vlak voor zijn dood mocht hij het gelukkig nog meemaken dat zijn werk op het Duitse Paviljoen werd getoond op de wereldtentoonstelling van Sevilla (1992).

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Het is geen geheim dat ik Fallada een geweldige schrijver vind. Bovenal is hij een geweldige verteller die met veel liefde complexe personages schetst die in de complexe tijden van het Duitse interbellum proberen te overleven. Bij hem geen bordkartonnen helden, maar gewone mensen met gewone levens die domme dingen doen, geld verbrassen of op tragische manier de held proberen uithangen (zie: Alleen in Berlijn). Zijn eigen levensloop van 12 stielen en 13 ongelukken zal daar ook wel voor iets tussen zitten. Onder het naziregime probeert Fallada zelf te overleven en weigert hij – zoals zoveel van zijn collega’s wel doen – het land te verlaten. En omdat hij wil (en moet) blijven werken betekent dat ook toegevingen doen aan de censuur en een evenwicht vinden tussen verzet en volgzaamheid. Die dubieuze houding en het feit dat hij bleef publiceren onder de nazi’s zal hem na de oorlog niet in dank worden afgenomen en er blijft nog lang een aura van collaborateur rond de schrijver hangen. Van op de veilige afstand die de verstreken tijd ons biedt kunnen we zeggen dat dat ten onrechte was. Fallada was een ritselaar en een sjoemelaar die besefte dat hij zijn grote principes uit zelfbehoud af en toe opzij moest schuiven, maar de nazi’s en hun praktijken altijd is blijven haten.

In 1944 wordt Fallada opgesloten in de gevangenis omdat hij tijdens een echtelijke ruzie een schot heeft gelost. Niemand raakt gewond en beide echtelieden verklaren dat er niet eens werd gericht, dat het een ongeluk was, maar de autoriteiten zien hun kans schoon om even van de lastige luis in de pels af te komen en gooien hem in de bak. Daar vindt hij even rust van de zoveelste passage in zijn alcohol- en drugsverslaving en slaat aan het schrijven. In die paar maanden ontstaat het manuscript voor ‘De Drinker’ én ‘In mijn vreemde land’. (Even een zijsprongetje: Burroughs zou luttele jaren later zijn vrouw Joan Vollmer neerschieten tijdens een dronken Willem Tell spel, waarvoor hij nooit een gevangenisstraf zou krijgen).

In ‘In mijn vreemde land’ vertelt Fallada op fragmentarische wijze over zijn leven in de jaren ’30 en tijdens de oorlogsjaren. Dat is niet altijd strikt autobiografisch – over zijn huwelijkscrisissen weidt hij bijvoorbeeld helemaal niet uit – maar hij schetst wel een realistisch beeld van de Duitse maatschappij in die jaren. Hoe zijn werk steeds meer aan allerlei restricties wordt onderworpen, hoe de nazi’s steeds brutaler en meedogenlozer hun tegenstanders opjagen en broodroven. Hoe hij zelf wordt gedwongen om mee te werken aan een scenario van een propagandafilm (die er uiteindelijk nooit zal komen). Hoe hij zijn principes keer op keer moet opgeven om zijn eigen vel te redden. En – zoals we van Fallada gewoon zijn – laat hij zich ook dit keer kennen als een verteller pur sang, die op bijzonder vermakelijke wijze kond doet van zijn conflicten met geniepige aanhangers van de NSDAP die nu hun kans schoon zien om hun (financiële) slag te slaan.

De jaren dertig.

De vraag die zich in deze tijden automatisch opdringt is: kunnen we deze tijden beschouwen als een heruitgave van die zwarte jaren ’30? Het korte antwoord is nee. Het lange antwoord ook ten andere, maar dan met iets meer letters.

Toen Hitler in ’33 aan de macht kwam begon hij systematisch met het uithollen van alle rechtsprincipes die burgers moeten beschermen én zorgde hij er tegelijkertijd voor dat het vervolgen en opsluiten van Joden en politieke tegenstanders ongestraft kon gebeuren. Voor het discrimineren van Joden werd dan weer wél een wettelijke basis gecreëerd: zij werden uitgesloten van scholen en beroepen en het hele maatschappelijke leven. Uiteindelijk werd hun uitroeiing gedecreteerd.

Wat Fallada goed duidelijk maakt in dit boek is hoe die rechtsonzekerheid iedereen treft die de marsorders niet wil volgen. Hoe er een sfeer van verdachtmakerij, verklikking en afperserij heerst. Hoe de straffeloosheid van de SS, de SA en de Gestapo voetje voor voetje verder gaat tot die niet meer te stoppen valt. Er valt op dit moment veel te zeggen over structurele discriminatie in ons land of de manier waarop er wordt omgegaan met mensen die oorlog en armoede ontvluchten, maar dat gelijkstellen aan ‘de jaren ‘30’ doet die jaren onrecht aan. Als burger leven we hier nog altijd met relatieve rechtszekerheid, beheersen extreem-rechtse knokploegen de straten niet en word je niet gebroodroofd omdat je een mening uit die ingaat tegen die van die ene partij.

Wat Fallada dan wel weer – onbewust misschien – laat zien is hoe de niet-aflatende propaganda over de Joden ook zijn geest vergiftigt. Hoe een negatief voorval met een Joodse medewerker van een uitgeverij tot de conclusie leidt dat ‘Joden inderdaad anders omgaan met geld’, en dat niet meer aan de persoon zelf maar aan een hele bevolkingsgroep wordt gekoppeld.

Is Trump Hitler?

Ik las dit boek uit voor Trump aan zijn presidentschap begon en toen er dus nog niet zoveel gekke executive orders werden getekend, maar het is duidelijk dat hij in elk geval poogt om discriminatie op basis van afkomst en religie te wettelijk te legitimeren én dat hij zich weinig aantrekt van de grenzen van de wet. Dus ja, dat er met argusogen gekeken wordt naar wat zich in de US afspeelt is zeker terecht. No pasaran!

23-77312609-23-77312891-1454433506