Feeds:
Berichten
Reacties

Josephine en Emiel

(Nvdr: dit een kort vervolg op het kortverhaal Josephine Verbeeck dat je hier kunt lezen).

Emiel Schlemiel en Josephine hadden het goed samen. Van hun beider families hadden ze zo geen last meer, die waren allang blij dat ze voor die twee sukkelaars een deftige oplossing hadden gevonden.

Die eerste huwelijksnacht was raar geweest. Josephine was een boerendochter, dus ze wist wel hoe de vork aan de steel zat. Haar moeder had het nooit de moeite gevonden om haar in te lichten over de bloemetjes en de bijtjes, omdat het haar gewoonweg overbodig leek. En tegen dat Josephine eindelijk van straat was geraakt, had zo’n gesprek allicht ook geen zin meer. Het zou wellicht enkel hebben geleid tot wederzijdse schaamte en ongemakkelijke stiltes.

Na het feestelijke diner hadden de nieuwbakken echtelieden in hun nieuwe slaapkamer wat onwennig naar het bed staan staren.

– Langs welke kant wilt gij? Vroeg Emiel.

– Het is mij allemaal gelijk, antwoordde Josephine.

– Ewel, dan ga ik de kant aan het raam nemen, wees Emiel, en hij begon zich uit te kleden.

Josephine wist niet goed waar ze het had, en toen haar nieuwbakken echtgenoot haar gene opmerkte zei hij: ‘weet je wat, ik ga mij omkleden in de keuken. Dan kun jij op je gemak je slaapkleren hier aan doen. Roep mij maar als je klaar bent’.

Die nacht hadden eerst nog veel gepraat, vooraleer ze elk aan hun zijde van het bed in slaap waren gevallen. Emiel was anders dan alle andere mensen die Josephine kende. Hij had boeken gelezen, en nog niet weinig ook precies. Hij was er mee begonnen tijdens zijn verblijf in het sanatorium waar hij van TBC moest herstellen. Er was niets anders te doen, en hij had het vaste ritme van de strakke dagindeling daar wat achter zich kunnen laten door zich in boeken te verliezen. Eerst de stichtelijke lectuur uit de ziekenhuisbibliotheek, de grote klassieke meesterwerken. Daarna had hij zijn vader thuis de opdracht gegeven om hem regelmatig wat moderner werk toe te sturen. Door zijn ziekte had Emiel vele jaren school gemist, maar de enorme berg literatuur waar hij zich doorheen had geploegd had hem een eclectisch inzicht gegeven in een allegaartje van onderwerpen. Hij kon meespreken over Byzantijnse kunst en gebruiken onder stammen in Papoea, maar had er geen flauw idee van dat er zich in Amerika een fenomeen manifesteerde dat naar de naam Elvis Presley luisterde.

Emiel was een dromer, vond Josephine. Hij wilde naar Parijs gaan, en naar Engeland. Maar op haar vraag hoe hij daar dacht te geraken, moest hij het antwoord schuldig blijven. Hij had nu eenmaal geen gestel om trein- of bootreizen te maken. Misschien moesten ze maar een auto kopen, had hij gezegd. Zij had hartelijk gelachen om zoveel overmoed.

Josephine was praktisch, koppig en altijd aan het werk. Hij was fijnzinnig en verdreef haar norse buien door flauwe grappen te maken. Voor het eerst in haar leven werd ze behandeld als iemand de meetelde. Hij vroeg haar mening over zaken die hij in de krant las. En zij merkte het zelf niet, maar zij lachte meer. Ze werd zachter, toegankelijker, fierder.

Zij waren na enkele dagen, weken samen aan elkaar gewend geraakt. Na enkele maanden ontwikkelde zich tussen hen een innige vriendschap, en naarmate de jaren vorderden was op hun verstandhouding wellicht het gebrekkige woord liefde van toepassing.

Josephine was ooit een typische boerendochter. Breed geschouderd, stevig in het vlees en met een gezonde blos op de kaken. Potig is het juiste woord. Haren van een onbestemde kleur die kort werden geknipt om ongedierte de pas af te snijden en ook wel om elke vorm van koketterie de kop in te drukken. Dertien jaar was ze, toen ze op het erf van haar ouders een stamp in het gezicht kreeg van een opgeschrikte koe. Haar oogkas verbrijzeld en haar oog volledig toe. De Tweede Wereldoorlog was in volle gang, en zowel medicijnen en als verdovingsmiddelen waren schaars. Bekwame dokters ook. Slechte wondzorg en de boerenmentaliteit van niet trunten maar op de tanden bijten resulteerde uiteindelijk in het volledige verlies van het rechteroog, een scheve neus en een kaak die een holte vertoonde op de plaats waar een glooiing had moeten zitten. Haar stemgeluid was nasaal door de obstructie in haar neus, en ze siste en slodderde omdat de tanden die ze had verloren niet werden vervangen. Om anderen de aanblik van het weggelepelde oog te besparen moest ze een zwart lapje dragen, wat haar een exotisch uitzicht gaf. Voor de koe heette ze Josephine. Na de koe noemde men haar in het dorp achter haar rug Eénoog.

Eénoog bleef wonen en werken op de boerderij van haar ouders, haar broers en zussen trouwden één voor één en trokken weg. Het zag er naar uit dat Josephine als een oude jongedochter haar leven zou slijten, er dienden zich voor haar geen vrijers aan.

Het tij keerde toen haar vader in het slachthuis waar hij zijn beesten afleverde aan de praat raakte met een slager uit een naburige stad. Een oudere man, die er stilletjes aan begon te denken zijn winkel over te laten en te genieten van zijn pensioen. Hij had niet slecht geboerd. Het overgrote deel van zijn centen had tijdens de oorlog verdiend, door zonder veel scrupules louche zaakjes te doen met iedereen die bereid was grof geld neer te leggen voor een stukje vlees van prima kwaliteit. Zijn cliënteel bestond vooral uit de nieuwe bourgeoisie die rijk was geworden door proleten aan het werk te zetten in haar textielfabrieken. Ze betaalden het minimum voor ongezond en hard werk. Hun menslievendheid uitten ze door het steunen van goede werken en een extra onbetaalde pauze op Goede Vrijdag, zodat de Heer geloofd kon worden. Dankzij slager Verbeeck konden deze nieuwe rijken ook tijdens de moeilijke dagen van voedselbonnen, rantsoeneringen en surrogaatkoffie en nepboter toch nog rekenen op een smakelijke rosbief op zondag en een fijn stukje gevogelte voor de meer feestelijke gelegenheden.

Het enige probleem dat de slager had was zijn zoon, Emiel. Emiel Schlemiel, zo werd de jongen genoemd, vertelde de oude beenhouwer met een stem die overliep van emotie en verontwaardiging. Zijn zoon was helemaal geen schlemiel. Hij had tuberculose gehad, en was lang verpleegd geweest in een sanatorium aan zee. Er was niets mis met hem, alleen, tja, hoe moest je het zeggen? Hij was een beetje schriel en mager, klein van stuk, maar dat was het dan ook. In het hoofd van zijn zoon werkte alles naar behoren, en meer dan dat ook! Daar kon je gerust in zijn.

De boer en de beenhouwer, twee praktische ingestelde mannen roken wat tegenwoordig door de eerste de beste voyageur met een plastron als een win-winsituatie omschreven wordt. Zonder veel poespas werd een ontmoeting geregeld tussen beide jongelui, elk van beiden op voorhand goed de les gespeld door hun ouders. Vooral de moeders verheugden zich al op een goede afloop. De huwelijkse staat (of het gebrek daaraan) van hun sukkelaarskindje was voor hen een constante reden tot ongerustheid geweest, zowel voor de boerin als voor de slagersvrouw.

Josephine en Emiel bekeken elkaar vooral de eerste keer dat ze elkaar zagen, zeiden niet veel. Josephine omdat ze wist dat de combinatie van de zwarte ooglap, haar misvormde gezicht en het daarmee samenhangende spraakgebrek voor nieuwelingen teveel was. Ze liet haar bruidegom in spe liever rustig wennen aan het uitzicht, waar hij nog genoeg op zou mogen kijken gesteld dat alles volgens het plan verliep dat de ouderparen in gedachten hadden. De slager bekeek zijn toekomstige schoondochter zoals hij een stuk vee in het slachthuis zou bekijken. Dat gezicht, ja, dat was natuurlijk jammer, maar niets aan te doen. De rest vond hij prima in orde hoor! Stevige benen, een fraai achterwerk en een schoon koppel borsten. Sterke handen, ruw van het harde werk op de boerderij. Meer moest dat niet zijn, voor hem. En zijn zoon hield er, wat hem betreft, dezelfde mening op na. ‘Van een schoon bord alleen, kun je niet eten hé, Emiel’, schertste hij toen ze aan tafel werden gevraagd.

Het huwelijk werd snel geregeld, alsof het van moeten was. Dat was niet het geval. Misschien werd er zo’n haast gemaakt om te vermijden dat iemand zich zou bedenken. Maar zowel Emiel als Josephine beseften goed genoeg dat een eventuele nieuwe kans jaren op zich zou laten wachten, of zich zelfs nooit meer zou voordoen.

Het huwelijksfeest was nog bescheidener dan in die tijd de al de gewoonte was. Enkel de kerk zat afgeladen vol. De verbintenis tussen deze twee merkwaardige mensen wekte in de kleine gemeenschap waar weinig te beleven viel de nieuwsgierigheid. Sinds de aankondiging van het huwelijk plots tussen de andere bekendmakingen op de plakkaten aan de kerk was verschenen, sprak men in de cafés die de zondag na de hoogmis overvol zaten over niets anders meer. Het gerucht dat het meest werd verhaald, aangedikt en verder verspreid was natuurlijk dat van een onverwachte zwangerschap. ‘Je mag het je niet voorstellen hé, wat dat zal geven, die twee lelijkaards tesamen!’ hikten de stoutste tongen onbeschaamd. Een ander bralde: ‘Hij zal ook wel geschoten hebben voor het vaderland!’. Gelach galmde door het café, het geluid klonk als een stam stompzinnige apen.

Anderen waren stellig overtuigd van het feit dat de bruidegom een vijs mankeerde. Ze kenden iemand die ook iemand kende die het zeker was; Emiel Schlemiel had in het zothuis gezeten. Wie anders dan een debiel of een mongool zou zo zot zijn om met die lelijke donder van een Eénoog te willen trouwen?

Josephine was clever genoeg om te weten welke stemming er heerste in het dorp. Dat ze over de tong ging en onbeschaamd aangestaard werd, was ze meer dan gewoon. Niet dat ze zich er minder opgelaten door voelde, ze werd er gewoon beter in zich te verschuilen achter een masker van onverschilligheid. Op de boerderij van haar ouders voelde ze zich veilig, daar heerste haar naam. Wie er binnenkwam keek zij vrank aan, alsof ze niet verminkt was en er geen redenen waren om zich te verbergen.

Er werd getrouwd op een onopvallende zaterdag in oktober, zij in een vaal kanten kleed, hij in een zwart pak dat veel te ruim zat. De goegemeente was massaal aanwezig, op zoek naar sensatie, een schandaal om zich aan te warmen tijdens koude winteravonden. Josephine voelde ze kijken, de gemene teven die zich repten om als eerste de communie te ontvangen en genoten van het ongeluk van een ander. De oude boeren, klein en dik, ongezond zwetend en met een onverzorgd gebit omdat ze te bang waren om naar de tandarts te durven. Onveranderlijk stonken ze naar koeienstront en varkensmest, hun ondergoed was versleten en grauw van kleur. Ze dronken te veel jenever van slechte kwaliteit en sopten hun brood in varkensreuzel. Ze waren geen haar beter dan de beesten die ze in hun stallen hielden, ze lieten zich gewillig aan de leiband leggen door iedereen die ze hoger in stand en rang achtten dan zichzelf. Eén keer per week luisterden ze naar wat hun pastoor ze vertelde zonder te begrijpen waar het over ging. Schroomvallig, stotterend en de vettige pet in hun dikke worstenvingers klemmend kwamen ze bij den doktoor over de vloer op momenten dat het al veel te laat was omdat ze eerst koppig dwaze oudewijven remedies moesten uitproberen. Leedvermaak was de enige vorm van humor die ze beheersten, wat elk van hen ernaar deed streven middelmatig te zijn en onder geen beding op te vallen. Ze likten naar boven, en stampten genadeloos hard naar beneden. Ze werkten hun frustraties uit op hun vrouwen, hun kinderen en hun dieren, en zagen daar niets verkeerd in.

Dat primitieve volk dus, dat massaal was opgedaagd om het schouwspel bij te wonen van twee freaks die in de echt zouden worden verbonden, kwam van een kale reis thuis. De bruid was klaarblijkelijk niet in verwachting en die Emiel Schlemiel leek al bij al nog redelijk normaal. Hij had toch ja gezegd op het juiste moment. Ook de waaghalzen die het aan hadden gedurfd om na de kerkdienst het paar persoonlijk te gaan gelukwensen konden niets anders dan toegeven dat de wilde geruchten die de laatste paar weken het dorp hadden bezig gehouden leugens waren. Men droop af, teleurgesteld, ontevreden als een kind dat van de sint niet heeft gekregen wat het in gedachten had. Geen vijf minuten duurde het voor de boeren en boerinnen terug begonnen te snateren. ’t Is niet omdat we niet weten wat er is, dat er niets aan de hand is, hé’, besloot een venijnige slimoor.

Het eigenlijke huwelijksfeest ging door op de boerderij van Josephine. Haar moeder en haar zusters hadden gekookt, de slager had fazanten en wildgebraad laten leveren. Er was jenever en geuze, kriekbier voor de dames. Ook twee flessen champagne, iets wat bijna nog niemand van de aanwezigen al had gedronken. Na afloop nam Josephine haar hele hebben en houden dat in twee valiezen paste, en reed mee met haar nieuwe familie om daar aan het leven te beginnen.

Het kersverse paar kreeg twee kamers ter beschikking boven beenhouwerij Verbeeck. Josephine werd door haar schoonvader opgeleid in het vak. Achter de winkel leerde ze achterkwartieren ontbenen en biefstukken snijden. Bloedworsten draaien kon ze al, dat werd op de boerderij vaak genoeg gedaan. Emiel bediende de klanten in de winkel. Het was een onuitgesproken regel dat Josephine zich niet liet zien aan klanten, dat zou niet goed zijn voor de zaken. Het was al erg genoeg, vond vader Verbeeck, dat zijn zoon met zijn ongezond voorkomen in de winkel moest staan. Gelukkig had hij een vlotte babbel en de vaste klanten gaf hij geregeld een klein extraatje. De kleine kinderen mochten onveranderlijk rekenen op een schelletje of een bolletje gehakt. Alle beetjes hielpen om het cliënteel naar de slagerij te blijven lokken.

De oude slager leerde zijn schoondochter alles, net zoals hij voor zijn eigen zoon had willen doen. Diens gezondheid liet echter niet toe dat hij zou werken in koude omstandigheden, hij had niet de kracht om een half koebeest uit de koelwagen te tillen en naar de werkplaats te brengen. Voor hij Josephine had ontmoet en in haar de ideale slagersknecht en schoondochter had gezien, had hij gedacht dat hij zijn zaak zou moeten sluiten op termijn, of overlaten aan één of andere keurslager. Maar Josephine werkte snel, proper en zonder zagen. Als hij het echt moest toegeven, dan zou haar schoonvader zeggen dat ze een betere job deed dan veel van de knechten die hij in zijn dienst had gehad. De vetrandjes aan de koteletjes waren dik genoeg, maar niet zo dik dat ze een zuinige huisvrouw de opmerking zouden ontlokken dat ze wel voor vlees wilde betalen, maar niet voor al dat vet.

Josephine zette met een pervers soort genoegen het mes in elk rund dat ze onder handen nam. Ze scheidde bot van vlees en kapte pezen over als ultieme wraakoefening op het ras dat haar gezicht en bij uitbreiding haar leven had verwoest. Het liefst had ze met blote handen het dode beest verder uiteen gerukt. In haar dromen stortte ze zich soms als een bloeddorstige leeuwin op een kudde weerloze koeien, rukte de stomme beesten uiteen met haar klauwen en haar tanden, begroef haar snuit in de opengesperde holte van de gewonde buik en rukte de nutteloze ingewanden eruit. ’s Morgens verbeeldde ze zich dat ze nog de smaak van het runderbloed dat ze tijdens nachtelijke uren had gedronken in haar mond had.

Na twee jaar voelde vader Verbeeck zich gerust genoeg om de twee hun plan te laten trekken, al sprong hij nog bij van tijd tot tijd. Er was ondertussen al een eerste dochter geboren en een tweede zou niet lang meer op zich laten wachten.

Serial

Ik heb het hier nog al gezegd; ik ben al sinds kleins af aan een radiofanate. Dat ik ben opgegroeid in een redelijk TV-loze omgeving zal die afwijking nog wat gevoed hebben, maar dit geheel terzijde. Op woensdagnamiddag zette ik mij op het aanrecht, met mijn oor heel dicht tegen de radio geplakt waar toen een kinderprogramma speelde. Mijn ouders deden een dutje, dus dat luisteren moest in alle stilte gebeuren. Toen ik groter was, werd er tijdens het zondagse ontbijt op de billen gekletst van plezier met de fratsen van Marc Uytterhoeven en co in het humoristische programma ‘De Taalstrijd’. Het eten over de middag was iets saaier, dat ging vergezeld van ‘Opera en Belcanto’ of zoiets.

Ik vind radio over het algemeen spannender dan televisie. Het mysterieuze medium van warme stemmen prikkelt de verbeelding meer dan de flitsende beeldtaal op een scherm. Er gaan weinig dingen boven lange autoritten tijdens de vakantie die vergezeld gaan van een fijne radio-uitzending. De soundtrack van je roadtrip kan jaren na datum nog flashbacks oproepen aan een stofspoor in de woestenij van Nevada, tricky gravel roads in Nieuw-Zeeland of een zonovergoten rit langs de kust van Griekenland.

Je moet er natuurlijk wel je radiostations voor weten uit te kiezen, en ik merk ook van mezelf dat ik meer en meer de doordeweekse radiostations links laat liggen. Klara is vaste prik, zeker ’s avonds. Radio 1 en Stubru werken al snel op de zenuwen, behoudens hier en daar een programma of een flard ervan.

Begin dit jaar zag ik een hip jongmens ergens beweren dat 2015 het jaar van de podcast zou worden. Speciaal voor mijn moeder en andere oude mensen: een podcast is een soort radio-uitzending, but not as you know it, Jim. Het kan een regulier radioprogramma zijn dat je uitgesteld beluistert of een uitzending van een internetradiostation bijvoorbeeld. Er zijn ook thematische podcasts over de meest uiteenlopende onderwerpen, waarbij een uur of langer doorgeboomd wordt over Thomas van Aquino, de mijnwerkers in de Borinage of de dopingperikelen van Lance Armstrong.

Begin dit jaar stootte ik bij toeval op de radioreeks ‘Serial’. Een modern hoorspel, maar dan echt gebeurd. In 12 afleveringen probeert journaliste Sarah Koenig de moord op de tiener Hae Min Lee te ontrafelen. Het meisje werd in 1999 gewurgd teruggevonden in een park in Baltimore County. Haar ex-vriendje, Adnan Syed, toen 17, wordt niet veel later gearresteerd en uiteindelijk veroordeeld wegens moord. Tot op vandaag houdt hij echter zijn onschuld staande. Doorheen de reeks probeert Koenig inzicht te verwerven en antwoord te krijgen op haar vragen. Is Syed een koudbloedige maar charmante psychopaat die haar in het ootje neemt? Heeft de verdediging de zaak verkloot? Liegt de belangrijkste getuige? Het resultaat is in elk geval een goed gemaakt en enorm gesmaakt hoorspel, met cliffhangers en plotwendingen. Ik kon er in elk geval maar moeilijk genoeg van krijgen. In de loop van 2015 zou er een tweede reeks volgen.

Langs de andere kant: ethisch gezien is het een evenwichtsoefening op de slappe koord. Wat als uiteindelijk de zaken toch klaar en simpel te zijn? Waarom moesten ouders en kennissen, oude getuigen dan nog eens doorheen de hele zaak gaan, met het onvermijdelijke gevolg dat oud zeer nog eens opgerakeld werd. Maar waarschijnlijk ligt daarin net de aantrekkingskracht van de reeks: namelijk de wetenschap dat het een ‘echt’ verhaal is, met protagonisten die werkelijk bestaan en waarvan er – hoe je het ook draait of keert – minstens 1 is die liegt alsof het gedrukt staat.

Nog een aantal andere podcast-aanraders:

  • Op Klara vind je er heel wat. Er is de bijzonder amusante reeks Rebelse Ritmes van Matthijs de Ridder over de invloed van jazz op de Europese literatuur. 20 korte afleveringen,  en allemaal zeer smakelijk verteld.
  • Daarnaast zijn er op Klara ook nog podcasts te vinden over Walschap, Joseph Roth, Simenon, Shakespeare, … Voor elke liefhebber wat wils.
  • Op woord.nl is er het Claus project: een aantal toneelstukken van Hugo Claus bewerkt tot hoorspel. Je moet ze wel streamen, wat niet altijd even handig is.
  • Uitkijken doe ik naar het hoorspel van Maarten Inghels en Katharina Smets, Rum en Roem genaamd. Over de invloed van rum op de Europese literatuur, en dat nog zal worden opgevoerd op 26 maart tijdens Tumult in Gent (locatie nog niet bekend, en het is gratis ende voor niets, zoals men in een echte sossenstad kan verwachten).

Ik lees ergens dat het succes van Lena Dunham te zoeken is in waarop ze zichzelf en haar personages voorstelt: verre van perfect. Nu ja, behalve Dunham zelf lijken de meiden uit ‘Girls’ nog altijd uit de grot van Plato te stammen. Lang, slank en haar dat altijd goed ligt. In haar boek koketteert ze met haar neurosetjes en maakt ze van haar eigen klunzigheid haar USP. Net zoals sommige jongens en mannen hun eigen onhandigheid, gevoeligheid en onbeholpenheid uitbuiten om de meer moederlijke types onder het vrouwvolk tot enig hanky panky te overhalen. Net zoals Luc De Vos zichzelf graag portretteerde als een goedhartige loser die nooit succes had bij de vrouwen, maar ondertussen wel hordes jeugdbewegingsmeisjes van hart tot onderbuikje wist te beroeren. Het idool met de menselijke trekjes komt zo binnen handbereik, je kunt hem of haar al bijna voelen. Het is bedrieglijk makkelijk, drie akkoorden op een gitaar en een kopstem die geregeld uit de bocht gaat. Het is bedrieglijk eenvoudig, in een volle zaal je broek af te steken en je puistige kont te tonen.

Ook Dirk De Wachter verkondigt aan ieder wie het horen wil de boodschap dat het leven soms lastig, saai en onvolkomen is. Dat het soms een kabbelend beekje is en op andere momenten een woelige zee. Dat ons lief soms uit zijn bek ruikt, dat ons kind soms een vervelende etter is, dat onze baas soms zijn problemen thuis op ons uitwerkt. Dat de wereld ons en onze talenten schromelijk miskent. Dat het hier soms dagenlang regent en dat we nooit meer in die broek van vroeger zullen passen. Er is groter leed dat ons soms overvalt als een dief in de nacht: ziekte, dood, ontslag en het juk van aanslepende financiële zorgen.

Ach, wat zijn we anders dan de hopeloze gevallen van de kosmos? Hopeloos wreed zijn we, bekrompen, bevooroordeeld, kortzichtig, wraakzuchtig, zelfzuchtig. Betweters met een kort lontje, en net als de kiekens schijten we altijd naar beneden. We stoefen en we vleien, we doen ons beter en slimmer voor dan we zijn.

En dan uit het niets plots in staat tot een overrompelende tederheid. In een enkel geval zelfs tot kortstondig heldendom. Tot grote kunst, vaak uit groot verdriet geboren.

Een vat vol kolkende tegenstellingen is elk mens, grillig en irrationeel. Verre van consequent in denken, handelen en voelen. We slaan en we zalven, we zeggen zus en we doen zo. We vernietigen en we scheppen in dezelfde vloeiende beweging. En we verbazen zo nog het meest onszelf.

Wat mij het meest verwondert is het nieuwerwetse aura waarmee dit soort inzichten gepresenteerd worden. Is het besef dat ons leven geen zonovergoten reclamespot is dan zo revolutionair? Is de Truman Show plots werkelijkheid? Willen we plots een echte Stepford Wife? Zijn we werkelijk vergeten dat geluk geen hoogvlakte is waar men permanent kan vertoeven? Laten we ons dan echt voortjagen door flatterende selfies en juichende statusupdates, die eerder iets vertellen over het leven dat we zouden willen dan het leven dat we werkelijk leiden?

Laat 2015 maar het jaar zijn dat we klein zijn, en kaduuk. Dat we ons – waarom niet – samen met ons lief vervelen op de zetel en zuchten dat we hetzelfde al zoveel keer hebben gezien en gehoord. Laat ons maar onnozel zijn, en krabben en sukkelen.

Het is zo al moeilijk genoeg.

Therapie (piloot)

Het kantoor ziet er uit als een bibliotheekruimte in de jaren ’70. Overheersende tinten: oranje en bruin/beige. Van vloer tot plafond zijn de wanden bedekt met boekenkasten, uiteraard. Vakliteratuur en lijvige romans van Europese auteurs van betekenis. Er staat een bureau met daarop twee stapels tijdschriften, een blocnote en schrijfgerei en een bureaulamp. Er is geen sofa, wel twee eenpersoonsfauteuiltjes, tegenover elkaar opgesteld met een lage salontafel ertussen. Genre: 2 verdiepingen, houten boord en in het midden emaillen tegeltjes met een gevlamd motief. Op momenten dat het nodig is, haalt de psychiater met een discrete beweging een doos zakdoekjes naar het bovenste tafelblad.

Het kantoor bevindt zich in één van die flatgebouwen aan de uitvalswegen van de stad. Statig, op het protserige af, met immer gemillimeterd gazon in de voortuin. 3 verdiepingen hoog. In de hal een plakkaatje dat aanspoort om steeds de deuren goed af te sluiten en zeker geen onbekenden binnen te laten. Op de bovenste verdiepingen wonen welgestelde bejaarden, op de onderste etage houden tandartsen, boekhouders en psychiaters hun praktijk.

– Ik twijfel, begin ik.

– Waaraan twijfel je dan precies?

– Aan alles. Aan wat ik doe. Aan wie ik ben. Aan wat ik zou moeten doen of aan wie ik zou moeten zijn. Ik schrijf zinnen neer, delete ze weer, begin opnieuw en opnieuw en opnieuw. De hele tijd hoor ik gefluister: iemand heeft dit al gezegd en geschreven, en vele malen beter dan jij dit ooit zult doen. Het verlamt me, en het is alsof ik iets mis. Arrogantie, misschien?

– Hoe bedoel je dat laatste?

– Ik weet het niet. Is niet elke kunstenaar, artiest, schrijver, schilder, …. whatever arrogant? Te denken dat er iemand zit te wachten op wat hij doet of zegt?

– Is dat zijn drijfveer om te scheppen?

– Misschien niet van l’artiste brut, maar van de anderen? Toon mij een schrijver die niet wil gelezen worden, een schilder of een fotograaf die niet wil gezien worden. Een muzikant die niet wil gehoord worden, een acteur die voor een lege zaal wil staan. Dat bestaat toch niet?

– Jij lijkt er in elk geval zeer stellig van overtuigd.

– Ik weet het. Misschien te stellig. Zie je, nu twijfel ik opnieuw.

– Waaraan twijfel je precies?

– Waarom heb ik zoveel bevestiging nodig?

– Heb je dan zoveel bevestiging nodig?

– Ik weet het niet. Onbewust, misschien. Ik erger me aan mensen die ik er naar zie hengelen. Ik erger me zelfs aan mensen die ik teveel complimentjes zie uitdelen. Ik vertrouw ze voor geen haar.

– Waarom vertrouw je ze voor geen haar?

– Omdat ik me afvraag wat ze willen.

– Waarom zouden ze iets willen?

– Dat weet ik niet, daar moet ik even over nadenken. Mensen willen zoveel van je eigenlijk. Toch?

– Zullen we het hier maar bij laten voor vandaag? En denk tegen de volgende keer maar na over de vraag.

– Dat zal ik doen.

– Ik ben benieuwd. Dat is dan 50 €, graag.

Nieuwjaarsbrief

Dag G.,

Plots schiet het me te binnen dat ik nog niet antwoordde op je uitgebreide nieuwjaarswensen die je ook nog eens ondertekende met ‘tot zeer snel’. Mijn excuses daarvoor, maar ik vrees dat dit ook wel een beetje de aard van het beestje is. Ik ben namelijk niet altijd zo snel om brieven te beantwoorden, en mijn pennenvrienden uit het verleden zullen je kunnen bevestigen dat van uitstel in mijn geval echt wel tot afstel leidt. Zo zitten er nog een Pool en een Nederlander te wachten op antwoord op de brieven die ze mij in de jaren ’80 van de vorige eeuw stuurden. En ondertussen durf ik niet meer, natuurlijk.

2014 was voor mij een jaar – en het heeft me de nodige moeite gekost om dit inzicht onder ogen te durven zien – dat vooral getekend werd door frustratie. Frustratie en – dit is nog moeilijker te bekennen dan de vorige – jaloezie. Gefrustreerd omdat ik plots aan de top van mijn kunnen leek te zitten, omdat ik zoveel ziek was en mijn lichaam mij op de meest ongelegen momenten een halt toe riep. Omdat ik bij elke fysieke terugslag helemaal onderaan de ladder moest herbeginnen, mezelf dan weer eens overschatte en te snel te veel en te ver wilde. Dan weer in een zak viel, etc etc. Al die keren dat ik aan mijn vrienden moest zeggen dat het ‘niet ging’ of dat het ‘niet zou lukken’. Voor mijn kerst boekte mijn lief verloofde ons 2 dagen in een hotel in Spa, waar ik als een slappe vod in bed lag en vooral krachten verzamelde om toch een paar uurtjes de kamer te kunnen verlaten. Het uitgebreide bloedonderzoek was – opgewekte doktersstem – perfect in orde. Dat is fijn en heuglijk nieuws, maar wijzer word ik er niet van.

Op mijn werk, enfin ik ga zwijgen over mijn werk, omdat ik mij heb voorgenomen dat ik de optimistische tekens aan de horizon niet met de knuppel der frustratie neer te slaan. Maar goed, dat werk van me was dus op gezette tijden ook een bron van frustratie, laat ik het daar op houden.

En ondertussen was ik jaloers op al die mensen waarvan ik het gevoel had dat ze mij aan het voorbijsteken waren. Ze zijn jonger, schoner, geliefder en beter dan ik. Meer mee met hun tijd, begaafder en beschaafder. Eloquenter (allez, sommigen toch) en nieuwer in hun meningen en opvattingen (allez, sommigen toch). Ze bestormen niet enkel de hemel, ze veroveren die nog ook. En dit in blitzkriegtempo. Le nouveau talent est arrivé. En ik? Ik schrijf af en toe nog eens een houterig stuk dat weinig relevant is en nog minder gelezen wordt. Ik sta op het perron wuif de TGV richting succes nog even na, terwijl die in de verte verdwijnt.

And you run and you run

To catch up with the Sun

But it’s sinking

Racing around,

To come up behind you again

Dat ik maar moest gillen als je nog iets kon betekenen voor mij. Ik zal niet gillen, maar als je mij af en toe nog eens laat weten dat je me nog leest, dan ben ik allang blij.

Dag G.

 

Morgen

Morgen, dan wordt alles beter, zo belooft ze zichzelf nog maar eens. Morgen wordt de dag waarop ze dingen die nu door haar vingers glippen zal aanpakken. Ze zal zich vermannen en instanties contacteren en op het einde van de dag zal ze opgelucht kunnen ademhalen. Het zware beest op haar borst zal verdwenen zijn en de wolken in haar hoofd opgetrokken. Dan ligt ze niet meer in het donker, voor de dag breekt, te piekeren. Het is de mantra, de leugen waarmee ze zichzelf in slaap sust, elke avond weer. Het zicht op morgen, het ontsnappen aan vandaag.

Voorlopig kruipt het stof nog in de kieren, en ze is te moedeloos om zich er van af te maken. Soms vraagt ze zich af van waar het allemaal komt, alhoewel ze weet dat dat een zinloze vraag is. Er is afwas die zich opstapelt, er is was die aan het rek moet. Een bankbediende belt haar en ze moet naar adem happen. Elke dag weer brieven in de bus. Ze wordt er moe van. Het ongeduld van de wereld, en zij zo zwaar en traag. Dat jagen altijd, terwijl zij geen idee heeft van waar de dagen zijn gebleven. Hoeveel jaren zijn voorbij gegaan, zonder dat zij er werkelijk was? Ze is afwezig in haar eigen leven. Ze voelt zich permanent wankelen, ze laat steeds steken vallen. Ze stottert en ze blijft stilstaan, ziet tenslotte de anderen verdwijnen in de verte. Ze rafelt langs de randen.

Ze gelooft ze niet, de mensen die heel zijn en gezond. Met hun uitgavenstaten en hun gestreken zakdoekjes. Hun weekmenu’s, hun zelfgemaakte soep en hun vakantieplannen. Het geparfumeerd toiletpapier van vier lagen dik. De frisgewassen lakens. Hun carrières, hun vrienden en de mensen die hen kennen. Ze zou hen willen zijn, ze lijken zo moeiteloos door het leven te glijden. Alsof ze netjes en synchroon bewegen op de maat van de muziek die zij allen horen, maar waar zij doof voor blijft. Er is een geheim dat zij niet kent, denkt ze. Zoals ze vroeger de volwassenen ervan verdacht allerlei stiekeme dingen te doen, als hun kinderen in bed lagen. En dat er een moment zou komen waarop men haar zou vertellen hoe het allemaal precies ging. Op die uitnodiging wacht ze nog altijd, als op een startschot.

Het slechte is makkelijker te doen dan het goede, denkt ze. Vallen gaat makkelijker dan opstaan. Snoep is lekkerder dan fruit. Wie wordt gered, en wie is verdoemd? Voor wie luidt de klok, voor wie blijft het stil?

Ze wil slapen en de tijd verbrokkelt in haar handen.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 2.715 andere volgers