Feeds:
Berichten
Reacties

(Nvdr: dit is het vierde deel van een kortverhaal. De vorige delen vind je hier: deel 1, deel 2, deel 3

Die morgen

Jean-François opent zijn ogen en voelt onmiddellijk dat er vanalles grondig verkeerd zit. Om te beginnen: waar is hij? Hij ligt onder een muf laken op een gammel bed. Alleen. Een vaal doek dient als gordijn, in de hoek van de kamer is op een tafeltje een teil met water gezet. Zijn hersenen bonken bijna uit zijn kop, met een droge tong probeert hij die smerige smaak uit zijn keel weg te slikken. Het is drukkend warm en de straatgeluiden verraden dat de dag niet meer zo jong is. Zijn kleren liggen verspeid op de grond, hij zoekt in zijn zakken naar zijn GSM. Weg. Zijn portefeuille is leeg.

Hij voelt zich gedesoriënteerd en suf. Verslagen laat hij zich terug op het bed zakken. Waar was hij gisteren? Hij herinnert zich flarden. Een feestje bij iemand in de tuin. Drank en hapjes. En iemand die aan hem was voorgesteld, waar hij verder had mee zitten praten. Hij weet bijna zeker dat hij in een taxi is gestapt toen hij al goed beschonken was, en overmoedig. Hij had nog zitten grappen en grollen met die jonge kerel op de achterbank, toen ze op weg geweest waren naar één van de meer volkse quartiers.

Langzaam begint het hem te dagen dat die ander zich daar ook ergens moest bevinden. In een andere kamer van dit goedkope hotel wellicht? Misschien zou hij daar kunnen zien hoe laat het was, uitvissen waar hij zich precies bevindt en hoe ze hier weg kunnen geraken. Fluks staat hij op, maar het wordt hem zwart voor de ogen en zijn benen lijken wel van papier-maché. Hij zakt terug op het bed, voelt zich misselijk. Er hangt een hardnekkige nevel in zijn hoofd die hem belet na te denken. Er schieten hem beelden te binnen die iets over de afgelopen nacht zouden kunnen vertellen, maar even goed kunnen het restanten zijn van levendige dromen.

Traag en voorzichtig waagt hij het een tweede keer op te staan, hij schuifelt naar de deur. Hij komt uit op een binnenpleintje met in het midden iets dat ooit een fontein was. Hij ziet een stuk of 8 deuren, die allemaal even stom staan te blinken in het zonlicht. Hij knippert met zijn ogen, houdt voor de zekerheid nog even de klink in zijn hand. Wat moet hij doen? Op alle deuren kloppen? Roepen? Hij wil hier weg, en wel zo snel mogelijk.

Plots merkt hij dat de deur van de kamer naast de zijn op een kier staat. Hij duwt ze open en ziet Wesley (ja zijn naam was Wesley, dat schiet hem nu te binnen) verkrampt liggen op het bed. Zijn huid is grauw en er hangt opgedroogde kots op zijn kin. Oh, God, laat het niet waar zijn, flitst het door het hoofd van Jean-François. Hij kon zich nog net omdraaien voor hij door zijn knieën zakte en bittere, groene gal op gaf.

– Qu’est-ce que c’est que ça?

Een schelle vrouwenstem riep hem ter verantwoording. De madame van het etablissement wellicht en Jean-François wees versuft naar de kamer waar Wesley lag. Kordaat zwaaide de matrone de deur open en stapte de kamer binnen.

– Oh, mon Dieu. Merde alors. Mais qu’avez vous faits ce matin? Il est mort, tu sais, ton copain.

– Je ne sais plus, mompelde Jean-François.

In het spektakel dat onvermijdelijk volgde kreeg Jean-François een hoofdrol toebedeeld. Nadat de vrouw eerst nog had geprobeerd om hem geld af te troggelen (wat hij niet of niet meer had) had ze vanuit haar kantoor de politie verwittigd. Die hadden rustig hun tijd genomen om af te komen, maar tegen die tijd had zich al een hele opgewonden menigte voor het hotelletje verzameld. Iedereen wilde een foto van de dode blanke man, en in ruil voor een paar centen in de hand van de uitbaatster mocht dat ook. Een paar ervan zouden later nog opduiken in de Belgische pers, of wat had je gedacht.

Uiteindelijk werd Jean-François voor ondervraging afgevoerd naar het politiekantoor waar hij vroeg om de Belgische ambassade te mogen bellen. Hij probeerde de situatie uit te leggen aan de culturele attaché die een vage kennis van hem was en die hij zonder veel moeite aan de lijn had gekregen.

– ‘Jean-François, je weet dat er niet veel is dat ik kan doen op dit moment. Ik zal eens rondbellen voor een advocaat en die zo snel mogelijk naar daar sturen’.

– ‘Ik weet het, maar godverdomme, ik hoop dat ik er hier niet ingeluisd wordt. Ik heb niets gedaan, ik ben onschuldig’.

– ‘Ja, dat kan allemaal wel zijn, maar je zult er toch nog niet zo gauw van af zijn vrees ik. Een zaak met twee blanken, elke wijkcommissaris van Kinshasha zal zich willen profileren op deze zaak’.

– ‘Typisch.’ Hij lachte droog om de opkomende paniek te verdrijven.

– ‘Zeg, de naam van je vriend? We moeten de familie in België zien te verwittigen en zo’.

– ‘Het was mijn vriend niet. Ik ben gisteren pas tegengekomen op dat feestje. En ik kan mij verder nog altijd niet herinneren wat er is gebeurd. Ik ben moe, ik voel me zo ziek als een hond. Ik wil hier weg’. Hij beet op zijn lip.

– ‘Ik versta het, probeer zo goed mogelijk mee te werken. Ik ga je advocaat je wat geld laten geven, zodat je tenminste kunt zorgen om de omstandigheden daar wat comfortabeler te maken. En ken je nog de voornaam van die jongen?’.

– ‘Wesley. Dat was zijn naam. Wesley De Brabander. Ex-voetballer en al’.

– ‘Jean-François. Ben je zeker? Dé Wesley De Brabander? Want als dat zo is, dan zit je niet tot aan je nek, maar tot over je oren in de stront!’.

– ‘Fuck, wat is dat toch met mijn hoofd? Ja, hij was het, ik heb op dat tuinfeest nog staan lullen over die goal tegen Anderlecht indertijd. Godmiljaar. Ik zweer het, ik heb die gast niet aangeraakt.’

– ‘Ik geloof je, maar dat is nu van geen tel. Ik verwittig direct de ambassadeur. En ik probeer zo vlug mogelijk zelf af te komen. Dit wordt echt een schandaal in België, dat besef je toch?’

Jean-François begon te snikken.

(Nvdr: Dit is het derde deel van een kortverhaal, waarvan je het eerste deel hier kunt lezen en het tweede hier

2011

Ook in het exotische Kongo kabbelde het leven voort zonder groot gemis of ongemakken. Het liefst bracht Jean-François zijn tijd door ver weg van de hoofdstad. Hij en Baptiste waren nu volwaardige zakenpartners, Thérèse was naar Kenia verhuisd om de liefde te volgen. In Butembo, vlak bij het nationale park waar hij nog altijd reisgids speelde, leefde hij in een eerder bescheiden woning. Enfin, bescheiden. Dat hing af van het perspectief natuurlijk, maar zijn huis was niet al te groot en af en toe had wel eens last van de elektriciteit die uitviel en een sputterende waterleiding. Hij las, hij werkte. Hij had een vriend in Baptiste en voelde zich welkom bij diens familie en zijn vrienden. Met het verstrijken van de jaren leek zijn witte huid niet meer zo schril af te steken tegen die van zijn kennissenkring. Hij was tevreden met het leven dat hij leidde, en aan vroeger dacht hij nauwelijks nog terug.

Eén keer per jaar keerde hij voor een week of twee naar België terug om zijn moeder te bezoeken, zijn vader was ondertussen gestorven. Hij maakte van die gelegenheid ook altijd gebruik Dirk nog eens op te zoeken, alhoewel ze elkaar nu ook wel al sporadisch emailden. De wonderen der techniek, niet waar?

Regelmatig was hij ook in Kinshasha te vinden en dan onderhield hij zoals van hem verwacht werd zijn contacten met de beau monde. Gedwee ging hij in op uitnodigingen voor recepties, etentjes, voorstellingen, vernissages, openingen, premières en allerlei andere evenementen georganiseerd door het bonte allegaartje expats om zichzelf voor verveling en erger te behoeden. Jean-François was ondertussen één van de anciens in het eeuwig wisselende kringetje van nieuw aangesteld ambassadepersoneel, managers op een zijspoor, idealistische dokters en andere paramedici met een burn-out, avonturiers, oplichters, schuldenaren op de vlucht en alle andere elementen waaruit dat soort kliekjes is samengesteld.

Achter de stalen poorten van hun compounds of in de gekoelde lounges van de paar hotels die de hoofdstad nog rijk was werd er gedronken, getoast en genetwerkt. Verveelde diplomatenvrouwen legden het aan met stoere bonken met een dubieus verleden. Er werd vanalles geritseld en geregeld, van mijnbouwconcessies over goedkope drank tot visa, inreispapieren en verblijfsvergunningen. Niets mocht en alles was mogelijk. Met de geamuseerde verwondering van een halve buitenstaander bekeek Jean-François het gewemel. De luisterde naar het geroddel en liet zich bijpraten over de intriges. De schandaaltjes die iedereen kende maar niemand ooit verder vertelde.  Ach, hij vond het allemaal best draaglijk zolang hij maar op tijd en stond kon ontsnappen uit die snelkookpan waar elke emotionele uitbarsting ontaardde in een theatraal drama dat het vorige zo nodig moest overtreffen.

Natuurlijk raakte hij af en toe zijdelings betrokken bij zo’n onverkwikkelijk schouwspel, voornamelijk omdat hij dan op het verkeerde moment op het verkeerde feestje was geweest of in het gezelschap van een verkeerde kennis was opgemerkt. Ach ja, hij moest er natuurlijk wel een beetje bijhoren. En het leverde hem wel klanten op, dat was nu eenmaal het voornaamste.

Nu stond hij op een cocktailparty van een rijke Engelse industrieel met een gin tonic in de hand beleefd te luisteren naar de klaagzang van een jonge ingenieur. Die maakte zijn beklag over de bureaucratische fratsen die hij zich moest laten welgevallen, terwijl hij wel een of ander bouwwerk op tijd af moest krijgen. Toen kreeg zijn gastheer hem in het oog.

– Jean-François, come over here, I need you to meet someone!

En zo werd hij voorgesteld aan Wesley, also from Belgium. Een paar jaar geleden nog een beloftevolle voetballer aan wie bijna bovennatuurlijk capaciteiten werden toegeschreven, nu stuurloos en op de dool. Zelfs Jean-François, die nu toch niet echt een voetballiefhebber was, kon zich beelden voor de geest halen van dat ene legendarische doelpunt dat Wesley had gescoord tijdens een cruciale titelmatch. Een omhaal die van op respectabele afstand in de winkelhaak was beland, de keeper die het nakijken had gehad en een team dat tegen alle verwachtingen in kampioen was geworden. Natuurlijk werden er prompt fabelachtige sommen op tafel gelegd om Wesley, die toen pas 21 jaar was, naar een grote buitenlandse club te laten verkassen. Toen liep het mis. Niet bestand tegen de eenzaamheid en het vele geld was de jongeman de weg opgegaan van feestjes, foute vrienden, snelle wagens en alles wat daar nog bij komt kijken. Hij had zich een paar keer proberen herpakken, beloofde iedere keer zijn leven op de rails te zetten maar verslikte zich elke keer weer. Het allooi van zijn vrienden verbeterde er niet op, de ploegen die nog bereid gevonden werden om hem nog een kans te geven werden van langsom kleiner en onbeduidender.

Nu was Wesley onder hoede van zijn manager van de laatste kans een plezierreisje aan het maken, maar het was helemaal onduidelijk hoe ze dan in hemelsnaam in deze uithoek van de wereld verzeild waren geraakt.

Maar het deed deugd om nog eens te praten met een landgenoot. De drank bleef maar komen, de hapjes waren lekker en de de gesprekken werden vertrouwelijker, intiemer.

Beide heren waren dan al behoorlijk aangeschoten toen ze zich later op de avond in een taxi hesen. Want Jean-François zou Wesley wel eens het ‘echte’ Kinshasha leren kennen.

(Nvdr: Dit is het tweede deel van een kortverhaal, waarvan je het eerste hier kunt lezen) 

2005 – 2011

Cies zat in de geairconditionde bar van zijn hotel in Kinshasa, een veel te dure pint voor zijn neus. Schol, mompelde hij voor zich uit, terwijl hij dacht aan zijn ex-hoofdredacteur. Hij zat hier toch maar fraai op zijn kosten. Enfin, op kosten van de krant dan toch. Voor zijn gedwongen exit was hij al bezig geweest met de voorbereiding van een reportage over Congo, zoveel jaar na de onafhankelijkheid. Niet de traditionele opsomming van burgeroorlogen en corruptie, of de nakende verkiezingen. Wel een poging om portretten te brengen van de nieuwe middenklasse. Over Congolezen die in België of elders in Europa hadden gestudeerd en nu in eigen land een bedrijfje uit de grond probeerden te stampen. Hij had er al redelijk wat researchwerk op zitten en de vliegtuigtickets en het verblijf in het hotel waren al betaald. Hij ging er van uit dat in de verwarring van zijn plotse ontslag niemand er aan zou denken om de reis te annuleren. Hij kon zich trouwens geen betere manier bedenken om een laatste keer zijn middenvinger op te steken richting ex-krant door ostentatief deze vakantie op te souperen.

De portretreeks was er natuurlijk niet van gekomen, maar Cies had wel zijn geplande interviews afgewerkt. Het was zo dat hij in contact gekomen was met een koppel dat exclusieve en avontuurlijke vakanties in de Kivu organiseerde voor expats. Het klikte tussen hen en Cies, niet in het minst omdat Baptiste gestudeerd had in Gent en er ook enkele jaren op kot had gezeten. Ze wisselden anekdotes uit over hun favoriete cafés en aanvaringen met proffen. Een week of twee later werd Cies een voorstel gedaan: zou hij het zien zitten om hun groepen te begeleiden tijdens hun trektochten. Op de één of andere manier was het voor de verwende Westerse avonturiers makkelijker om een blank gezicht te vertrouwen dan een Congolees die de streek als zijn broekzak kende. Eén van hun andere gidsen was gestopt omdat hij het beu was zich als een onbetrouwbaar klein kind behandeld te zien door die would be safariërs die altijd wel iets hadden om over te klagen. Te warm, te koud, te hoog, te droog. Plus, zijn jarenlange ervaring als journalist kon hij gebruiken om folders en brochures te schrijven. En een laatste, niet onbelangrijk detail: hij had makkelijker toegang tot het kringetje van buitenlandse diplomaten, ondernemers en hun entourage om nieuwe klanten aan te trekken.

Hij vond het bijzonder ironisch dat hij nog geen maand geleden gebeiteld zat in zijn carrière als journalist, en dat hij nu niet eens een half uur hoefde na te denken over dit aanbod. Het was bijna poëtisch, die plotse cesuur in zijn leven.

Hij zegde toe voor een proefperiode van een half jaar, uiteindelijk zou hij er bijna 6 jaar blijven.

Waarom zou hij het eigenlijk niet doen? Kind noch kraai had hij in het zompige Vlaanderen, en na het grandioze debacle op de krant maakte hij zich nog maar weinig illusies over zijn professionele toekomst. Vanuit zijn hotel belde hij enige keren met Dirk om poolshoogte te nemen. De dagen na de vechtpartij op de redactie was er natuurlijk wel enige commotie geweest. In de pulpkranten werd gretig het relaas over de ontrouwe echtgenote en de confrontatie tussen de sterjournalist en de hoofdredacteur uitgesmeerd. Zijn eigen krant publiceerde een kort en droog bericht waarin het ontslag van Cies werd aangekondigd wegens botsende persoonlijkheden. De grapjassen. Er werd hem ook nog veel succes gewenst bij zijn verdere carrière. Haha. Nu ja, dat had hij allemaal zelf nog gelezen. En zijn telefoon had niet stil gestaan, als hem niet om commentaar werd gevraagd op de gebeurtenissen was het wel een bezorgde ex-collega. Vage kennissen die hij jaren niet meer had gezien of gehoord probeerden nu onbeschaamd de smakelijkste details uit hem los te weken. Hij was opgelucht geweest om te kunnen vertrekken.

Uit zijn gesprekken met Dirk leerde Cies dat zijn ex-hoofdredacteur een logebroeder was, en dat zijn lange arm zich wel heel ver uitstrekte in het medialandschap. Een snelle terugkeer zat er niet in, en of hij ooit nog iets zou kunnen betekenen voor een krant, een magazine of een TV-programma was nog maar zeer de vraag.

Zonder veel nadenken of spijt keerde hij zijn huurhuis, zijn kamerplanten, zijn Saab, zijn ouders, zijn ex-collega’s, zijn grote en zijn kleine liefdes de rug toe. Van op zijn nieuwe, exotische locatie waar alles anders was en rook, en zijn dagen gevuld waren met nieuwe mensen, nieuwe geuren en landschappen, was het ook erg makkelijk om te doen alsof zijn vorige leven een soort droom was geweest.

Hij werd ook nog maar zelden herinnerd aan België. Hij had wel een telefoontoestel, maar was hij zelden thuis te vinden en internet was helemaal een lachertje. Zijn moeder bleef hem trouw brieven schrijven die in de helft van de gevallen niet aankwam, en op de andere helft antwoordde hij zelden of nooit.

En zoals Cies – oftewel Jean-François zoals hij hier werd genoemd – zijn vaderland vergat, zo vergat Vlaanderen hem.

1 mei

Jean-François Laforce, Cies voor de vrienden, trok rond een uur of 11 de deur van zijn statig ogende herenhuis in de Gentse stationsbuurt achter zich dicht. Hij had deze morgen ontbeten met havermout, appel en twee sneden geroosterd brood met confituur. Zwarte koffie. De eieren en het spek liet hij tegenwoordig achterwege, zijn dokter had hem gezegd dat zijn cholesterol te hoog was en dat hij dus op zijn voeding moest letten. Blijkbaar was hij op een leeftijd gekomen dat dat soort adviezen niet meer op hoongelach en ostentatief zelfdestructief gedrag werd onthaald. Na het ontbijt had hij zich het hoofd gebroken over een cryptogram, en nu had hij zin in buitenlucht en beweging. ‘Kun je ook alleen met een dame doen’ was één van de opgaves geweest, 7 letters. Hij was er niet op gekomen, onder andere omdat hij zich de dingen voorstelde die hij ook alleen met een dame zou kunnen doen.

Het plan was om via het Citadelpark naar de stad te wandelen, zonder dat hij verder een specifiek doel voor ogen had. Het waaide behoorlijk hard en eigenlijk was het net iets te koud voor de tijd van het jaar. Hij was blij dat hij zijn sjaal had aangetrokken, en toen hij het Sint-Pietersplein naderde en merkte dat mensen hem wel bijzonder vriendelijk toeknikten realiseerde hij zich dat het vandaag de eerste mei was. En zijn rode sjaal werd dus gezien als een symbool, eerder dan een praktisch accessoire.

Als oude punker was hij de idealen van de sossen niet ongenegen: het opnemen voor de zwakkeren in de samenleving, solidariteit, Alle Menschen Werden Bruder en dat soort dingen. Hij liet zich dan maar meedrijven met de mensenstroom richting Vooruit en later Stadshal. Van op een afstandje had hij gezien hoe oude bekenden elkaar hartelijk begroetten en hoe ze elkaar pinten hadden getrakteerd. Zelf probeerde hij zich zo anoniem mogelijk op te stellen, drentelde een beetje rond aan de rand van de mensenmassa. Als er al iemand was die hem leek te herkennen van vroeger dan knikte hij vriendelijk of zwaaide eens, maar deed tegelijkertijd teken dat hij weg moest, gehaast was. Vandaag had hij geen zin in gesprekjes die gedrenkt waren in nostalgie.

Hij miste zijn maat Dirk die vorig jaar plots was doodgevallen. Een hartaanval, en weg was hij. 53 jaar en toen was het afgelopen. Cies zelf was er nu 54 terwijl de teller van Dirk was blijven steken. Nog elke keer als hij iets te vertellen had drukte hij nog voor hij het wist op de contactgegevens van Dirk in zijn GSM. Vroeger kreeg hij nog de voicemail, nu informeerde een vrouwenstem hem dat dit nummer niet in gebruik was. Nog elke keer was er die fractie van een seconde waarin hij zich moest realiseren dat zijn vriend er niet meer was, en nog elke keer was dat een dolk in zijn hart.

1985 – 1995

Hun vriendschap was begonnen aan de universiteit, waar ze in de jaren ’80 pol & soc studeerden. Dirk uit overtuiging en uit interesse, Cies om zijn vader-notaris een hak te zetten. Volgens de algemene overlevering was dit decennium dat van de donkere muziek, de grijze straten, de grauwe buildings en de meer dan sombere vooruitzichten. In zijn eigen herinneren is het één en al opwinding en elektriciteit. Pinten drinken in café De Sloef of pogoën tijdens een concert in één of ander afgeleefd jeugdhuis. Een lijf zo jong en pezig dat het onvermoeibaar leek, katers kende hij niet. De eeuwige ruzies met zijn vader die commentaar had op zijn studiekeuze, zijn haar en zijn kleren. Die ene keer dat ze met gebalde vuisten neus aan neus hadden gestaan, terwijl zijn moeder schreeuwde dat ze elkaar met rust moesten laten. Dan maar terug een aantal dagen op het kot van Dikke Dirk logeren, tot de bui was overgewaaid.

Het waren woelige tijden geweest, dat wel. Betogingen tegen rakketten, tegen de verhoging van het inschrijvingsgeld, tegen de volmachten, de besparingen, de nepstatuten en de jeugdwerkloosheid. Tegen het sluiten van de mijnen en de grote staalfabrieken. Tegen racisme. Er was altijd wel wat om voor of tegen op straat te komen. In die tijd kon je kiezen tussen links, linkser, linkst. Er waren maoïsten, Trotskisten, Leninisten, Marxisten, anarchisten, sociaal-democraten en ze konden allemaal elkaars bloed wel drinken. De andere kant van het spectrum bestond uit skinheads die ten allen prijze bestreden moesten worden. Cies en Dirk freewheelden tussen de verschillende fracties zonder veel scrupules. Als er een gratis vat werd gegeven, waren ze er zeker bij, maar voor de rest hadden ze een broertje dood aan vergaderingen die vooral leken te gaan over punten en komma’s en vlammende discussies over de 4de Internationale.

Het enige engagement dat Cies min of meer plichtsbewust op zich nam, was dat van redacteur bij het studentenblad. Hij schreef vlammende oproepen om het rectoraat te bezetten en levendige verslagen van politieke acties, sit-ins, debatten, happenings en bezette kruispunten. Dat hij daarbij de karikatuur niet schuwde en met scherp sarcasme elke figuur die zichzelf al te serieus nam de grond in boorde, leverde hem een bescheiden schare fans op. En hier en daar een verbeten vijand, maar dat kon hem weinig deren.

Na hun studies, die ze elk met een jaar vertraging hadden afgewerkt volgde de onvermijdelijke burgerdienst. Dirk deed iets met sociaal-cultureel werk en kwetsbare jongeren. Toen al. Cies ging aan de slag op de communicatiedienst van de vakbond, wat betekende dat hij vooral adresetiketten op het ledenblad plakte zodat ze op de post konden. Zijn vader stikte bijna in zijn woede, maar de hoogoplopende ruzies waren er niet meer bij. Cies hoefde niet meer bij elke gelegenheid tegen de schenen van zijn vader te schoppen, maar de notaris zelf zou het nooit helemaal verkroppen dat zijn enig kind niet in het gespreide bedje van de petit-bourgeois wilde gaan liggen zoals hij het zich altijd had voorgesteld. Hun verhouding verstilde tot op het punt dat ze elkaar verdroegen, zonder openlijke vijandelijkheden.

Na hun burgerdienst sloegen de twee kameraden elk een andere weg in: Cies ging aan de slag bij de Humo – toen een jongensdroom die uitkwam, hij herinnerde zich het moment waarop hij de brief had gekregen waarin stond dat hij aangenomen was als het gelukkigste van zijn hele leven. Dirk bleef in de culturele sector vanalles doen. Hij organiseerde buurtfeesten, was actief in wijkcomités en zette een jazzfestival in de steigers dat in de loop der jaren zou uitgroeien tot het grootste van België. Door zijn verzoenende manier van optreden en zijn invloed op hele hordes stadsjongeren die verder voor geen ene meter in politiek geïnteresseerd waren kwam hij in het vizier van een aantal gemeenteraadsleden van de Socialistische Partij, en zo ging voor hem de bal aan het rollen. Een behoorlijke plaats op de lijst bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen, een functie op het kabinet van de burgemeester gevolgd door een verder gestaag opklimmen in de partijrangen.

Ze bleven elkaar wel zien, al was het dan niet meer zo vaak als daarvoor. Dirk trouwde zelfs en kreeg kinderen. Cies hield te veel van het jachtige leven om zich aan één vrouw te kunnen binden. Maar telkens ze elkaar bij toeval of op afspraak troffen op café, was er onmiddellijk weer de vertrouwdheid van een oud broederschap tussen twee gelijkgestemde geesten.

Godenkinderen waren ze, want nooit was hun falen groter dan hun succes. Het was makkelijk te denken dat ze alles aan zichzelf te danken hadden, hun kennis, hun harde werk, hun neus voor opportuniteiten hier en daar.

1995 – 2005

Na een paar jaar studentikoze kolder bij Humo had Cies zin gekregen in het serieuzere werk. Hij had ondertussen wel voldoende reputatie opgebouwd om zonder al te veel problemen of plichtplegingen een functie als politiek journalist in de wacht te slepen bij die enige linksige krant. De karikaturen en het scherpe sarcasme had hij ondertussen achter zich gelaten. Nu maakte hij verder naam door zijn interviews grondig voor te bereiden. ‘Als politiek journalist heb je geen vrienden, en al helemaal geen politieke’, was één van zijn boutades. Of hij zich nu verwant voelde met de ideologie van de man of vrouw aan de andere kant van de tafel of niet, het maakte hem niets uit. Genadeloos wees hij hen op inconsistenties in hun betoog of hun beleid, sloeg hen rond de oren met cijfers die ze liever verborgen hielden, citeerde uit het blote hoofd hun wetsvoorstellen of amendementen die nergens op sloegen. Ooit zette hij zijn tanden in een corruptiedossier tot hij de scalp van een minister van Defensie aan zijn riem hangen.

Hij was zijn eigen flamboyante zelve in duidingsprogramma’s, een enkele keer in een laatavond talkshow. Het was nog de tijd dat het nieuws gemaakt werd door mensen met beroepsernst en een diploma achter de kiezen. Weerwerk bestond in de vorm van hier en daar een lezersbrief van Staf De Wilde uit De Haan. Maar voor de rest kon een journalist zich met recht en reden een vertegenwoordiger van de vierde macht noemen. Hij had aanzien toen, even zwaaien met zijn perskaart en deuren gingen voor hem open als de Rode Zee voor Mozes. In zijn helderste momenten besefte Cies dat hij nooit was afgekickt van de drug die bewondering en erkenning van wildvreemden voor hem was. Maar meestal voelde hij een vage bitterheid over hoe journalistiek tegenwoordig een zaak was geworden van amateurs en kloefkappers die gazetten gratis volschreven. Meninkje hier, meninkje daar, een paar schone foto’s en hop, de deur uit. Hij kon het niet laten de kranten te kopen en zich er aan te ergeren. Zich voor te stellen hoe hij één of ander artikel zou hebben geschreven en feiten uit zou hebben gespit.

Dirk bleef het voor de wind gaan. Niet dat hij ooit een nationale topper zou worden, maar dat vond hij niet erg. Hij hield van zijn rol als loyale backbencher. Hij was populair in zijn stad, maar hoefde er al de stress en miserie van een politieke topfunctie niet bij te nemen. De Loge nodigde hem uit tot hun rangen toe te treden, en dat streelde zijn ego meer dan hij durfde toegeven. Na enig aarzelen stemde hij toe, ze haalden hem over de streep met het praatje dat het vooral maatschappelijke dienstverlening was die hen bond. Uiteindelijk werd er tussen de bedrijven door vooral gepolst naar geschikte postjes in allerlei raden van bestuur. Of er werden leden gezocht voor commissies van de meest uiteenlopende aard. Omdat hij zich voor cultuur interesseerde ging hij zowaar op een aantal aanbiedingen in.

Het kameraadschap tussen de twee mannen bleef ondertussen ongeschonden, al laaiden hun discussies nu hoger op dan vroeger. Cies lachte ongelovig toen Dirk hem vertelde over zijn lidmaatschap van De Loge.

– Allez gast, nu zit je bij de Rotary van de vrijzinnigen.

Dirk protesteerde voor de vorm, maar moest later toch toegeven dat het vooral een ons-kent-ons clubje was dat enkel pretendeerde niet elitair te zijn. Naarmate de avond vorderde en het bier vloeide, begonnen ze harder te lachen met de gekunstelde rituelen waarover Dirk met veel smaak vertelde.

Ging het over politiek, dan werd de toon serieuzer. Bitsig soms zelfs.

– Jij hebt makkelijk praten, mijnheer de onkreukbare journalist. Wij zitten er elke dag in, in de stront. En ja, soms moet je uit tactische overwegingen al eens iets doen of stemmen dat tegen je principes in gaat. Maar wat wil je dan? Als de kat de vis wil vangen, moet ze ook haar pootjes nat durven maken.

– Tegen je principes? Tegen je principes? Ik vraag mij af welke principes jullie eigenlijk nog hebben? Weet je wat jullie geworden zijn? Een partij voor yuppies met een schuldgevoel. Voor biogroentenfretters met een plooifiets.

Het was een lange, onverwachte val naar beneden voor Cies. Oké, het was niet erg verstandig geweest om een korte, maar hevige affaire te beginnen met de vrouw van de hoofdredacteur. En nee, het was ook niet erg netjes geweest om dat te doen op het moment dat voornoemde hoofdredacteur 6 weken lang in het ziekenhuis verbleef, officieel wegens ‘oververmoeidheid’. Maar goed, hij was er de man niet naar om de passie uit de weg te gaan als ze zich aandiende. Hij had alleen niet kunnen voorzien dat de vrouw in kwestie alles zou opbiechten.

Hij zat dan ook gewoon rustig te werken aan zijn bureau, toen zijn baas onverwacht het verdiep kwam binnengestormd en recht op hem af kwam. Voor hij het goed en wel besefte incasseerde hij 2, 3 toeken op zijn bakkes. Hij had nog wel weerwerk geboden, maar hij was niet opgewassen geweest tegen de woede van de bedrogen echtgenoot. Het was zelfs een beetje een schaamtelijke vertoning geweest op den duur, zoals hij daar lag te ‘stop, stop’ lag te kermen en met zijn bloedneus. Ria, de receptioniste van de redactie had uiteindelijk een taxi voor hem gebeld, en toen ze hem hielp instappen zei ze nog: ‘Ik stuur je je persoonlijke spullen wel op. Het is misschien beter dat je hier niet meer komt’.

Brief terug

Dag T.,

Gisteren zat je brief in de bus. 4 handgeschreven kantjes lang voor je afsluit met de gedachte aan een glas wijn en een aflevering van Dexter. En dit doe je in 2015 elke dag blijkbaar. Chapeau, ik zie het mezelf niet doen. Dat soort consistentie en discipline is me volkomen vreemd. Ik bewonder het wel in anderen, dus ook in jou.

Ik hoop dat je het me niet kwalijk neemt dat ik je langs deze weg antwoord, maar geloof me vrij: anders komt het er gewoon niet van. Er is een te grote hoeveelheid praktische zaken die ik zou moeten overwinnen, zoals geschikt briefpapier vinden en een balpen die het doet. Dan het schrijven zelf. Ik ben zo iemand die vindt dat de dingen vanzelf moeten gaan, het lijkt wel alsof ik aan plannen een broertje dood heb. (Dat van dat broertje zou nog waar kunnen zijn, aangezien ik enkel twee zussen heb. Haha, flauw mopje). Uiteindelijk, als er ooit eens een magisch moment zou geweest zijn waarop papier, pen en even niets anders te doen zouden geresulteerd hebben in een brief, dan is er nog altijd de zoektocht naar een enveloppe en een postzegel. En een brievenbus.

Weet je dat ik zelfs gepostzegelde ansichtkaarten heb liggen van op reis die ik nooit heb gepost? Zo erg is het met mij dus gesteld.

Je schrijft dat je Harelbeke, de stad waar ik sinds kort werk, maar een grauw oord vindt. Ik zou het niet weten eigenlijk. Voorlopig heb ik het hier enorm naar mijn zin. Ik heb de grondige ommekeer in mijn leven bijzonder goed verteerd eigenlijk. Het merkelijk vroegere opstaan bijvoorbeeld, zorgt op dit moment helemaal niet voor problemen en het pendelen bevalt me bijzonder goed. Het helpt natuurlijk dat de trein richting Kortrijk nooit overvol zit. Aan het station te K. spring ik gezwind op de Blue Bike en een dikke tien minuten later sta ik op het werk. ’s Avonds heb ik in de dubbeldekker trein quasi een hele wagon voor mezelf. Onderweg lees ik wat, of ik beluister een podcast. Nu ben ik bezig in A Visit from the Goon Squad van Jennifer Egan. Als je dat nog niet hebt gelezen, dan zou ik je het wel durven aanraden. Er gaat een zekere melancholie van uit, en sommige passages doen me denken aan de hand van Brett Easton Ellis.

Jij woont dus in Menen, daar beland in de nasleep van een danig gebroken hart. Ja, daar heb ik ook wel een beetje ervaring mee. En nee, ik ga niet zeggen dat het over gaat, dat weet je ondertussen ook wel. Maar als je hart echt grondig aan stukken wordt geslagen, dan verandert het je wel. Je onbezonnenheid verdwijnt. Het vermogen om je helemaal aan iets of iemand over te geven wordt aangetast. Er sluipt een zeker cynisme in je omgang met geliefden. De onschuld wordt uit je kleren gewassen.

Nu gebiedt de eerlijkheid mij wel te zeggen dat ik ook wel hier en daar een hart gebroken heb, en dat spijt me zeer. Maar ik heb het nooit gedaan op de berekende, sluwe, doordachte manier waarop anderen dat van mij ooit vertrappeld hebben. Het leek wel alsof het met voorbedachten rade werd gedaan, en daar ben ik nog altijd niet goed van.

Aan de foto’s op je Facebookprofiel te zien amuseer je je wel in Menen eigenlijk. Je bent zelfs bij de majorettes, iets wat ik zelf ook graag had gedaan toen ik klein was. Toen ik dat idee opperde zei mijn vader dat hij mij niet in mijn bloot gat over straat wilde laten paraderen. En daarmee was de kous af.

Soit, ik ga eens aan mijn werkdag beginnen. Bedankt nog eens voor je brief, en ik wens je voor de volgende 297 exemplaren nog veel inspiratie toe!

Hartelijke groeten van Wendy.

Lang geleden

Het is lang geleden dat je nog iets hebt geblogd, zegt hij. Dat ik het weet, antwoord ik. Waarover zou het moeten gaan, denk ik bij mezelf. Het leven schuift voorbij, zoals de rivier onder de maan uit het gedicht. De tijd stokt soms en schakelt daarna opnieuw enkele versnellingen hoger. Volgende week verjaar ik alweer, de lente begint en er is een korte vakantie in het vooruitzicht. Daarna een feest, en wellicht opnieuw vakantie. De dagen lengen en krimpen daarna weer in. Zo gaat dat nu eenmaal.

Ik heb een dochter, haar blonde haren watervallen op haar schouders. Voor haar is de tijd nog een oceaan die tot de einder reikt en nog veel verder. De koers is nog niet gezet, denkt ze. Dat is ze natuurlijk wel, alleen beseft zij dat nog niet. Zij draagt mij in haar, als een onzichtbaar atavisme. Ik zeg het haar maar niet, al was het maar omdat ze het niet zou kunnen geloven. Dat is ook haar redding natuurlijk, ze voelt nog niet hoe ze in een cocon van spinrag leeft, geweven door haar voorvaderen, haar afkomst, haar kleur, haar vrienden en haar vijanden. Ze wil niet dat ik iets over haar schrijf of zeg.

Op het werk is alles opnieuw nieuw, zelfs en zeker ik. Niet langer het kneusje, de meid voor alle werk. Mijn nieuwe baas is een voluptueuze Antwerpenaar in elke zin van het woord. Hij lacht smakelijk met zijn eigen grapjes en ik van de weeromstuit doe ik mee. In de refter zit een zwaarlijvige man met een pokdalig gezicht stuurs zijn boterhammen op te eten, zijn blik gericht op zijn brooddoos. Hij schrikt een beetje op als ik smakelijk zeg. Het is verbazingwekkend, hoe goed mijn lichaam en ik reageren op nieuwe dingen en de afwezigheid van stress en verveling. Ik voel me wakker, uitgeslapen, energiek. Ook dit zal terug overgaan, dat weet ik.

Ik heb een boek uit. Herzog van Saul Bellow was intens, geen roman waar je je laat meevoeren op de deining van het verhaal. De manische protagonist reist, vertelt, filosofeert, dagdroomt, weidt uit over onbenulligheden en details of obscure filosofische stromingen. Over leven, dood, liefde, kinderen, ouders, vrouwen, seks en maatschappij. Voor een boek dat geschreven is in 1964 klinken bepaalde passages over consumentisme of politieke spelletjes verbazend actueel. Ik wou dat ik zo clever was dat ik dingen kon schrijven die tijdloos waren.

We zouden nog eens naar de cinema moeten gaan, mijn lief verloofde en ik, maar het komt er nooit van. Enkele weken terug gingen we toch nog eens naar een voorstelling in het KASK. 5 €, een klein zaaltje en een gezelschap van studenten en oudere cinefielen voor ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’. Liz Taylor is magistraal en ook behoorlijk tijdloos eigenlijk.

Hoe langer ik leef, hoe banaler ik word. Het is niet eens erg, het gebeurt gewoon. Ik pendel, probeer op mijn gewicht te letten en de punten van mijn dochter in de gaten te houden. Vraag me af wat we zullen eten vanavond.

Alles verandert en toch blijft alles gelijk.

Josephine en Emiel

(Nvdr: dit een kort vervolg op het kortverhaal Josephine Verbeeck dat je hier kunt lezen).

Emiel Schlemiel en Josephine hadden het goed samen. Van hun beider families hadden ze zo geen last meer, die waren allang blij dat ze voor die twee sukkelaars een deftige oplossing hadden gevonden.

Die eerste huwelijksnacht was raar geweest. Josephine was een boerendochter, dus ze wist wel hoe de vork aan de steel zat. Haar moeder had het nooit de moeite gevonden om haar in te lichten over de bloemetjes en de bijtjes, omdat het haar gewoonweg overbodig leek. En tegen dat Josephine eindelijk van straat was geraakt, had zo’n gesprek allicht ook geen zin meer. Het zou wellicht enkel hebben geleid tot wederzijdse schaamte en ongemakkelijke stiltes.

Na het feestelijke diner hadden de nieuwbakken echtelieden in hun nieuwe slaapkamer wat onwennig naar het bed staan staren.

– Langs welke kant wilt gij? Vroeg Emiel.

– Het is mij allemaal gelijk, antwoordde Josephine.

– Ewel, dan ga ik de kant aan het raam nemen, wees Emiel, en hij begon zich uit te kleden.

Josephine wist niet goed waar ze het had, en toen haar nieuwbakken echtgenoot haar gene opmerkte zei hij: ‘weet je wat, ik ga mij omkleden in de keuken. Dan kun jij op je gemak je slaapkleren hier aan doen. Roep mij maar als je klaar bent’.

Die nacht hadden eerst nog veel gepraat, vooraleer ze elk aan hun zijde van het bed in slaap waren gevallen. Emiel was anders dan alle andere mensen die Josephine kende. Hij had boeken gelezen, en nog niet weinig ook precies. Hij was er mee begonnen tijdens zijn verblijf in het sanatorium waar hij van TBC moest herstellen. Er was niets anders te doen, en hij had het vaste ritme van de strakke dagindeling daar wat achter zich kunnen laten door zich in boeken te verliezen. Eerst de stichtelijke lectuur uit de ziekenhuisbibliotheek, de grote klassieke meesterwerken. Daarna had hij zijn vader thuis de opdracht gegeven om hem regelmatig wat moderner werk toe te sturen. Door zijn ziekte had Emiel vele jaren school gemist, maar de enorme berg literatuur waar hij zich doorheen had geploegd had hem een eclectisch inzicht gegeven in een allegaartje van onderwerpen. Hij kon meespreken over Byzantijnse kunst en gebruiken onder stammen in Papoea, maar had er geen flauw idee van dat er zich in Amerika een fenomeen manifesteerde dat naar de naam Elvis Presley luisterde.

Emiel was een dromer, vond Josephine. Hij wilde naar Parijs gaan, en naar Engeland. Maar op haar vraag hoe hij daar dacht te geraken, moest hij het antwoord schuldig blijven. Hij had nu eenmaal geen gestel om trein- of bootreizen te maken. Misschien moesten ze maar een auto kopen, had hij gezegd. Zij had hartelijk gelachen om zoveel overmoed.

Josephine was praktisch, koppig en altijd aan het werk. Hij was fijnzinnig en verdreef haar norse buien door flauwe grappen te maken. Voor het eerst in haar leven werd ze behandeld als iemand de meetelde. Hij vroeg haar mening over zaken die hij in de krant las. En zij merkte het zelf niet, maar zij lachte meer. Ze werd zachter, toegankelijker, fierder.

Zij waren na enkele dagen, weken samen aan elkaar gewend geraakt. Na enkele maanden ontwikkelde zich tussen hen een innige vriendschap, en naarmate de jaren vorderden was op hun verstandhouding wellicht het gebrekkige woord liefde van toepassing.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 2.890 andere volgers