Feeds:
Berichten
Reacties

(Nvdr: Dit is het derde deel van een kortverhaal, waarvan je het eerste deel hier kunt lezen en het tweede hier

2011

Ook in het exotische Kongo kabbelde het leven voort zonder groot gemis of ongemakken. Het liefst bracht Jean-François zijn tijd door ver weg van de hoofdstad. Hij en Baptiste waren nu volwaardige zakenpartners, Thérèse was naar Kenia verhuisd om de liefde te volgen. In Butembo, vlak bij het nationale park waar hij nog altijd reisgids speelde, leefde hij in een eerder bescheiden woning. Enfin, bescheiden. Dat hing af van het perspectief natuurlijk, maar zijn huis was niet al te groot en af en toe had wel eens last van de elektriciteit die uitviel en een sputterende waterleiding. Hij las, hij werkte. Hij had een vriend in Baptiste en voelde zich welkom bij diens familie en zijn vrienden. Met het verstrijken van de jaren leek zijn witte huid niet meer zo schril af te steken tegen die van zijn kennissenkring. Hij was tevreden met het leven dat hij leidde, en aan vroeger dacht hij nauwelijks nog terug.

Eén keer per jaar keerde hij voor een week of twee naar België terug om zijn moeder te bezoeken, zijn vader was ondertussen gestorven. Hij maakte van die gelegenheid ook altijd gebruik Dirk nog eens op te zoeken, alhoewel ze elkaar nu ook wel al sporadisch emailden. De wonderen der techniek, niet waar?

Regelmatig was hij ook in Kinshasha te vinden en dan onderhield hij zoals van hem verwacht werd zijn contacten met de beau monde. Gedwee ging hij in op uitnodigingen voor recepties, etentjes, voorstellingen, vernissages, openingen, premières en allerlei andere evenementen georganiseerd door het bonte allegaartje expats om zichzelf voor verveling en erger te behoeden. Jean-François was ondertussen één van de anciens in het eeuwig wisselende kringetje van nieuw aangesteld ambassadepersoneel, managers op een zijspoor, idealistische dokters en andere paramedici met een burn-out, avonturiers, oplichters, schuldenaren op de vlucht en alle andere elementen waaruit dat soort kliekjes is samengesteld.

Achter de stalen poorten van hun compounds of in de gekoelde lounges van de paar hotels die de hoofdstad nog rijk was werd er gedronken, getoast en genetwerkt. Verveelde diplomatenvrouwen legden het aan met stoere bonken met een dubieus verleden. Er werd vanalles geritseld en geregeld, van mijnbouwconcessies over goedkope drank tot visa, inreispapieren en verblijfsvergunningen. Niets mocht en alles was mogelijk. Met de geamuseerde verwondering van een halve buitenstaander bekeek Jean-François het gewemel. De luisterde naar het geroddel en liet zich bijpraten over de intriges. De schandaaltjes die iedereen kende maar niemand ooit verder vertelde.  Ach, hij vond het allemaal best draaglijk zolang hij maar op tijd en stond kon ontsnappen uit die snelkookpan waar elke emotionele uitbarsting ontaardde in een theatraal drama dat het vorige zo nodig moest overtreffen.

Natuurlijk raakte hij af en toe zijdelings betrokken bij zo’n onverkwikkelijk schouwspel, voornamelijk omdat hij dan op het verkeerde moment op het verkeerde feestje was geweest of in het gezelschap van een verkeerde kennis was opgemerkt. Ach ja, hij moest er natuurlijk wel een beetje bijhoren. En het leverde hem wel klanten op, dat was nu eenmaal het voornaamste.

Nu stond hij op een cocktailparty van een rijke Engelse industrieel met een gin tonic in de hand beleefd te luisteren naar de klaagzang van een jonge ingenieur. Die maakte zijn beklag over de bureaucratische fratsen die hij zich moest laten welgevallen, terwijl hij wel een of ander bouwwerk op tijd af moest krijgen. Toen kreeg zijn gastheer hem in het oog.

– Jean-François, come over here, I need you to meet someone!

En zo werd hij voorgesteld aan Wesley, also from Belgium. Een paar jaar geleden nog een beloftevolle voetballer aan wie bijna bovennatuurlijk capaciteiten werden toegeschreven, nu stuurloos en op de dool. Zelfs Jean-François, die nu toch niet echt een voetballiefhebber was, kon zich beelden voor de geest halen van dat ene legendarische doelpunt dat Wesley had gescoord tijdens een cruciale titelmatch. Een omhaal die van op respectabele afstand in de winkelhaak was beland, de keeper die het nakijken had gehad en een team dat tegen alle verwachtingen in kampioen was geworden. Natuurlijk werden er prompt fabelachtige sommen op tafel gelegd om Wesley, die toen pas 21 jaar was, naar een grote buitenlandse club te laten verkassen. Toen liep het mis. Niet bestand tegen de eenzaamheid en het vele geld was de jongeman de weg opgegaan van feestjes, foute vrienden, snelle wagens en alles wat daar nog bij komt kijken. Hij had zich een paar keer proberen herpakken, beloofde iedere keer zijn leven op de rails te zetten maar verslikte zich elke keer weer. Het allooi van zijn vrienden verbeterde er niet op, de ploegen die nog bereid gevonden werden om hem nog een kans te geven werden van langsom kleiner en onbeduidender.

Nu was Wesley onder hoede van zijn manager van de laatste kans een plezierreisje aan het maken, maar het was helemaal onduidelijk hoe ze dan in hemelsnaam in deze uithoek van de wereld verzeild waren geraakt.

Maar het deed deugd om nog eens te praten met een landgenoot. De drank bleef maar komen, de hapjes waren lekker en de de gesprekken werden vertrouwelijker, intiemer.

Beide heren waren dan al behoorlijk aangeschoten toen ze zich later op de avond in een taxi hesen. Want Jean-François zou Wesley wel eens het ‘echte’ Kinshasha leren kennen.

(Nvdr: Dit is het tweede deel van een kortverhaal, waarvan je het eerste hier kunt lezen) 

2005 – 2011

Cies zat in de geairconditionde bar van zijn hotel in Kinshasa, een veel te dure pint voor zijn neus. Schol, mompelde hij voor zich uit, terwijl hij dacht aan zijn ex-hoofdredacteur. Hij zat hier toch maar fraai op zijn kosten. Enfin, op kosten van de krant dan toch. Voor zijn gedwongen exit was hij al bezig geweest met de voorbereiding van een reportage over Congo, zoveel jaar na de onafhankelijkheid. Niet de traditionele opsomming van burgeroorlogen en corruptie, of de nakende verkiezingen. Wel een poging om portretten te brengen van de nieuwe middenklasse. Over Congolezen die in België of elders in Europa hadden gestudeerd en nu in eigen land een bedrijfje uit de grond probeerden te stampen. Hij had er al redelijk wat researchwerk op zitten en de vliegtuigtickets en het verblijf in het hotel waren al betaald. Hij ging er van uit dat in de verwarring van zijn plotse ontslag niemand er aan zou denken om de reis te annuleren. Hij kon zich trouwens geen betere manier bedenken om een laatste keer zijn middenvinger op te steken richting ex-krant door ostentatief deze vakantie op te souperen.

De portretreeks was er natuurlijk niet van gekomen, maar Cies had wel zijn geplande interviews afgewerkt. Het was zo dat hij in contact gekomen was met een koppel dat exclusieve en avontuurlijke vakanties in de Kivu organiseerde voor expats. Het klikte tussen hen en Cies, niet in het minst omdat Baptiste gestudeerd had in Gent en er ook enkele jaren op kot had gezeten. Ze wisselden anekdotes uit over hun favoriete cafés en aanvaringen met proffen. Een week of twee later werd Cies een voorstel gedaan: zou hij het zien zitten om hun groepen te begeleiden tijdens hun trektochten. Op de één of andere manier was het voor de verwende Westerse avonturiers makkelijker om een blank gezicht te vertrouwen dan een Congolees die de streek als zijn broekzak kende. Eén van hun andere gidsen was gestopt omdat hij het beu was zich als een onbetrouwbaar klein kind behandeld te zien door die would be safariërs die altijd wel iets hadden om over te klagen. Te warm, te koud, te hoog, te droog. Plus, zijn jarenlange ervaring als journalist kon hij gebruiken om folders en brochures te schrijven. En een laatste, niet onbelangrijk detail: hij had makkelijker toegang tot het kringetje van buitenlandse diplomaten, ondernemers en hun entourage om nieuwe klanten aan te trekken.

Hij vond het bijzonder ironisch dat hij nog geen maand geleden gebeiteld zat in zijn carrière als journalist, en dat hij nu niet eens een half uur hoefde na te denken over dit aanbod. Het was bijna poëtisch, die plotse cesuur in zijn leven.

Hij zegde toe voor een proefperiode van een half jaar, uiteindelijk zou hij er bijna 6 jaar blijven.

Waarom zou hij het eigenlijk niet doen? Kind noch kraai had hij in het zompige Vlaanderen, en na het grandioze debacle op de krant maakte hij zich nog maar weinig illusies over zijn professionele toekomst. Vanuit zijn hotel belde hij enige keren met Dirk om poolshoogte te nemen. De dagen na de vechtpartij op de redactie was er natuurlijk wel enige commotie geweest. In de pulpkranten werd gretig het relaas over de ontrouwe echtgenote en de confrontatie tussen de sterjournalist en de hoofdredacteur uitgesmeerd. Zijn eigen krant publiceerde een kort en droog bericht waarin het ontslag van Cies werd aangekondigd wegens botsende persoonlijkheden. De grapjassen. Er werd hem ook nog veel succes gewenst bij zijn verdere carrière. Haha. Nu ja, dat had hij allemaal zelf nog gelezen. En zijn telefoon had niet stil gestaan, als hem niet om commentaar werd gevraagd op de gebeurtenissen was het wel een bezorgde ex-collega. Vage kennissen die hij jaren niet meer had gezien of gehoord probeerden nu onbeschaamd de smakelijkste details uit hem los te weken. Hij was opgelucht geweest om te kunnen vertrekken.

Uit zijn gesprekken met Dirk leerde Cies dat zijn ex-hoofdredacteur een logebroeder was, en dat zijn lange arm zich wel heel ver uitstrekte in het medialandschap. Een snelle terugkeer zat er niet in, en of hij ooit nog iets zou kunnen betekenen voor een krant, een magazine of een TV-programma was nog maar zeer de vraag.

Zonder veel nadenken of spijt keerde hij zijn huurhuis, zijn kamerplanten, zijn Saab, zijn ouders, zijn ex-collega’s, zijn grote en zijn kleine liefdes de rug toe. Van op zijn nieuwe, exotische locatie waar alles anders was en rook, en zijn dagen gevuld waren met nieuwe mensen, nieuwe geuren en landschappen, was het ook erg makkelijk om te doen alsof zijn vorige leven een soort droom was geweest.

Hij werd ook nog maar zelden herinnerd aan België. Hij had wel een telefoontoestel, maar was hij zelden thuis te vinden en internet was helemaal een lachertje. Zijn moeder bleef hem trouw brieven schrijven die in de helft van de gevallen niet aankwam, en op de andere helft antwoordde hij zelden of nooit.

En zoals Cies – oftewel Jean-François zoals hij hier werd genoemd – zijn vaderland vergat, zo vergat Vlaanderen hem.

1 mei

Jean-François Laforce, Cies voor de vrienden, trok rond een uur of 11 de deur van zijn statig ogende herenhuis in de Gentse stationsbuurt achter zich dicht. Hij had deze morgen ontbeten met havermout, appel en twee sneden geroosterd brood met confituur. Zwarte koffie. De eieren en het spek liet hij tegenwoordig achterwege, zijn dokter had hem gezegd dat zijn cholesterol te hoog was en dat hij dus op zijn voeding moest letten. Blijkbaar was hij op een leeftijd gekomen dat dat soort adviezen niet meer op hoongelach en ostentatief zelfdestructief gedrag werd onthaald. Na het ontbijt had hij zich het hoofd gebroken over een cryptogram, en nu had hij zin in buitenlucht en beweging. ‘Kun je ook alleen met een dame doen’ was één van de opgaves geweest, 7 letters. Hij was er niet op gekomen, onder andere omdat hij zich de dingen voorstelde die hij ook alleen met een dame zou kunnen doen.

Het plan was om via het Citadelpark naar de stad te wandelen, zonder dat hij verder een specifiek doel voor ogen had. Het waaide behoorlijk hard en eigenlijk was het net iets te koud voor de tijd van het jaar. Hij was blij dat hij zijn sjaal had aangetrokken, en toen hij het Sint-Pietersplein naderde en merkte dat mensen hem wel bijzonder vriendelijk toeknikten realiseerde hij zich dat het vandaag de eerste mei was. En zijn rode sjaal werd dus gezien als een symbool, eerder dan een praktisch accessoire.

Als oude punker was hij de idealen van de sossen niet ongenegen: het opnemen voor de zwakkeren in de samenleving, solidariteit, Alle Menschen Werden Bruder en dat soort dingen. Hij liet zich dan maar meedrijven met de mensenstroom richting Vooruit en later Stadshal. Van op een afstandje had hij gezien hoe oude bekenden elkaar hartelijk begroetten en hoe ze elkaar pinten hadden getrakteerd. Zelf probeerde hij zich zo anoniem mogelijk op te stellen, drentelde een beetje rond aan de rand van de mensenmassa. Als er al iemand was die hem leek te herkennen van vroeger dan knikte hij vriendelijk of zwaaide eens, maar deed tegelijkertijd teken dat hij weg moest, gehaast was. Vandaag had hij geen zin in gesprekjes die gedrenkt waren in nostalgie.

Hij miste zijn maat Dirk die vorig jaar plots was doodgevallen. Een hartaanval, en weg was hij. 53 jaar en toen was het afgelopen. Cies zelf was er nu 54 terwijl de teller van Dirk was blijven steken. Nog elke keer als hij iets te vertellen had drukte hij nog voor hij het wist op de contactgegevens van Dirk in zijn GSM. Vroeger kreeg hij nog de voicemail, nu informeerde een vrouwenstem hem dat dit nummer niet in gebruik was. Nog elke keer was er die fractie van een seconde waarin hij zich moest realiseren dat zijn vriend er niet meer was, en nog elke keer was dat een dolk in zijn hart.

1985 – 1995

Hun vriendschap was begonnen aan de universiteit, waar ze in de jaren ’80 pol & soc studeerden. Dirk uit overtuiging en uit interesse, Cies om zijn vader-notaris een hak te zetten. Volgens de algemene overlevering was dit decennium dat van de donkere muziek, de grijze straten, de grauwe buildings en de meer dan sombere vooruitzichten. In zijn eigen herinneren is het één en al opwinding en elektriciteit. Pinten drinken in café De Sloef of pogoën tijdens een concert in één of ander afgeleefd jeugdhuis. Een lijf zo jong en pezig dat het onvermoeibaar leek, katers kende hij niet. De eeuwige ruzies met zijn vader die commentaar had op zijn studiekeuze, zijn haar en zijn kleren. Die ene keer dat ze met gebalde vuisten neus aan neus hadden gestaan, terwijl zijn moeder schreeuwde dat ze elkaar met rust moesten laten. Dan maar terug een aantal dagen op het kot van Dikke Dirk logeren, tot de bui was overgewaaid.

Het waren woelige tijden geweest, dat wel. Betogingen tegen rakketten, tegen de verhoging van het inschrijvingsgeld, tegen de volmachten, de besparingen, de nepstatuten en de jeugdwerkloosheid. Tegen het sluiten van de mijnen en de grote staalfabrieken. Tegen racisme. Er was altijd wel wat om voor of tegen op straat te komen. In die tijd kon je kiezen tussen links, linkser, linkst. Er waren maoïsten, Trotskisten, Leninisten, Marxisten, anarchisten, sociaal-democraten en ze konden allemaal elkaars bloed wel drinken. De andere kant van het spectrum bestond uit skinheads die ten allen prijze bestreden moesten worden. Cies en Dirk freewheelden tussen de verschillende fracties zonder veel scrupules. Als er een gratis vat werd gegeven, waren ze er zeker bij, maar voor de rest hadden ze een broertje dood aan vergaderingen die vooral leken te gaan over punten en komma’s en vlammende discussies over de 4de Internationale.

Het enige engagement dat Cies min of meer plichtsbewust op zich nam, was dat van redacteur bij het studentenblad. Hij schreef vlammende oproepen om het rectoraat te bezetten en levendige verslagen van politieke acties, sit-ins, debatten, happenings en bezette kruispunten. Dat hij daarbij de karikatuur niet schuwde en met scherp sarcasme elke figuur die zichzelf al te serieus nam de grond in boorde, leverde hem een bescheiden schare fans op. En hier en daar een verbeten vijand, maar dat kon hem weinig deren.

Na hun studies, die ze elk met een jaar vertraging hadden afgewerkt volgde de onvermijdelijke burgerdienst. Dirk deed iets met sociaal-cultureel werk en kwetsbare jongeren. Toen al. Cies ging aan de slag op de communicatiedienst van de vakbond, wat betekende dat hij vooral adresetiketten op het ledenblad plakte zodat ze op de post konden. Zijn vader stikte bijna in zijn woede, maar de hoogoplopende ruzies waren er niet meer bij. Cies hoefde niet meer bij elke gelegenheid tegen de schenen van zijn vader te schoppen, maar de notaris zelf zou het nooit helemaal verkroppen dat zijn enig kind niet in het gespreide bedje van de petit-bourgeois wilde gaan liggen zoals hij het zich altijd had voorgesteld. Hun verhouding verstilde tot op het punt dat ze elkaar verdroegen, zonder openlijke vijandelijkheden.

Na hun burgerdienst sloegen de twee kameraden elk een andere weg in: Cies ging aan de slag bij de Humo – toen een jongensdroom die uitkwam, hij herinnerde zich het moment waarop hij de brief had gekregen waarin stond dat hij aangenomen was als het gelukkigste van zijn hele leven. Dirk bleef in de culturele sector vanalles doen. Hij organiseerde buurtfeesten, was actief in wijkcomités en zette een jazzfestival in de steigers dat in de loop der jaren zou uitgroeien tot het grootste van België. Door zijn verzoenende manier van optreden en zijn invloed op hele hordes stadsjongeren die verder voor geen ene meter in politiek geïnteresseerd waren kwam hij in het vizier van een aantal gemeenteraadsleden van de Socialistische Partij, en zo ging voor hem de bal aan het rollen. Een behoorlijke plaats op de lijst bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen, een functie op het kabinet van de burgemeester gevolgd door een verder gestaag opklimmen in de partijrangen.

Ze bleven elkaar wel zien, al was het dan niet meer zo vaak als daarvoor. Dirk trouwde zelfs en kreeg kinderen. Cies hield te veel van het jachtige leven om zich aan één vrouw te kunnen binden. Maar telkens ze elkaar bij toeval of op afspraak troffen op café, was er onmiddellijk weer de vertrouwdheid van een oud broederschap tussen twee gelijkgestemde geesten.

Godenkinderen waren ze, want nooit was hun falen groter dan hun succes. Het was makkelijk te denken dat ze alles aan zichzelf te danken hadden, hun kennis, hun harde werk, hun neus voor opportuniteiten hier en daar.

1995 – 2005

Na een paar jaar studentikoze kolder bij Humo had Cies zin gekregen in het serieuzere werk. Hij had ondertussen wel voldoende reputatie opgebouwd om zonder al te veel problemen of plichtplegingen een functie als politiek journalist in de wacht te slepen bij die enige linksige krant. De karikaturen en het scherpe sarcasme had hij ondertussen achter zich gelaten. Nu maakte hij verder naam door zijn interviews grondig voor te bereiden. ‘Als politiek journalist heb je geen vrienden, en al helemaal geen politieke’, was één van zijn boutades. Of hij zich nu verwant voelde met de ideologie van de man of vrouw aan de andere kant van de tafel of niet, het maakte hem niets uit. Genadeloos wees hij hen op inconsistenties in hun betoog of hun beleid, sloeg hen rond de oren met cijfers die ze liever verborgen hielden, citeerde uit het blote hoofd hun wetsvoorstellen of amendementen die nergens op sloegen. Ooit zette hij zijn tanden in een corruptiedossier tot hij de scalp van een minister van Defensie aan zijn riem hangen.

Hij was zijn eigen flamboyante zelve in duidingsprogramma’s, een enkele keer in een laatavond talkshow. Het was nog de tijd dat het nieuws gemaakt werd door mensen met beroepsernst en een diploma achter de kiezen. Weerwerk bestond in de vorm van hier en daar een lezersbrief van Staf De Wilde uit De Haan. Maar voor de rest kon een journalist zich met recht en reden een vertegenwoordiger van de vierde macht noemen. Hij had aanzien toen, even zwaaien met zijn perskaart en deuren gingen voor hem open als de Rode Zee voor Mozes. In zijn helderste momenten besefte Cies dat hij nooit was afgekickt van de drug die bewondering en erkenning van wildvreemden voor hem was. Maar meestal voelde hij een vage bitterheid over hoe journalistiek tegenwoordig een zaak was geworden van amateurs en kloefkappers die gazetten gratis volschreven. Meninkje hier, meninkje daar, een paar schone foto’s en hop, de deur uit. Hij kon het niet laten de kranten te kopen en zich er aan te ergeren. Zich voor te stellen hoe hij één of ander artikel zou hebben geschreven en feiten uit zou hebben gespit.

Dirk bleef het voor de wind gaan. Niet dat hij ooit een nationale topper zou worden, maar dat vond hij niet erg. Hij hield van zijn rol als loyale backbencher. Hij was populair in zijn stad, maar hoefde er al de stress en miserie van een politieke topfunctie niet bij te nemen. De Loge nodigde hem uit tot hun rangen toe te treden, en dat streelde zijn ego meer dan hij durfde toegeven. Na enig aarzelen stemde hij toe, ze haalden hem over de streep met het praatje dat het vooral maatschappelijke dienstverlening was die hen bond. Uiteindelijk werd er tussen de bedrijven door vooral gepolst naar geschikte postjes in allerlei raden van bestuur. Of er werden leden gezocht voor commissies van de meest uiteenlopende aard. Omdat hij zich voor cultuur interesseerde ging hij zowaar op een aantal aanbiedingen in.

Het kameraadschap tussen de twee mannen bleef ondertussen ongeschonden, al laaiden hun discussies nu hoger op dan vroeger. Cies lachte ongelovig toen Dirk hem vertelde over zijn lidmaatschap van De Loge.

– Allez gast, nu zit je bij de Rotary van de vrijzinnigen.

Dirk protesteerde voor de vorm, maar moest later toch toegeven dat het vooral een ons-kent-ons clubje was dat enkel pretendeerde niet elitair te zijn. Naarmate de avond vorderde en het bier vloeide, begonnen ze harder te lachen met de gekunstelde rituelen waarover Dirk met veel smaak vertelde.

Ging het over politiek, dan werd de toon serieuzer. Bitsig soms zelfs.

– Jij hebt makkelijk praten, mijnheer de onkreukbare journalist. Wij zitten er elke dag in, in de stront. En ja, soms moet je uit tactische overwegingen al eens iets doen of stemmen dat tegen je principes in gaat. Maar wat wil je dan? Als de kat de vis wil vangen, moet ze ook haar pootjes nat durven maken.

– Tegen je principes? Tegen je principes? Ik vraag mij af welke principes jullie eigenlijk nog hebben? Weet je wat jullie geworden zijn? Een partij voor yuppies met een schuldgevoel. Voor biogroentenfretters met een plooifiets.

Het was een lange, onverwachte val naar beneden voor Cies. Oké, het was niet erg verstandig geweest om een korte, maar hevige affaire te beginnen met de vrouw van de hoofdredacteur. En nee, het was ook niet erg netjes geweest om dat te doen op het moment dat voornoemde hoofdredacteur 6 weken lang in het ziekenhuis verbleef, officieel wegens ‘oververmoeidheid’. Maar goed, hij was er de man niet naar om de passie uit de weg te gaan als ze zich aandiende. Hij had alleen niet kunnen voorzien dat de vrouw in kwestie alles zou opbiechten.

Hij zat dan ook gewoon rustig te werken aan zijn bureau, toen zijn baas onverwacht het verdiep kwam binnengestormd en recht op hem af kwam. Voor hij het goed en wel besefte incasseerde hij 2, 3 toeken op zijn bakkes. Hij had nog wel weerwerk geboden, maar hij was niet opgewassen geweest tegen de woede van de bedrogen echtgenoot. Het was zelfs een beetje een schaamtelijke vertoning geweest op den duur, zoals hij daar lag te ‘stop, stop’ lag te kermen en met zijn bloedneus. Ria, de receptioniste van de redactie had uiteindelijk een taxi voor hem gebeld, en toen ze hem hielp instappen zei ze nog: ‘Ik stuur je je persoonlijke spullen wel op. Het is misschien beter dat je hier niet meer komt’.

Brief terug

Dag T.,

Gisteren zat je brief in de bus. 4 handgeschreven kantjes lang voor je afsluit met de gedachte aan een glas wijn en een aflevering van Dexter. En dit doe je in 2015 elke dag blijkbaar. Chapeau, ik zie het mezelf niet doen. Dat soort consistentie en discipline is me volkomen vreemd. Ik bewonder het wel in anderen, dus ook in jou.

Ik hoop dat je het me niet kwalijk neemt dat ik je langs deze weg antwoord, maar geloof me vrij: anders komt het er gewoon niet van. Er is een te grote hoeveelheid praktische zaken die ik zou moeten overwinnen, zoals geschikt briefpapier vinden en een balpen die het doet. Dan het schrijven zelf. Ik ben zo iemand die vindt dat de dingen vanzelf moeten gaan, het lijkt wel alsof ik aan plannen een broertje dood heb. (Dat van dat broertje zou nog waar kunnen zijn, aangezien ik enkel twee zussen heb. Haha, flauw mopje). Uiteindelijk, als er ooit eens een magisch moment zou geweest zijn waarop papier, pen en even niets anders te doen zouden geresulteerd hebben in een brief, dan is er nog altijd de zoektocht naar een enveloppe en een postzegel. En een brievenbus.

Weet je dat ik zelfs gepostzegelde ansichtkaarten heb liggen van op reis die ik nooit heb gepost? Zo erg is het met mij dus gesteld.

Je schrijft dat je Harelbeke, de stad waar ik sinds kort werk, maar een grauw oord vindt. Ik zou het niet weten eigenlijk. Voorlopig heb ik het hier enorm naar mijn zin. Ik heb de grondige ommekeer in mijn leven bijzonder goed verteerd eigenlijk. Het merkelijk vroegere opstaan bijvoorbeeld, zorgt op dit moment helemaal niet voor problemen en het pendelen bevalt me bijzonder goed. Het helpt natuurlijk dat de trein richting Kortrijk nooit overvol zit. Aan het station te K. spring ik gezwind op de Blue Bike en een dikke tien minuten later sta ik op het werk. ’s Avonds heb ik in de dubbeldekker trein quasi een hele wagon voor mezelf. Onderweg lees ik wat, of ik beluister een podcast. Nu ben ik bezig in A Visit from the Goon Squad van Jennifer Egan. Als je dat nog niet hebt gelezen, dan zou ik je het wel durven aanraden. Er gaat een zekere melancholie van uit, en sommige passages doen me denken aan de hand van Brett Easton Ellis.

Jij woont dus in Menen, daar beland in de nasleep van een danig gebroken hart. Ja, daar heb ik ook wel een beetje ervaring mee. En nee, ik ga niet zeggen dat het over gaat, dat weet je ondertussen ook wel. Maar als je hart echt grondig aan stukken wordt geslagen, dan verandert het je wel. Je onbezonnenheid verdwijnt. Het vermogen om je helemaal aan iets of iemand over te geven wordt aangetast. Er sluipt een zeker cynisme in je omgang met geliefden. De onschuld wordt uit je kleren gewassen.

Nu gebiedt de eerlijkheid mij wel te zeggen dat ik ook wel hier en daar een hart gebroken heb, en dat spijt me zeer. Maar ik heb het nooit gedaan op de berekende, sluwe, doordachte manier waarop anderen dat van mij ooit vertrappeld hebben. Het leek wel alsof het met voorbedachten rade werd gedaan, en daar ben ik nog altijd niet goed van.

Aan de foto’s op je Facebookprofiel te zien amuseer je je wel in Menen eigenlijk. Je bent zelfs bij de majorettes, iets wat ik zelf ook graag had gedaan toen ik klein was. Toen ik dat idee opperde zei mijn vader dat hij mij niet in mijn bloot gat over straat wilde laten paraderen. En daarmee was de kous af.

Soit, ik ga eens aan mijn werkdag beginnen. Bedankt nog eens voor je brief, en ik wens je voor de volgende 297 exemplaren nog veel inspiratie toe!

Hartelijke groeten van Wendy.

Lang geleden

Het is lang geleden dat je nog iets hebt geblogd, zegt hij. Dat ik het weet, antwoord ik. Waarover zou het moeten gaan, denk ik bij mezelf. Het leven schuift voorbij, zoals de rivier onder de maan uit het gedicht. De tijd stokt soms en schakelt daarna opnieuw enkele versnellingen hoger. Volgende week verjaar ik alweer, de lente begint en er is een korte vakantie in het vooruitzicht. Daarna een feest, en wellicht opnieuw vakantie. De dagen lengen en krimpen daarna weer in. Zo gaat dat nu eenmaal.

Ik heb een dochter, haar blonde haren watervallen op haar schouders. Voor haar is de tijd nog een oceaan die tot de einder reikt en nog veel verder. De koers is nog niet gezet, denkt ze. Dat is ze natuurlijk wel, alleen beseft zij dat nog niet. Zij draagt mij in haar, als een onzichtbaar atavisme. Ik zeg het haar maar niet, al was het maar omdat ze het niet zou kunnen geloven. Dat is ook haar redding natuurlijk, ze voelt nog niet hoe ze in een cocon van spinrag leeft, geweven door haar voorvaderen, haar afkomst, haar kleur, haar vrienden en haar vijanden. Ze wil niet dat ik iets over haar schrijf of zeg.

Op het werk is alles opnieuw nieuw, zelfs en zeker ik. Niet langer het kneusje, de meid voor alle werk. Mijn nieuwe baas is een voluptueuze Antwerpenaar in elke zin van het woord. Hij lacht smakelijk met zijn eigen grapjes en ik van de weeromstuit doe ik mee. In de refter zit een zwaarlijvige man met een pokdalig gezicht stuurs zijn boterhammen op te eten, zijn blik gericht op zijn brooddoos. Hij schrikt een beetje op als ik smakelijk zeg. Het is verbazingwekkend, hoe goed mijn lichaam en ik reageren op nieuwe dingen en de afwezigheid van stress en verveling. Ik voel me wakker, uitgeslapen, energiek. Ook dit zal terug overgaan, dat weet ik.

Ik heb een boek uit. Herzog van Saul Bellow was intens, geen roman waar je je laat meevoeren op de deining van het verhaal. De manische protagonist reist, vertelt, filosofeert, dagdroomt, weidt uit over onbenulligheden en details of obscure filosofische stromingen. Over leven, dood, liefde, kinderen, ouders, vrouwen, seks en maatschappij. Voor een boek dat geschreven is in 1964 klinken bepaalde passages over consumentisme of politieke spelletjes verbazend actueel. Ik wou dat ik zo clever was dat ik dingen kon schrijven die tijdloos waren.

We zouden nog eens naar de cinema moeten gaan, mijn lief verloofde en ik, maar het komt er nooit van. Enkele weken terug gingen we toch nog eens naar een voorstelling in het KASK. 5 €, een klein zaaltje en een gezelschap van studenten en oudere cinefielen voor ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’. Liz Taylor is magistraal en ook behoorlijk tijdloos eigenlijk.

Hoe langer ik leef, hoe banaler ik word. Het is niet eens erg, het gebeurt gewoon. Ik pendel, probeer op mijn gewicht te letten en de punten van mijn dochter in de gaten te houden. Vraag me af wat we zullen eten vanavond.

Alles verandert en toch blijft alles gelijk.

Josephine en Emiel

(Nvdr: dit een kort vervolg op het kortverhaal Josephine Verbeeck dat je hier kunt lezen).

Emiel Schlemiel en Josephine hadden het goed samen. Van hun beider families hadden ze zo geen last meer, die waren allang blij dat ze voor die twee sukkelaars een deftige oplossing hadden gevonden.

Die eerste huwelijksnacht was raar geweest. Josephine was een boerendochter, dus ze wist wel hoe de vork aan de steel zat. Haar moeder had het nooit de moeite gevonden om haar in te lichten over de bloemetjes en de bijtjes, omdat het haar gewoonweg overbodig leek. En tegen dat Josephine eindelijk van straat was geraakt, had zo’n gesprek allicht ook geen zin meer. Het zou wellicht enkel hebben geleid tot wederzijdse schaamte en ongemakkelijke stiltes.

Na het feestelijke diner hadden de nieuwbakken echtelieden in hun nieuwe slaapkamer wat onwennig naar het bed staan staren.

– Langs welke kant wilt gij? Vroeg Emiel.

– Het is mij allemaal gelijk, antwoordde Josephine.

– Ewel, dan ga ik de kant aan het raam nemen, wees Emiel, en hij begon zich uit te kleden.

Josephine wist niet goed waar ze het had, en toen haar nieuwbakken echtgenoot haar gene opmerkte zei hij: ‘weet je wat, ik ga mij omkleden in de keuken. Dan kun jij op je gemak je slaapkleren hier aan doen. Roep mij maar als je klaar bent’.

Die nacht hadden eerst nog veel gepraat, vooraleer ze elk aan hun zijde van het bed in slaap waren gevallen. Emiel was anders dan alle andere mensen die Josephine kende. Hij had boeken gelezen, en nog niet weinig ook precies. Hij was er mee begonnen tijdens zijn verblijf in het sanatorium waar hij van TBC moest herstellen. Er was niets anders te doen, en hij had het vaste ritme van de strakke dagindeling daar wat achter zich kunnen laten door zich in boeken te verliezen. Eerst de stichtelijke lectuur uit de ziekenhuisbibliotheek, de grote klassieke meesterwerken. Daarna had hij zijn vader thuis de opdracht gegeven om hem regelmatig wat moderner werk toe te sturen. Door zijn ziekte had Emiel vele jaren school gemist, maar de enorme berg literatuur waar hij zich doorheen had geploegd had hem een eclectisch inzicht gegeven in een allegaartje van onderwerpen. Hij kon meespreken over Byzantijnse kunst en gebruiken onder stammen in Papoea, maar had er geen flauw idee van dat er zich in Amerika een fenomeen manifesteerde dat naar de naam Elvis Presley luisterde.

Emiel was een dromer, vond Josephine. Hij wilde naar Parijs gaan, en naar Engeland. Maar op haar vraag hoe hij daar dacht te geraken, moest hij het antwoord schuldig blijven. Hij had nu eenmaal geen gestel om trein- of bootreizen te maken. Misschien moesten ze maar een auto kopen, had hij gezegd. Zij had hartelijk gelachen om zoveel overmoed.

Josephine was praktisch, koppig en altijd aan het werk. Hij was fijnzinnig en verdreef haar norse buien door flauwe grappen te maken. Voor het eerst in haar leven werd ze behandeld als iemand de meetelde. Hij vroeg haar mening over zaken die hij in de krant las. En zij merkte het zelf niet, maar zij lachte meer. Ze werd zachter, toegankelijker, fierder.

Zij waren na enkele dagen, weken samen aan elkaar gewend geraakt. Na enkele maanden ontwikkelde zich tussen hen een innige vriendschap, en naarmate de jaren vorderden was op hun verstandhouding wellicht het gebrekkige woord liefde van toepassing.

Josephine was ooit een typische boerendochter. Breed geschouderd, stevig in het vlees en met een gezonde blos op de kaken. Potig is het juiste woord. Haren van een onbestemde kleur die kort werden geknipt om ongedierte de pas af te snijden en ook wel om elke vorm van koketterie de kop in te drukken. Dertien jaar was ze, toen ze op het erf van haar ouders een stamp in het gezicht kreeg van een opgeschrikte koe. Haar oogkas verbrijzeld en haar oog volledig toe. De Tweede Wereldoorlog was in volle gang, en zowel medicijnen en als verdovingsmiddelen waren schaars. Bekwame dokters ook. Slechte wondzorg en de boerenmentaliteit van niet trunten maar op de tanden bijten resulteerde uiteindelijk in het volledige verlies van het rechteroog, een scheve neus en een kaak die een holte vertoonde op de plaats waar een glooiing had moeten zitten. Haar stemgeluid was nasaal door de obstructie in haar neus, en ze siste en slodderde omdat de tanden die ze had verloren niet werden vervangen. Om anderen de aanblik van het weggelepelde oog te besparen moest ze een zwart lapje dragen, wat haar een exotisch uitzicht gaf. Voor de koe heette ze Josephine. Na de koe noemde men haar in het dorp achter haar rug Eénoog.

Eénoog bleef wonen en werken op de boerderij van haar ouders, haar broers en zussen trouwden één voor één en trokken weg. Het zag er naar uit dat Josephine als een oude jongedochter haar leven zou slijten, er dienden zich voor haar geen vrijers aan.

Het tij keerde toen haar vader in het slachthuis waar hij zijn beesten afleverde aan de praat raakte met een slager uit een naburige stad. Een oudere man, die er stilletjes aan begon te denken zijn winkel over te laten en te genieten van zijn pensioen. Hij had niet slecht geboerd. Het overgrote deel van zijn centen had tijdens de oorlog verdiend, door zonder veel scrupules louche zaakjes te doen met iedereen die bereid was grof geld neer te leggen voor een stukje vlees van prima kwaliteit. Zijn cliënteel bestond vooral uit de nieuwe bourgeoisie die rijk was geworden door proleten aan het werk te zetten in haar textielfabrieken. Ze betaalden het minimum voor ongezond en hard werk. Hun menslievendheid uitten ze door het steunen van goede werken en een extra onbetaalde pauze op Goede Vrijdag, zodat de Heer geloofd kon worden. Dankzij slager Verbeeck konden deze nieuwe rijken ook tijdens de moeilijke dagen van voedselbonnen, rantsoeneringen en surrogaatkoffie en nepboter toch nog rekenen op een smakelijke rosbief op zondag en een fijn stukje gevogelte voor de meer feestelijke gelegenheden.

Het enige probleem dat de slager had was zijn zoon, Emiel. Emiel Schlemiel, zo werd de jongen genoemd, vertelde de oude beenhouwer met een stem die overliep van emotie en verontwaardiging. Zijn zoon was helemaal geen schlemiel. Hij had tuberculose gehad, en was lang verpleegd geweest in een sanatorium aan zee. Er was niets mis met hem, alleen, tja, hoe moest je het zeggen? Hij was een beetje schriel en mager, klein van stuk, maar dat was het dan ook. In het hoofd van zijn zoon werkte alles naar behoren, en meer dan dat ook! Daar kon je gerust in zijn.

De boer en de beenhouwer, twee praktische ingestelde mannen roken wat tegenwoordig door de eerste de beste voyageur met een plastron als een win-winsituatie omschreven wordt. Zonder veel poespas werd een ontmoeting geregeld tussen beide jongelui, elk van beiden op voorhand goed de les gespeld door hun ouders. Vooral de moeders verheugden zich al op een goede afloop. De huwelijkse staat (of het gebrek daaraan) van hun sukkelaarskindje was voor hen een constante reden tot ongerustheid geweest, zowel voor de boerin als voor de slagersvrouw.

Josephine en Emiel bekeken elkaar vooral de eerste keer dat ze elkaar zagen, zeiden niet veel. Josephine omdat ze wist dat de combinatie van de zwarte ooglap, haar misvormde gezicht en het daarmee samenhangende spraakgebrek voor nieuwelingen teveel was. Ze liet haar bruidegom in spe liever rustig wennen aan het uitzicht, waar hij nog genoeg op zou mogen kijken gesteld dat alles volgens het plan verliep dat de ouderparen in gedachten hadden. De slager bekeek zijn toekomstige schoondochter zoals hij een stuk vee in het slachthuis zou bekijken. Dat gezicht, ja, dat was natuurlijk jammer, maar niets aan te doen. De rest vond hij prima in orde hoor! Stevige benen, een fraai achterwerk en een schoon koppel borsten. Sterke handen, ruw van het harde werk op de boerderij. Meer moest dat niet zijn, voor hem. En zijn zoon hield er, wat hem betreft, dezelfde mening op na. ‘Van een schoon bord alleen, kun je niet eten hé, Emiel’, schertste hij toen ze aan tafel werden gevraagd.

Het huwelijk werd snel geregeld, alsof het van moeten was. Dat was niet het geval. Misschien werd er zo’n haast gemaakt om te vermijden dat iemand zich zou bedenken. Maar zowel Emiel als Josephine beseften goed genoeg dat een eventuele nieuwe kans jaren op zich zou laten wachten, of zich zelfs nooit meer zou voordoen.

Het huwelijksfeest was nog bescheidener dan in die tijd de al de gewoonte was. Enkel de kerk zat afgeladen vol. De verbintenis tussen deze twee merkwaardige mensen wekte in de kleine gemeenschap waar weinig te beleven viel de nieuwsgierigheid. Sinds de aankondiging van het huwelijk plots tussen de andere bekendmakingen op de plakkaten aan de kerk was verschenen, sprak men in de cafés die de zondag na de hoogmis overvol zaten over niets anders meer. Het gerucht dat het meest werd verhaald, aangedikt en verder verspreid was natuurlijk dat van een onverwachte zwangerschap. ‘Je mag het je niet voorstellen hé, wat dat zal geven, die twee lelijkaards tesamen!’ hikten de stoutste tongen onbeschaamd. Een ander bralde: ‘Hij zal ook wel geschoten hebben voor het vaderland!’. Gelach galmde door het café, het geluid klonk als een stam stompzinnige apen.

Anderen waren stellig overtuigd van het feit dat de bruidegom een vijs mankeerde. Ze kenden iemand die ook iemand kende die het zeker was; Emiel Schlemiel had in het zothuis gezeten. Wie anders dan een debiel of een mongool zou zo zot zijn om met die lelijke donder van een Eénoog te willen trouwen?

Josephine was clever genoeg om te weten welke stemming er heerste in het dorp. Dat ze over de tong ging en onbeschaamd aangestaard werd, was ze meer dan gewoon. Niet dat ze zich er minder opgelaten door voelde, ze werd er gewoon beter in zich te verschuilen achter een masker van onverschilligheid. Op de boerderij van haar ouders voelde ze zich veilig, daar heerste haar naam. Wie er binnenkwam keek zij vrank aan, alsof ze niet verminkt was en er geen redenen waren om zich te verbergen.

Er werd getrouwd op een onopvallende zaterdag in oktober, zij in een vaal kanten kleed, hij in een zwart pak dat veel te ruim zat. De goegemeente was massaal aanwezig, op zoek naar sensatie, een schandaal om zich aan te warmen tijdens koude winteravonden. Josephine voelde ze kijken, de gemene teven die zich repten om als eerste de communie te ontvangen en genoten van het ongeluk van een ander. De oude boeren, klein en dik, ongezond zwetend en met een onverzorgd gebit omdat ze te bang waren om naar de tandarts te durven. Onveranderlijk stonken ze naar koeienstront en varkensmest, hun ondergoed was versleten en grauw van kleur. Ze dronken te veel jenever van slechte kwaliteit en sopten hun brood in varkensreuzel. Ze waren geen haar beter dan de beesten die ze in hun stallen hielden, ze lieten zich gewillig aan de leiband leggen door iedereen die ze hoger in stand en rang achtten dan zichzelf. Eén keer per week luisterden ze naar wat hun pastoor ze vertelde zonder te begrijpen waar het over ging. Schroomvallig, stotterend en de vettige pet in hun dikke worstenvingers klemmend kwamen ze bij den doktoor over de vloer op momenten dat het al veel te laat was omdat ze eerst koppig dwaze oudewijven remedies moesten uitproberen. Leedvermaak was de enige vorm van humor die ze beheersten, wat elk van hen ernaar deed streven middelmatig te zijn en onder geen beding op te vallen. Ze likten naar boven, en stampten genadeloos hard naar beneden. Ze werkten hun frustraties uit op hun vrouwen, hun kinderen en hun dieren, en zagen daar niets verkeerd in.

Dat primitieve volk dus, dat massaal was opgedaagd om het schouwspel bij te wonen van twee freaks die in de echt zouden worden verbonden, kwam van een kale reis thuis. De bruid was klaarblijkelijk niet in verwachting en die Emiel Schlemiel leek al bij al nog redelijk normaal. Hij had toch ja gezegd op het juiste moment. Ook de waaghalzen die het aan hadden gedurfd om na de kerkdienst het paar persoonlijk te gaan gelukwensen konden niets anders dan toegeven dat de wilde geruchten die de laatste paar weken het dorp hadden bezig gehouden leugens waren. Men droop af, teleurgesteld, ontevreden als een kind dat van de sint niet heeft gekregen wat het in gedachten had. Geen vijf minuten duurde het voor de boeren en boerinnen terug begonnen te snateren. ’t Is niet omdat we niet weten wat er is, dat er niets aan de hand is, hé’, besloot een venijnige slimoor.

Het eigenlijke huwelijksfeest ging door op de boerderij van Josephine. Haar moeder en haar zusters hadden gekookt, de slager had fazanten en wildgebraad laten leveren. Er was jenever en geuze, kriekbier voor de dames. Ook twee flessen champagne, iets wat bijna nog niemand van de aanwezigen al had gedronken. Na afloop nam Josephine haar hele hebben en houden dat in twee valiezen paste, en reed mee met haar nieuwe familie om daar aan het leven te beginnen.

Het kersverse paar kreeg twee kamers ter beschikking boven beenhouwerij Verbeeck. Josephine werd door haar schoonvader opgeleid in het vak. Achter de winkel leerde ze achterkwartieren ontbenen en biefstukken snijden. Bloedworsten draaien kon ze al, dat werd op de boerderij vaak genoeg gedaan. Emiel bediende de klanten in de winkel. Het was een onuitgesproken regel dat Josephine zich niet liet zien aan klanten, dat zou niet goed zijn voor de zaken. Het was al erg genoeg, vond vader Verbeeck, dat zijn zoon met zijn ongezond voorkomen in de winkel moest staan. Gelukkig had hij een vlotte babbel en de vaste klanten gaf hij geregeld een klein extraatje. De kleine kinderen mochten onveranderlijk rekenen op een schelletje of een bolletje gehakt. Alle beetjes hielpen om het cliënteel naar de slagerij te blijven lokken.

De oude slager leerde zijn schoondochter alles, net zoals hij voor zijn eigen zoon had willen doen. Diens gezondheid liet echter niet toe dat hij zou werken in koude omstandigheden, hij had niet de kracht om een half koebeest uit de koelwagen te tillen en naar de werkplaats te brengen. Voor hij Josephine had ontmoet en in haar de ideale slagersknecht en schoondochter had gezien, had hij gedacht dat hij zijn zaak zou moeten sluiten op termijn, of overlaten aan één of andere keurslager. Maar Josephine werkte snel, proper en zonder zagen. Als hij het echt moest toegeven, dan zou haar schoonvader zeggen dat ze een betere job deed dan veel van de knechten die hij in zijn dienst had gehad. De vetrandjes aan de koteletjes waren dik genoeg, maar niet zo dik dat ze een zuinige huisvrouw de opmerking zouden ontlokken dat ze wel voor vlees wilde betalen, maar niet voor al dat vet.

Josephine zette met een pervers soort genoegen het mes in elk rund dat ze onder handen nam. Ze scheidde bot van vlees en kapte pezen over als ultieme wraakoefening op het ras dat haar gezicht en bij uitbreiding haar leven had verwoest. Het liefst had ze met blote handen het dode beest verder uiteen gerukt. In haar dromen stortte ze zich soms als een bloeddorstige leeuwin op een kudde weerloze koeien, rukte de stomme beesten uiteen met haar klauwen en haar tanden, begroef haar snuit in de opengesperde holte van de gewonde buik en rukte de nutteloze ingewanden eruit. ’s Morgens verbeeldde ze zich dat ze nog de smaak van het runderbloed dat ze tijdens nachtelijke uren had gedronken in haar mond had.

Na twee jaar voelde vader Verbeeck zich gerust genoeg om de twee hun plan te laten trekken, al sprong hij nog bij van tijd tot tijd. Er was ondertussen al een eerste dochter geboren en een tweede zou niet lang meer op zich laten wachten.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 2.869 andere volgers