Feeds:
Berichten
Reacties

Tot mijn grote spijt en schaamte moet ik bekennen dat ik Connie Palmen lange tijd links heb laten liggen, toen de lezing van De Wetten of De Vriendschap mij begin jaren ’90 niet goed was bevallen. Het was eerder nieuwsgierigheid dus die me ertoe noopte om in ‘Jij Zegt Het’ te beginnen. En dan nog eerder nieuwsgierigheid naar de dynamiek binnen het duo Hughes-Plath dan naar het schrijftalent van Palmen. ‘Je moet wel lef hebben’, dacht ik nog, ‘om je tanden te durven zetten in de relatie tussen Sylvia Plath en Ted Hughes en dan nog wel vanuit zijn perspectief’. Onmiddellijk daarna bedacht ik me dat ‘lef’ net het datgene is waar het Palmen niet aan ontbreekt. Het is weinigen in het literaire wereldje gegeven, die ‘fuck you’ attitude die haar kenmerkt. De manier waarop ze haar liefdesleven in alle openbaarheid beleeft die tegelijkertijd vrij is van alle aandachttrekkerij. Hoe ze worstelt met verslaving en andere kleine kantjes, en hoe ze bijzonder weinig haar best doet om in de smaak te vallen. Vooral dat laatste is tegenwoordig als vrouw een statement. Palmen is niet je volgende beste vriendinnetje dat je zal vertellen dat het allemaal wel goed komt en dat we allemaal lief moeten zijn tegen elkaar. Eerder integendeel. Connie is moeilijk, lastig, tegendraads en begroet de rest van de wereld met een gezond wantrouwen. Gelukkig hou ik veel meer van stekelvarkentjes dan lieflijk ogende elfjes die je net zo goed een mes in de rug zullen planten als je eens twee seconden met je ogen knippert.

Terug naar ‘Jij Zegt Het’. Het verhaal van de verhouding tussen Plath en Hughes is genoegzaam bekend. Zij het tere kasplantje, hij de grove bruut en rokkenjager. Zij die zich in de keuken vergaste omdat ze zijn affaires niet meer kon verkroppen. Een groot talent in de kiem gesnoerd door een monster van een man. Enfin, zo ging de achteraf-lezing van de feiten toch. Hughes werd bespuwd en veracht voor zijn rol in haar dood.

Nu ja, niet dat Palmen de feiten vooraf kent, maar ze werpt toch een ander licht op de feiten. Plath had ook voor ze Hughes ontmoette al een verleden van depressies, ernstige suïcidepoginge en leed onder de gezinsdynamiek: een Pruisische afkomst, een dominante moeder met grootste ambities op haar dochter geprojecteerd en een afwezige vader. De kiemen voor de latere tragedie waren al gelegd.

Palmen beschrijft op meesterlijke wijze de verhouding van het echtpaar. Moeiteloos, zelfs bijna achteloos laat ze de observaties uit haar pen rollen. Het moeilijke makkelijk laten uitschijnen, iemand heeft ooit beweerd dat dat groot talent verraadt, en dat is wat mij betreft in ‘Jij zegt het’ meer dan waar. Sylvia wordt ontleed op basis van haar dagboeken en brieven. Ze is grillig, dwingend, eisend, worstelt met haar talent en haar moeder. Ze is tot op het paranoïde af wantrouwig over Hughes’ omgang met andere vrouwen, jaloers, bezitterig en controlerend. Ze dwingt hem in een loyaliteitsconflict met zijn ouders en zijn geliefde zus. Hij kiest steeds voor haar: zij heeft hem nodig, is als de dood door hem verlaten te worden. Hij is blij dat iemand hem op die manier het middelpunt van haar leven maakt, kan zich volop uitleven in de rol van mentor en verjager van al haar demonen en neemt er de vreemde blikken van zijn vrienden over haar gedrag maar bij. Palmen verschaft in ‘Jij zegt het’ een mooi inzicht in dit soort gedoemde relationele symbiose. Uiteindelijk probeert Hughes het wurgende huwelijk achter zich te laten (of alleszins open te breken) door verliefd te worden op de vrouw van een bevriend koppel waarmee hij een affaire begint. Saillant detail: enkele jaren na de dood van Plath zal ook deze vrouw zelfmoord plegen door haar hoofd in de oven te steken en neemt daarbij hun dochtertje mee in de dood.

Palmens taalgebruik is meeslepend met een zeker barok karakter zonder dat het overweldigend of overdadig aandoet.

Als ik dan toch een minpunt moet aanhalen: naarmate de dramatische ontknoping van het boek nadert wordt Hughes naar mijn gevoel toch iets te veel neergezet als een naïeve sukkel die te weinig kan inschatten wat de gevolgen van zijn onbezonnen acties zijn. Verliefde mensen zijn nu eenmaal wreed en laten ex-geliefden en gezin vaak zonder scrupules achter, verblind als ze zijn door de roze wolk waar ze zich nu eenmaal op bevinden. Dat Plath zo tragisch aan haar einde is gekomen is niet (helemaal) zijn schuld: jarenlang psychisch lijden en een medische wetenschap die nog in de kinderschoenen stond (de manier waarop de dokter waarbij ze hulp zocht erop stond dat ze voor haar eigen kinderen bleef zorgen bijvoorbeeld) zal daar zeker ook toe hebben bijgedragen.

Blij in elk geval met deze herontdekking van Palmen!

Dag P.

Gisteren werd er voor jou een ‘korte afscheidsplechtigheid’ gehouden in Lochristi. Ik werd ervan op de hoogte gebracht door je oom, quasi in die woorden. Ik vroeg me af waarom er niet het woord uitvaart of begrafenis in voorkwam. En waarom die plechtigheid zo nodig ‘kort’ moest zijn.

Ik moest redelijk vroeg de bus nemen. Eerst tot het station en daarna nog een lange rit op een andere lijn tot bij het crematorium. Onderweg checkte ik op mijn telefoon mijn Twitterfeed en er was ‘iets’ gebeurd in Zaventem. Ik vloekte omdat mijn batterij maar op 27% stond en ik er dus zuinig mee zou moeten zijn, ook al omdat ik mijn ticket per SMS betaald had.

Het is niet dat we vrienden waren, jij en ik. Daarvoor liep onze levensloop te ver uiteen. Maar ik kende je wel en ik vond dat je ik je niet van deze wereld mocht laten verdwijnen zonder dat ik je nog een laatste keer had gegroet. Zonder een laatste keer te hebben erkend dat jij er was geweest in mijn leven, en dat je daarin van betekenis was geweest.

Ik leerde je kennen toen je na een lange moeilijke periode terug overeind was gekrabbeld. Af en toe liet je een paar woorden vallen over je jeugdjaren. Je had armoede gekend, niet die van kunstzinnige of romantische aard. Wel die van kou, honger en uitsluiting. Je moeder verloren in gruwelijke omstandigheden. Knokken en vechten om er te komen en uiteindelijk een diepe, persoonlijke crisis.

Veel scholing had je niet gehad, maar grote theorieën of moeilijke woorden had je niet nodig om goed te doen. Gisteren was er een mevrouwtje van de zorgboerderij waar je stage liep die een tekstje voorlas. Ze herinnerde zich dat je haar had gezegd dat ze een mooie lach had en glinsterende ogen. Je was misschien de eerste en de enige die haar dat ooit had gezegd, maar zo was je dus.

De korte afscheidsplechtigheid werd trouwens georganiseerd door een organisatie die zoiets doet op het moment dat de familie dat niet kan of wil. De crematie had al plaatsgevonden, er lagen wat bloemen rond een urne. Twee foto’s waarop je stond te glunderen en zoals ik me je herinnerde. Vrijwilligers lazen op zeer ernstige toon generieke tekstjes voor waarin vooral gesproken werd over ‘loslaten’ en ‘afscheid’. En springen van ster tot ster. Ik mag daar niet cynisch over doen, jij zou het goed hebben gevonden. Ik heb dat altijd in je bewonderd, dat vermogen om zelfs in het meest banale en futiele iets mooi of verheven te vinden.

Je tantes hadden veel verdriet, en ik kon niet veel anders doen dan ‘sterkte’ en ‘mijn deelneming’ mompelen. We waren wellicht met meer dan verhoopt of berekend, want een doodsprentje kon ik niet meer bemachtigen en het zaaltje liep goed vol. Je had veel vrienden omdat je warm en hartelijk was, altijd en overal. Niemand was je te min of te vreemd.

Je hart was groot, maar jammer genoeg niet sterk genoeg.

Dag P. dus. Ik hoop dat ik af en toe nog aan je mag denken.

Beeld: Stephan Vanfleteren

Beeld: Stephan Vanfleteren

Een zot idee

Enfin ja, ik loop dus al een paar dagen met een onnozel idee rond, dus het moet er nu maar eens uit. Kort gezegd komt het hier op neer: je krijgt van mij een verhaal(tje), ik krijg van jou een cadeau(tje). Want het is bijna van Sinterklaas en Kerstmis en Nieuwjaar en Oh, Denneboom wat zijn uw takken Wonderschoon. Jouw geschenk mag iets zelfgemaakt zijn (ik bedoel: wie wil er nu niet een paar zelfgebreide geitenwollen sokken?) of een doos pralinen (ik heb het voornemen ‘minder gaan wegen’ ergens in de loop van 2015 het raam uit gezwierd) of een kratje champagne (nu ja, een fles schuimwijn is ook goed zolang het maar geen demi-sec is of zo). Ook ben ik blij te maken met een scheet in een fles of een dode mus, een vage politieke belofte, een klimaatakkoord (allez, nee, dat is gelogen), een maand huur op mijn rekening gestort (dat is een grapje, tenzij je zo shtinkend rijk bent dat het voor jou niet uitmaakt), een poetsvrouw (ze mag wel niet blijven slapen), een bosje bloemen gepikt uit de tuin van de buren (alhoewel dat maar magertjes zal uitvallen deze tijd van het jaar) en andere leutigheden.

Nee, serieus nu: het is me allemaal gelijk wat je zou willen geven.

Wat krijg je? Een verhaal, afhankelijk van de stormloop op het voorstel (hahaha, ik hoor het tsjirpen van de krekels al) hier en daar gepersonaliseerd. Misschien een hoofdstuk uit het boek dat ik nu eens wel schrijf dan eens aan de kant laat liggen. (Nu ja, ik ben er tegenwoordig weer mee bezig, en ik heb nu denk ik een behapbare formule gevonden om dat ding ooit eens af te werken). In elk geval: een stuk exclusieve tekst dat dus NOOIT of te NIMMER op het internet zal gepubliceerd worden en dat ik dus op echt papier zal afprinten en naar jou opsturen. In een enveloppe met een postzegel op. En gehandtekend.

Zot hé. Ik weet het. Als je het ziet zitten mail me (sunmoonpisces@yahoo.com) of reageer hieronder of op den Twitter of op mijne Facebook.

Wel niet allemaal tegelijk aub.

IMG_20151025_152351 (2)

‘Vallen in Liefde’ is de tweede worp van auteur, columnist en syndicalist Philippe Diepvents. Ik kreeg van hem een e-versie van zijn boek in ruil voor een bespreking. Hier gaan we.

Om te beginnen: Vallen in Liefde opent magistraal. Wie mij kent weet ik dat ik dat woord niet licht gebruik, maar toch is het zo. In een filmische openingsscène met licht absurdistische ondertoon (denk Pulp Fiction) valt een dode. Diepvents begint op die manier eigenlijk bij het einde, en begint na de proloog te vertellen hoe het zo ver is kunnen komen.

In 1993 bracht de ondertussen overleden regisseur Robert Altman de film ‘Short Cuts’ uit. Gebaseerd op het werk van Carver worden op subtiele manier de levens van de verschillende personages die op het eerste zicht niets met elkaar te maken hebben toch via een reeks toevalligheden en ontmoetingen die ogenschijnlijk onbeduidend zijn toch met elkaar verweven. Nu zijn de verwijzingen naar Carver en Altman misschien iets te veel eer voor Diepvents, maar hij gebruikt wel dezelfde techniek om de levens van de protagonisten in elkaar te laten overlopen terwijl ze dat niet altijd door hebben.

Vallen in Liefde pivoteert om het hoofdpersonage Stella. Zij is de middelpuntvliedende kracht die de zaken in beweging zet en in grote mate verantwoordelijk is voor de brokstukken die de mensen in haar omgeving op hun kop zien vallen. Een manipulerend kreng en tegelijkertijd altijd een klein meisje gebleven dat op zoek is naar liefde, erkenning en aandacht. Hoe meer ze haar best doet om haar vader voor zich te winnen, hoe harder hij haar afwijst. Holly, de beste vriendin betaalt dan weer in alle opzichten het gelag.

Alhoewel de roman een beetje uit de voegen barst door de veelheid aan gebeurtenissen, ongelukken en onbeantwoorde of stukgelopen liefdes waar de personages door overvallen worden blijft het allemaal op de één of andere manier wel geloofwaardig. In die zin leest Vallen in Liefde als een trein, zoals dat dan heet. En dankzij de verschillende slimme plotwendingen blijft het boek ook verwonderen.

Diepvents toont zich bovendien ook een scherpe observator van de condition humaine en verrast op gezette tijden met bijzonder treffende omschrijvingen van het wezen der vriendschap of de liefde. Paragrafen die zo slim zijn dat je wou dat je ze zelf had kunnen schrijven dus.

Eerlijk is eerlijk: het einde was niet helemaal mijn ding. Iets te melig en te lang uitgerekt. Maar dat neemt niet weg dat dit boek zeker een plaatsje verdient onder de betere kerstboom.

9789022331897

(Dit is het laatste deel van een kortverhaal. Wil je het helemaal lezen: alle delen staan hieronder op de deze blog, of je kunt de PDF downloaden. Dat leest misschien iets makkelijker. Er staan wel geen prentjes in.)

Een partij voor yuppies met een schuldgevoel

1 mei

Nu zat hij aan de toog van het Damberd met een Westmalle voor zijn neus. Godverdomme zeg, dacht hij, wat een bloedeloze bedoening was dat daar geweest onder die Schapenstal eigenlijk? Wat was dat toch met de socialisten van tegenwoordig? Tamme toespraken, lauw applaus, zelfs van de fanatiekste en trouwste partijsoldaten. Er klonk geen vuur door, geen kloten, geen passie. Geen hart. Wat overbleef waren herkauwde oneliners waar ze met hun mediatrainers naar op zoek waren gegaan. Bedoeld voor journalisten, zodat die hun ‘soundbite’ hadden voor het journaal ’s avonds. Het klonk allemaal zo gekunsteld, onecht, veel te bedacht. Nu ja, ze deden het natuurlijk allemaal, de politici en de politieke partijen, maar zijn hart lag nu eenmaal bij die partij.

Nu ja, hij was wellicht te nostalgisch en zijn herinneringen versuikerd, maar het leek hem dat vroeger, in tempore non suspecto, de sociaal-democraten geleid werden door tja, hoe moest hij het zeggen? Sociaal-democraten zeker? In elk geval niet door het bleke stelletje intellectuelen dat tegenwoordig de dienst uitmaakte. Niet dat hij iets had tegen intellectuelen, hij beschouwde er zichzelf eentje, maar voor de zonen en dochters van oude partijbonzen die nu her en der geparachuteerd werden om de boel te leiden kon hij maar matig sympathie opbrengen. In plaats van te voetballen op straat waren ze op tenniskamp of paardrijles gestuurd. Ze hadden diploma’s gehaald aan dure universiteiten in het buitenland en in de 8-urenhuizen of volkscafés durfden ze hun neus niet binnensteken. Neen, je hoorde ze dan wel kwekken in één of andere weekendbijlage over een tof restaurantje waar een hippe koksmus experimenteerde met mos of stro. Dat ze niet inzagen dat een partijvoorzitter die na een vergadering de frituur indook om daar een groot pak met stoofvlees en een berenpoot naar binnen te schoffelen meer aansprak kon er bij hem niet in.

Enfin, de arbeidersklasse was natuurlijk ook niet meer wat ze geweest was, hij wist het wel. De diensteneconomie en zo, hij had met Dirk urenlang over gepalaverd. De nieuwe doelgroep van de sossen was de jonge, progressieve stedeling zo probeerde Dirk hem uit te leggen. Mensen die bezorgd waren om het klimaat en hun kinderen naar Freinetscholen stuurden.

– Allez ja, een partij dus voor yuppies met een schuldgevoel, bromde Cies voor de zoveelste keer.

Een groepje Een Mei vierders begon achter zijn rug met tafels en stoelen te schuiven zodat ze samen konden zitten. Na veel gepalaver noteerde één van de jongedames uit het gezelschap de bestelling en kwam die naast hem aan de toog doorgeven.

– Moh, wie we hier hebben, zei ze. Jacques is ’t zeker hé?

– Jean-François eigenlijk. Maar je mag ook Cies zeggen, zoals de rest van de wereld.

– Oei, sorry. Ik ben Severine. Ik geef les bij jou op school, maar in een ander departement.

– Ah ja, juist. Ik vroeg me al af van waar ik je kende.

– Zeg, ik wist niet dat jij een rooie was?

– Bwoa, niet fanatiek. Allez, niet meer. Toch niet nu ze een partij geworden zijn voor yuppies met schuldgevoel. Hij was tevreden dat hij zijn one-liner nog eens kon bovenhalen.

Ze keek hem met een opgetrokken wenkbrauw aan, maar de plateau met drank werd voor haar neus gezet.

– Wacht, ik breng deze even naar onze tafel. Niet weglopen.

Ze kwam terug, zette haar Palm op de bar en hees zich op de kruk naast hem. Het duurde niet lang voor ze in een pittige discussie verwikkeld waren. Hij knorrig, zij vurig. Maar hij ontdooide en hun gesprek meanderde van een politieke woordenstrijd naar een meer persoonlijke diepten. Het deed hem goed om zijn gedachten te kunnen verzetten op de dag waarop hij zijn dode vriend meer dan ooit miste.

– Zeg, ik heb honger, kondigde ze een Palm of drie later aan. Gaan we iets eten in de Wok Away?

– Ik heb ook honger, maar ik heb een veel beter idee.

Hij nam haar mee naar het frietkot aan de Groentenmarkt, waar de notoir chagrijnige uitbater zoals steeds zwijgend de bestelling noteerde en het geld in ontvangst nam.

– Op de Eerste Mei moet je gewone mensen kost eten, zei Cies. Niet van die veel te dure, overgewaardeerde yuppie-shit.

Later op de avond, op weg naar huis, sloeg hij zijn arm om haar heen.

Friet_met_stoofvlees

(Nvdr: dit is het 9de deel van een kortverhaal. Vorige delen vind je hier: deel 1,deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7 , deel 8)

2011 – 2015

Cies had de waarschuwing van zijn baas goed in zijn oren geknoopt. Wat voor zin had het te doen alsof hij een verschil kon maken? De tijden waren veranderd, zo bleef men maar herhalen, en hij had zich daar bij neer te leggen. Niemand zat te wachten op een ex-journalist van begin de 50 met een veel te groot ego. Dus dimde hij. Braafjes quoteerde hij zijn studenten met veilige net voldoendes of net niet voldoende als hij het werkelijk niet kon aanzien of in een slecht humeur was. Hij vond de meesten onder hen verwend, egocentrisch en provinciaal. Ze waren 18 of 19 en hij vroeg zich af of ze eigenlijk wel in staat waren om op eigen benen te staan. De werkstukken die ze hem indienden bevreemdden hem omdat ze tegelijkertijd ontzettend naïef en toch doorspekt van angst waren. Hij besefte wel dat zijn verblijf in Congo daar voor iets tussen zat, maar hij bleef zich ergeren aan wissewasjes waarmee ze hem bleven lastig vallen.

Op momenten dat het hem allemaal te veel werd, dan kon hij stoom aflaten bij Dirk. Zoals die ene keer dat een student hem e-mailde en afsloot met het woordje ‘toedels’.

– Dirk, van mij moeten ze niet professor tegen mij zeggen hé, maar toedels? Toedels? Waar slaat dat in hemelsnaam op?

– Ach, kerel. Zet je daar toch over. Wat drink je nog?

Zo kabbelde zijn leven verder. Hij gaf les aan studenten die hij niet begreep, hij ging lopen rond de Watersportbaan in een ijdele poging het verouderingsproces te stoppen. Of minstens te vertragen. Hij las boeken, sloot zich aan bij een schaakclub. Af en toe op café of een concert van een of andere rockgroep. Het leven van de ouder wordende en progressieve intellectueel, quoi.

Wat vrouwen betreft, dat kwam en dat ging. Hij ontmoette ergens iemand, en dat ging een paar weken goed. Er werden diepzinnige gesprekken gevoerd, museums bezocht, etentjes getrakteerd. Daarna sloeg de verveling toe en probeerde hij zo elegant mogelijk afstand te nemen. Een enkele keer legde hij het aan met een vrouw die getrouwd was in de hoop dat dat het onvermijdelijke afscheid makkelijker zou maken. Dat was – zo leerde hij tot zijn scha en schandede – niet het geval.

Op sentimentele momenten miste hij Congo, maar hij werd erg bedreven in het vermijden van die sentimentele momenten. Het was niet alsof hij veel aandenkens had, en Dirk had ondertussen al zijn verhalen wel een paar keer gehoord. Dus praatten ze over zaken die er nu toe deden: de politieke carrière van Dirk en de fratsen die die daarbij kwamen kijken. De wankele staat van de economie, de stem van Carla Bruni, de prijzen van de drankbons op festivals, de vraag of Cies zou deelnemen aan een halve marathon.

– Allez, jong, Cies. Een halve marathon lopen is dat een nieuwe manier om te bekennen dat je een midlifecrisis hebt? Vroeger kochten de venten tenminste nog een Harley Davidson op die leeftijd.

– Lach maar. Je zou beter zelf eens wat sport doen, je kunt het gebruiken.

Kwam zijn Afrikaanse vaderland nog eens in het nieuws, meestal met tijdingen van ellende en rampspoed, dan leek het alsof de kamer waarin hij zich toevallig bevond vulde met de warme geuren van Butembo. ’s Nachts werd hij overvallen door vreemde dromen over kindheksen die hem op de hielen zaten, blanke babies die hij in veiligheid moest brengen en venijnige serpenten met vrouwenkoppen die hem van alles toesisten. Het eindigde er altijd mee dat hij als opgejaagd wild op de loop moest voor iets onnoemelijks en uiteindelijk zichzelf wakker riep in bed. De dagen nadien liep hij nog wat nerveus rond, maar ook die onrust ebde uiteindelijk weg.

Vorig jaar was Dirk dan plots overleden. Een hartaanval, het gevolg van erfelijke aanleg en een beroepsleven dat gevuld werd met vette hapjes tijdens recepties, walking diners en goedkope belegde vergaderbroodjes. Hij slikte pillen tegen de hoge bloeddruk, cholesterolremmers en elk jaar werd hij door zijn dokter streng toegesproken. Hij moest dringend gezonder leven, want het zou anders slecht aflopen en moest niet denken dat hij onsterfelijk was. Dirk deed dan een week of twee zijn best om op zijn voeding te letten en minder te drinken. Maar voor hij het wist werd hij weer ingehaald door de routine van een pintje hier en een steak met Béarnaise daar. Tot die ene zondag in februari van 2014. ’s Morgens had hij geklaagd tegen zijn vrouw dat hij zich niet goed voelde, een virus wellicht. Een paar uur later lag hij lijkblijk te creperen in zijn bed en tegen dat de toegesnelde MUG ter plaatse kwam was het voor hem al over and out voor geweest.

Dat was nog wat magere troost geweest, dat zijn maat niet lang had moeten afzien, alhoewel zo’n hartaanval natuurlijk geen pretje moet geweest zijn. Op de begrafenis was hij één van de velen geweest die afscheid kwamen nemen terwijl hij eigenlijk behoefte had gehad aan een meer intieme laatste adieu. In plaats van aan te schuiven voor de koffietafel zoals hem was gevraagd had hij zich aan de toog geplaceerd van het eerste, het beste café dat hij kon vinden en was er in sneltempo Westmalles beginnen zuipen. De cafébaas zag zich uiteindelijk genoodzaakt om Cies’ vlam van het moment op te bellen om hem te komen halen. Enfin, aan de genante scène die zich toen in haar appartement had afgespeeld dacht hij liever niet meer terug.

De onverwachte dood van zijn zowat enige vriend was een mokerslag geweest waar hij nog altijd niet van was bekomen. Hij voelde zich alleen, afgesloten van de wereld. Zijn ouders waren gestorven en veel contact met de rest van de familie – voor zover die er was – had hij niet echt. Met zijn collega’s had hij weinig aansluiting, hij voelde er niet veel voor zich in te laten met activiteiten die er op gericht waren het groepsgevoel te verdiepen en beperkte zich liever tot het geven van zijn lessen. Hier en daar had hij wel wat kennissen waar hij een avond mee op café kon doorbrengen, maar uiteindelijk versterkte zo’n non-gesprek enkel zijn gevoel van eenzaamheid.

Steeds vaker betrapte hij zichzelf er op dat hij een hele avond in zijn woonkamer voor zich uit had zitten staren, een glas whisky in de hand waarmee hij die krop in zijn keel ook deze keer niet weggespoeld kreeg.

alone

(Nvdr: dit is het 8de deel van een kortverhaal. Vorige delen vind je hier: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7)

Docent

En zo begon Cies aan zijn eerste jaar als docent in de opleiding journalistiek. Onderzoekstechnieken was het vak waarvan hij verondersteld werd zijn studenten één en ander bij te brengen. De eerste keer dat hij de horde studenten de aula zag binnendruppelen schrok hij. Ze waren zo … jong. De jongens hadden stuk voor stuk hetzelfde vreemde kapsel en de meisjes zwiepten met hun lange, gladde haren. Hij werd danig uit zijn lood geslagen bij het aanschouwen van zoveel jeugdige onschuld en grote ogen vol verwachting.

In een gesprek later met Dirk vroeg hij zich af waarom die richting zoveel succes kende.

– Was dat in onze tijd zelfs wel een richting? Wij studeerden gewoon iets zoals sociologie of politicologie. Of economie, voor mijn part. En op het einde van rit deed je er nog een extra jaar communicatiewetenschappen of zelfs dat niet.

– Ja, Cies, ja, ik weet het wel, maar de tijden zijn veranderd jongen. Hoeveel keer moet ik je dat eigenlijk nog zeggen?

– Ik weet het, bromde Cies terug. Maar toch. Wist je dat je je bij ons een specialisatie kunt doen als lifestyle journalist? Ik zweer het je, toen een van die studenten bloedserieus tegen mij vertelde ben ik in lachen uitgebarsten. Advertentietekstjes schrijven voor parfums of lelijke meubels. Vroeger vroeg je je af wat je verkeerd had gedaan als je zo’n opdracht kreeg van je hoofdredacteur, tegenwoordig zetten ze dat als titel op hun visitekaartje.

Hij was geen slechte lesgever, verre van zelfs. Zijn liefde voor het vak dat hij zoveel jaar geleden de rug had moeten toekeren vlamde weer op. Hij was gedreven en legde de lat hoog. De eerste keer dat hij een opdracht verbeterde bedeelde hij drie vierde van de werkstukken met een 2 of een 3 op 20. Hij was oprecht geschrokken van het infantiele taalgebruik, de povere spelling en het gebrek aan inzicht van de werkstukken die hij had binnengekregen. Het daaropvolgende lesuur trakteerde hij zijn studentenpubliek op een donderpreek waar ze niet goed van waren. Op het einde van de les schuifelden ze als geslagen honden de deur uit.

Een paar dagen later kreeg hij het verzoek om langs te lopen bij de opleidingsdirecteur. Toen hij zich meldde, zoals gevraagd rond het middaguur, begroette ze hem hartelijk.

– Ha, mijnheer Laforce, kom binnen. Ik heb u gevraagd om eens langs te komen zodat wij elkaar eens wat beter kunnen leren kennen. Ik heb u dan wel ontmoet tijdens de selectie, maar het begin van het academiejaar is altijd zo druk, dus ik heb eigenlijk nog geen tijd gehad om eens met u te praten. Ik stel voor dat we samen een hapje gaan eten? Puur professioneel, natuurlijk.

Zonder zijn antwoord af te wachten greep Carine Deduytsche haar mantel en ging hem voor.

– Wat krijgen we nu? dacht Cies, en ging haar achterna.

Ze had een ietwat prijzige brasserie uitgekozen waar er geëxperimenteerd werd met schuimpjes en slow cooking. Niet direct zijn ding, maar hij ging ervan uit dat het op kosten van de school was, dus hij kon er evengoed van genieten. Bovendien was het niet al te druk, zodat ze rustig konden bijpraten.

– Zo, zei ze, toen ze twee keer het lunchmenu had besteld. Vertel eens, hoe stel je het bij ons?

– Tja, wat moet ik zeggen? Het is nog allemaal vrij nieuw voor me, maar ik doe het wel graag.

– En je studenten? Hoe bevallen die je?

Achteraf bekeken had hij toen al nattigheid moeten voelen, maar dat deed hij dus niet. Achteloos ontstak hij in een klaagzang waarin hij zich beklaagde over het niveau van de leerlingen. Ze kenden het verschil niet eens tussen de Kamer en de Senaat, ze wisten niet wie Hugo Claus was. Toen hij hen had opgedragen om tegen volgende week allemaal Het Verdriet van België gelezen te hebben vroeg er een meisje ‘of ze dat moesten kennen voor het examen?’. Een andere student had hem een briefje onder de neus geschoven met de mededeling dat hij dyslectisch was en aangepast cursusmateriaal behoefde.

Carine knikte tijdens zijn relaas begrijpend, liet op de juiste momenten een instemmend ‘uhu’ vallen. Toen legde ze haar bestek neer, nam een slok water, schraapte haar keel en keek hem streng aan.

– Cies, zo begon ze, Ik mag toch Cies zeggen hé? Ik ga open kaart spelen. Ik weet wie je bent, zei ze nadrukkelijk.

Cies wist zo gauw niet wat zeggen, en staarde haar ongemakkelijk aan.

– Ik bedoel, zo vervolgde ze, dat ik weet wie je bent. Ik ben nog kabinetsmedewerker geweest bij Dirk. Niet dat hij heeft geklikt hé, maar ik ben slim genoeg om van twee en twee zelf vier te kunnen maken. En eerlijk? Ik snap wat je wil zeggen als je je beklag doet over die gasten, maar je zult je toch moeten aanpassen.

– Hoezo dan? Het klopt toch wat ik zeg? Hoe krijg ik die gasten ooit klaargestoomd als goeie journalist? Minstens de helft en waarschijnlijk drie kwart heeft geen enkele aanleg voor het vak. Het is me een compleet raadsel waarom ze daar zitten.

– Aaah, maar dat zal ik je eens haarfijn uit de doeken. Het overgrote deel van die jongens of meisjes zal ook helemaal nooit in de journalistiek terecht komen. In het begin van hun loopbaan zullen ze zich van het ene luizenbaantje naar het andere worstelen. Ze zullen receptionist worden, of verkoper van gebakken lucht, loketbediende. Hier en daar zal er eentje zo slim zijn om de veiligheid van de ambtenarij op te zoeken. En de weinigen die ergens een felbegeerd en onderbetaald postje in de wacht te slepen in de media zullen na een aantal jaren uitgeblust zijn. En dan zullen ze vervangen worden door de volgende lichting jonge honden die staan te trappelen om veel te hard te werken in ruil voor een aalmoes.

Hij verslikte zich bijna in zijn geflambeerde bietjes met mosselmousse. Dat feitelijke toontje waarmee ze een ontegensprekelijke stand van zaken gaf, haar glimlach, de manier waarop ze haar hoofd schuin hield.

– Weet je nog vroeger? Toen al die missen ‘iets in de media wilden doen’? Wel, die dwaze droom is overgeslagen op een hele generatie die voortdurend heeft te horen gekregen dat hun mening belangrijk is. Ze geloven het echt, dat ze iets wezenlijk te zeggen hebben.

– Maar dat betekent toch nog niet dat ik daarom moet doen alsof ze de volgende Johan Anthierens zijn of zo? Als ze het niet kunnen, dan kunnen ze het niet. Dat ze dan iets anders gaan studeren, ze overleven die teleurstelling echt wel hoor.

– Ik moet vooral vermijden dat er op het einde van dit academiejaar tientallen studenten procedures opstarten om hun examenresultaten aan te vechten.

Terwijl Cies het bloed uit zijn gezicht voelde wegtrekken en lichtjes misselijk werd ging zij door over de school als kenniscentrum, inclusiviteit, subsidies, het gevecht dat ze moest voeren met andere scholen voor leerlingen. Targets, groeicijfers en bonussen.

Op het einde van de maaltijd legde hij zijn servet op tafel. Of misschien gooide hij zijn handdoek in de ring.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 3.336 andere volgers