Soms voel ik mij het stervormige blokje uit een hamertje tik spel, dat een onhandige kleuter in het vakje probeert te rammen waar enkel dat cilindertje in past. Misplaatst. Ongemakkelijk. Ik voer een gesprek met de huisbazin die onverwacht toekomt en zand knarst in het raderwerk van mijn hersenen. Een moeizame zin, dan stilte. ‘Hmmm’, zegt ze. ‘Ja’, zeg ik. Dan beiden terzelfdertijd beginnen babbelen. Stoppen en dan even wachten om de ander tijd te geven te hernemen. Dan nog eens op hetzelfde moment allebei starten. ‘Zeg maar’. ‘Nee, zeg jij maar’.
Mijn collega voert me naar het station. Dat is vriendelijk, al moet ze nauwelijks omrijden. De hele dag werken we samen in één ruimte, we spreken nauwelijks. Ik overloop haar planning, leg iets uit. Over de middag, in de refter, kletst ze honderduit met die van boven. Een kwartier voor we met de auto vertrekken bedenk ik een vraag. Iets over haar man, of haar gezondheid. Informeer naar haar plannen voor het weekend. De rit duurt 8 minuten.
De kunst van het achteloos converseren, ik wou dat ik die onder de knie had. Moeiteloos gemeenplaatsen uitwisselen over het weer, de kinderen, sport, het werk of de vakantie die je hebt gehad. Ik blijf het blokje in de vorm van een ster bij de bakker en de beenhouwer. Waarom benader ik alles met het serieux van een zwaarlijvige non? Waarom moet ik altijd de positie van de antagonist innemen, met meer ijver dan een naarstige zeloot?
Deze week was migraineweek. Sinds enkele maanden heb ik daar 1 maal per maand last van. Het is cyclisch, ja. Hormonaal, zo je wil. De ironie ontgaat me niet. U evenmin, heb ik de indruk. Op een enkele dag na blijf ik functioneren, al ben ik ‘s avonds doodmoe door me naast de hoofdpijn te concentreren. Ik weet het, de pijn is mild. Ik heb migraine binnen de perken, hoef me niet verschuilen voor licht en geur. De wapens die ik kreeg van mijn huisdokter: Ibuprofen en sterke koffie. En de geruststelling dat deze veranderingen normaal zijn, en te maken hebben met de leeftijd.









