Laat het over aan de specialisten.
Gisteren op Twitter de sneer: ‘Al een geluk dat ik geen kinderen heb, want ik zou nieuwe visitekaartjes moeten drukken waarop staat ‘onderwijsspecialist‘.
Want ja, ouders met schoolgaande kinderen zijn per definitie geen specialisten en kunnen uiteraard niets zinvol bijdragen aan het debat dat niet toevallig vlak voor de grote vakantie is losgebarsten. Jean-Jacques Rousseau maakte in de 18de eeuw naam en faam als pedagoog, maar liet zijn 5 kinderen te vondeling leggen. De kinderen van Dr. Spock die in de jaren 40 en 50 furore maakte als opvoedingsdeskundige liet 2 getraumatiseerde kinderen achter.
Versta me niet verkeerd, ik heb niets tegen deskundigen en theoretische modellen. Maar er is dikwijls een groot verschil tussen de theorie en de praktijk. En ook: waarom worden in dit debat twee van de belangrijkste betrokkenen, namelijk de scholieren en hun ouders, grofweg genegeerd?
Waarschijnlijk omdat ouders de laatste paar jaar vooral gezien worden als lastpakken. Dat moeit zich maar met de scholing van hun kroost, dat durft al eens kritische vragen stellen op een oudercontact over gehanteerde studiemethodes en vraagt al eens aan het lerarenkorps een motivatie rond een bepaalde beslissing.
Ouders zijn natuurlijk ook maar ervaringsdeskundigen die bezorgd zijn over de schoolse toekomst van hun kind(eren), dus daar hoeven we geen rekening mee te houden op het moment dat er hervormingen aangekondigd worden. We rammen hen dat wel door de strot. Slikken moeten ze toch.
Drop outs.
Dé reden die een hervorming blijkbaar noodzakelijk maakt is de sociale ongelijkheid die er voor zorgt dat kinderen uit ‘lagere’ sociale klassen minder doorstromen naar het ASO en van daar naar het hoger onderwijs. En 20% van de jongeren verlaat het onderwijs zonder diploma of getuigschrift. Jongens van allochtone afkomst vormen in die groep de hoofdbrok. En het is de evidentie zelve dat die ‘brede eerste graad’ het onbetwiste wondermiddel is. Want ja, dat hebben specialisten en topambtenaren uitgevogeld.
En wie zich vragen stelt bij die hervormingsplannen, dat moet wel een elitaire & conservatieve egoïst zijn die die arme arbeiderskindertjes wil beletten om het elitaire bastion van het ASO binnen te dringen.
Het is maar een simpele vaststelling dat in dit land het overgrote deel van de mannelijke allochtonen niet of maar zeer moeizaam aan een job geraakt. En voor een deel speelt het lage opleidingsniveau een rol, maar waarom zou een jonge Marokkaan zich de moeite troosten om zijn best te doen op school als hij weet dat het structurele racisme in onze maatschappij hem toch zal beletten om werk te vinden? (Feryn Poorten - onze klanten willen geen buitenlanders over de vloer, Adecco – als u geen migranten op de werkvloer wil, dan gaan wij volledig mee in uw verhaal, etc etc).
Hoe, in hemelsnaam, hou je zo iemand gemotiveerd op de schoolbanken als werkloosheid afgewisseld met hier en daar een onderbetaald kutjobje het enige vooruitzicht is? Om het heel cynisch te stellen: waarom zou je investeren in de opleiding van jonge allochtonen als we het als maatschappij vertikken om die groep ook daadwerkelijk aan het werk te zetten?
Oplapwerk.
Kan het zijn dat die structurele hervorming van de eerste graad gebruikt wordt om problemen aan te pakken die veel verder gaan dan louter onderwijs? Dat goed en degelijk onderwijs een speerpunt kan zijn in het verhogen van sociale mobiliteit en de instroom van talent naar het hoger en voortgezet onderwijs, dat lijdt geen twijfel. Maar doen alsof het onderwijs als enige daar een rol in te spelen heeft, is vals.
En nog eens iets: ik ken de cijfers niet, maar ik heb zo het gevoel dat het eigenlijk met onze sociale mobiliteit over het algemeen nogal meevalt. De meeste mensen van mijn leeftijdsgenoten en hun ouders zijn er een product van. Onze premier is een arbeiderskind. En hij is geen uitzondering.
Differentiatie.
Het toverwoord in de discussie is blijkbaar ‘differentiatie’. We moeten streven naar ‘gedifferentieerd onderwijs’. Dat betekent dat de onderwijsmethodieken aangepast worden aan de verschillende leerlingen in functie van de te behalen leerdoelstellingen. Op zich kun je daar niet tegen zijn. Eenzelfde vaardigheid of kennis zal op verschillende manieren en op een aangepast overgebracht en aangeleerd worden zodat alle kinderen zich die kennis of vaardigheid kunnen eigen maken.
Maar er zijn ook grenzen aan dat systeem. En ik heb het gevoel dat men veel te krampachtig wil doen alsof elk kind met dezelfde intelligentie behept is, zich dezelfde vaardigheden kan eigen maken en in dezelfde dingen geïnteresseerd is. Maar dat is toch niet zo?
Differentiatie wordt dan een middel om kinderen die wezenlijk verschillende vaardigheden, interesses en intelligentie hebben toch maar samen te onderwijzen. Ik geloof echt niet dat ook maar iemand daar bij gebaat is.
Brede eerste graad.
Ik merkte in het begin van de week al op: eigenlijk bestaat er al een brede eerste graad. Er zijn leerlingen die uit het 6de leerjaar naar een beroepsvoorbereidend jaar doorverwezen worden, als voorbereiding op een verdere schoolcarrière in het BSO. Dat gebeurt meestal niet toevallig. Bovendien zijn ouders niet gebonden aan adviezen van het CLB. Uiteindelijk steek je je kind nog altijd waar jij het wil.
Stuur je je zoon of dochter naar een eerste jaar ASO, dan krijgen die grotendeels dezelfde lessen en zijn ze onderworpen aan ongeveer dezelfde eindtermen. Er is een verschil van 4 lesuren, die ingevuld worden door Latijn, Wetenschappen/Economie (de zogenaamde ‘moderne’) en Techniek. En het struikelblok zou nu zijn dat iemand die in het eerste jaar voor techniek kiest in het tweede jaar niet meer kan overschakelen naar Latijn? No shit Sherlock.
Plus est en vous.
Op facebook zag ik gisteren een dame met grote stelligheid beweren dat onderwijs moet gaan over ‘weten’ en niet meer over ‘kennen’. En dan heb ik nog het discours gemist van die Jef Staes in De Ochtend die blijkbaar ten stelligste beweerde dat we geen diploma’s meer moeten uitreiken, maar studenten moeten coachen op hun ‘talenten’.
Kinderen intellectueel uitdagen, ze dingen van buiten laten leren en ze af en toe op de toppen van hun tenen laten lopen, dat zijn vieze woorden geworden.
Hoe ga je een taal leren als je wel ‘weet’ dat er onregelmatige werkwoorden zijn, maar je die niet meer moet ‘kennen’? Waarom wordt er in het lager onderwijs gesproken over ‘doe-woorden’ wanneer men het over ‘werkwoorden’ heeft?
Ik las onlangs nog een artikel in The New Yorker: Spoiled Rotten. Blijkbaar hebben wij zo weinig vertrouwen in de capaciteiten van onze kinderen dat we ze willen behoeden voor elke inspanning en voor elke frustratie, dat we de lat steeds lager leggen. Ik deel dat gevoel. Heimwee naar drilregimes en de tirannie van de schoolmeester of juf heb ik niet. Maar ik voel me zo langzamerhand wel een buitenbeentje als ik luidop durf beweren dat ik van mijn dochter verwacht dat ze goed presteert op school. Dat ik wil dat ze haar vocabularium en haar verbuigingen van buiten kent. Binnenkort krijg ik de kinderbescherming over de vloer omdat ik zeg dat 66% voor een bepaald vak nog altijd 4% weg is van de na te streven 70%.

