Feeds:
Berichten
Reacties

Archief voor de ‘Literatuur’ Categorie

Wie is er bang van autoriteit?

Een tijdje terug ben ik zoals u hier kunt lezen naar de film geweest. Voor die begon gaf Patrick Duynslaegher een inleiding, situeerde de thematiek van de film binnen het algemene oeuvre van de auteur en wees op een aantal elementen waar men op zou kunnen letten, zoals de tegenstellingen tussen licht en donker of de camera die gebruikt werd. Zo’n duiding voor je begint aan film beïnvloedt natuurlijk de manier waarop je kijkt.

Duynslaegher een filmkenner noemen is een understatement. Sinds vorig jaar heeft hij het hoofdredacteurschap van Knack Focus ingeleverd om directeur te spelen van het Filmfestival Gent. De man is in zijn vakgebied een autoriteit, zelfs al heeft hij nooit zelf een film geregisseerd. Als Patrick (ik mag toch Patrick zeggen hé, Mijnheer Duynslaegher?) zegt dat ‘Des Filles en Noir’ een meesterlijke film is, dan gaan mijn oortjes flapperen en wil ik die film zien. Niet omdat ik dan plotseling mijn hele kritische ingesteldheid overboord heb gegooid, maar omdat ik weet dat Patrick enorm veel ervaring heeft in het bekijken en beoordelen van films. De kans is dus erg groot, dat als ik naar een film ga kijken die door Duynslaegher wordt aanbevolen, ik dat op zijn minst een interessante film zal vinden. Achteraf zal ik wel zien in welke mate ik het met hem eens ben, of niet.

Daar waar er vroeger waarschijnlijk veel te veel belang werd gehecht aan de autoriteit van critici, leraren of andere mensen in een soort gezagsfunctie zal wel kloppen. Maar op dit moment lijkt me de slinger een beetje te veel doorgeslaan naar de andere kant. Driftig wordt in elk argument naar het aspect ‘autoriteit’ gezocht, om het op die basis dan te kunnen afwijzen. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de discussie op de blog van Jan Pollet, die je hier kunt lezen.

Subjectieve appreciatie. 

Of het nu over film, literatuur, muziek, beeldende kunsten of weet ik veel welke kunstvorm jouw voorkeur wegdraagt: laat je in de eerste plaats leiden door wat je graag leest, hoort of ziet. Vind je ‘Oorlog en Vrede’ van Tolstoi saai en langdradig? Smijt het boek weg, zet het ergens in een boekenkast in een donkere kelder en kijk er nooit meer naar om voor mijn part. Je kunt het ook naar de Kringloopwinkel brengen of het op een zomerse middag achterlaten op een bankje in het park, zodat iemand anders er ook nog iets aan heeft.

Ik zal je geen minder mens vinden omdat je enkel luistert naar Frans Bauer en je Russische freejazz uit Moermansk maar niets vindt. Nu ja, dat is misschien wat overdreven: ik ken eigenlijk geen mensen die hevig fan zijn van Bauer, en ik zou het waarschijnlijk wel bevreemdend vinden om die plots in mijn vriendenkring aan te treffen. Maar serieus: als Frans je blij maakt, dan ben ik – echt waar – blij voor jou.

Appreciatie hangt ook af van associaties: een ‘gedicht’ dat speciaal voor jou werd geschreven door een lief met literaire ambities kun je mooi vinden ook al trekt het objectief gezien nergens op.

Objectieve criteria. 

Wie heeft in zijn jonge jaren niet gewenst dat hij een leraar had zoals Robin Williams er één neerzet in Dead Poet’s Society? Het gaat in tegen ons instinct en ons buikgevoel om kunst ‘punten’ te geven of te beoordelen volgens criteria die net iets objectiever zijn dan ‘ik vind dat mooi/schoon/leuk’. Versta me niet verkeerd, ik wil bijlange na niet aan de slag met X- en Y-assen, zoals in het fragment hé. Wat Williams doet in Dead Poets Society lijkt me trouwens de juiste weg te zijn: eerst die jongeheren de magie van poëzie laten ontdekken, zonder meer. En ze daarna laten nadenken over waarom ze dat mooi vinden. Zonder twijfel komen ze dan uit bij zaken zoals rijm, metrum, thema, beeldspraak, symboliek, ….

Objectief + subjectief.

De combinatie van objectieve factoren en subjectieve appreciatie maakt de weg vrij voor inhoudelijke discussies die het niveau van ‘ik vind dat mooi’ versus ‘ik vind dat lelijk’ overstijgen. Misschien gebeurt het zelfs dat je je appreciatie gaat bijstellen, of dat je een boek nog eens gaat lezen op zoek naar betekenislagen die je voorheen ontsnapten.

Het introduceren van een aantal objectieve criteria leidt volgens mij ook een verhoogd begrip en diepere inzichten. Al was het maar omdat je begint na te denken over beeldspraak, symboliek, kleur, personages … Wie blijft steken in de mooi-lelijk dichotomie die maakt het zichzelf wel erg makkelijk.

Autoriteit.

Wie begint met sporten, die zal zich eerst informeren: welke schoenen koop ik het best, wat moet ik eten of drinken om beter te presteren, welke route volg ik het best? Ook kunst in al zijn vormen appreciëren is een leerproces. Men evolueert, stelt de eigen smaak bij, gaat op zoek naar nieuwe dingen.

Dat er af en toe van ‘autoriteit’ gebruik gemaakt wordt, lijkt me niet meer dan normaal. Hoe anders dan door ‘autoriteit’ zal de gemiddelde 17-jarige anders ooit pakweg Couperus ontdekken en eventueel leren smaken?

Read Full Post »

Het zal de meeste normale mensen een beetje ontgaan zijn, maar er woedt de laatste weken een verwoed debat onder dichters op het internet. Enfin, debat …

Eigenlijk is het vooral een partijtje ouderwets scheldwoordslingeren voor geletterden. Ook de literaire klasse wil zijn brood & spelen, en kijkt verkneukeld toe hoe de antagonisten elkaar als gladiatoren bekampen in de arena. De enige regel is dat er geen regels zijn: er wordt onder de gordel geslagen en de ene speler probeert de andere tot een Zidane-achtige kopstoot te verleiden door voortdurend te sissen ‘uw moeder is een hoer’.

Wie dacht dat poëten keurige mensen waren met respect voor elkaar en het métier, die is er aan voor de moeite. Wie graag wil delen in de pret: neem een kijkje op de websites van Ann De Craemer, Alphavillle en De Contrabas.

De inzet van de euhm, geanimeerde discussie is de vraag waarom poëzie niet of niet meer verkoopt. Wie het weet, die mag het zeggen.

Ik heb aan heel veel dingen een milde tot een meer uitgesproken hekel, maar slechte poëzie, dat werkt bij mij als een rode lap op een stier. En, voorwaar ik zeg het u! (opgeheven wijsvinger & priemende blik!): op internet wemelt het werkelijk van onstellend slechte poëzie. Ik word daar dus echt agressief van en die woede werk ik dan weer uit op onschuldige mensen in mijn omgeving die daar door getraumatiseerd zijn. ‘k Zweer het u maat, poëzie van ondermaatse kwaliteit is slecht voor mijn gezondheid. En weer zijn het de dilettanten (zie ook mijn vorige stukje) die de grote schuldigen zijn.

Eenvoud is bedrieglijk.

Poëzie heeft een imagoprobleem. Omdat de meeste gedichten vrij kort zijn en door de letterzetting betrekkelijk weinig woorden bevatten lijkt het ontzettend makkelijk. Je prutst wat zinnen in elkaar, je gebruikt je entertoets iets vaker dan je normaal zou doen en hop! daar staat een gedicht. Of zo denkt men er toch over, gezien het grote aantal gedrochten ik overal onder de ogen krijg. Als je dan aan zo’n bricoleur vraagt wie zijn lievelingsdichter is, en welke poëzie hij al allemaal zelf heeft gelezen, dan volgt er meestal zo’n genante stilte. Hobby-poëten, die lezen zelf geen andere gedichten, wat nochtans een conditio sine qua non is om goede poëzie te kunnen schrijven. De schrijver leest, zo simpel is het.

Kijk eens naar mijn navel!

Ann De Craemer beweert in haar column die het vuur aan de lont stak, dat poëzie een deel van haar relevantie is verloren omdat ze zich vooral focust op het innerlijke leven van de schrijvers ervan (ik parafraseer). Ik ben het daar in grote lijnen mee eens. Misschien dat het voor aanstormende jonge generaties terug verandert, maar voor de bezadigde baasjes van generatie X is engagement een redelijk vies woord. Men zoekt dus naar universaliteit binnen het scala van de eigen emotionele beleving. Daar is niets mis mee, en op zich leent poëzie zich daar uitstekend toe, maar het gevaar bestaat dat de zoveelste variatie op hetzelfde thema op een bepaald moment een beetje afgezaagd begint te klinken.

Red Deer foto's
Deze foto van Red Deer is beschikbaar gesteld door TripAdvisor

 

De allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, dat is waar poëzie op dit moment vooral voor dient. Geen wonder dus, dat in tijden waarin de individualiteit hoogtij viert, men niet meer het gevoel heeft dat zelfs een kort gedicht hard werken is. Dat het wortels moet hebben in wat voorbij is, of dat het anders totaal moet breken met elke mogelijke andere stijl. Het gaat immers om MIJN GEVOEL, mevrouwtje. En als ik het zo voel, dan is het ook juist en goed, niet waar?

Niet dus.

Een goed gedicht. 

Een goed gedicht steunt in de eerste plaats op de peilers: ritme & metrum (en daar gebruikt de dichter technieken voor zoals alliteraties, herhalingen, binnenrijmen, ….) en de treffende en/of verrassende metaforen en symbolen. Goede poëzie probeert zich te onttrekken aan de letterlijkheid van beschrijvend proza. Men zoekt naar meerdere betekenislagen.

En nogmaals: of je een gedicht dat aan bovenstaande kenmerken voldoet, apprecieert of niet, dat is persoonlijk en subjectief. En ja, als je lief je een melig gedichtje stuurt om te zeggen dat hij je graag ziet, dan mag je gerust smelten. Maar doe het alstublieft in stilte, en houd die onzin alstublieft van mijn internet.

Read Full Post »

Boek.

Ineens was het weg. Mijn bloeddruk zakte, mijn goesting stuikte ineen, de inspiratie was plots weg. Ik probeerde nog op de tanden te bijten en ondanks magistrale hoofdpijn toch iets te forceren. Het werd niets natuurlijk. Ik verweet mezelf een gebrek aan doorzettingsvermogen. Een beetje wanhopig zocht ik naar een klein restje discipline in mij en toen ik dat niet vond lonkte een vieze, vuile depressie.

Er waren wat bad vibes op het werk, de omstandigheden waren me niet gunstig gezind. Mijn baas liep geïrriteerd rond, ik werd er zenuwachtig van. Niets gebeurde van wat moest gebeuren, en daar werd ik natuurlijk op aangesproken. Nu ja, dat was ook meer voor de vorm, omdat le boss wel wist dat hij zelf eigenlijk een onderdeel van het probleem vormde. Hij slaat en hij zalft. Het is bijna een wetmatigheid geworden: eerst geeft hij mij onder mijn voeten voor één of andere onbenullige reden, de volgende dag kan hij het niet laten om mij per mail een compliment te geven. ‘Goed bezig’ is daarbij de meest voorkomende term.

De zomer was net begonnen, de regen viel met bakken uit de hemel. Meestal haal ik mijn schouders op wanneer andere mensen klagen over het weer. Ik vind het futiel, je kunt er toch niets aan doen. Maar het was te veel. Werd ik ‘s nachts wakker, dan hoorde ik hoe de druppels zich op het plastiek afdak stortten. Ik stond ‘s morgens in de file, veroorzaakt door een combinatie van teveel regen, slechte automobilisten en wegenwerken. Ik moest met de auto naar de yoga, omdat ik er anders druipnat zou toekomen. Serieus, ik kan er niet meer tegen. Ik kan geen regen meer zien of horen.

Mijn huis verkommerde, omdat ik niet veel anders deed dan mijn tijd verknoeien aan de computer, terwijl ik te veel wijn dronk en te veel sigaretten rookte. Ik rationaliseerde, ik analyseerde en ik sloot mezelf af voor alles en iedereen. Omdat ik wilde schrijven, of het op zijn minst wilde proberen. Geen letter heb ik op papier (enfin, papier, …) gekregen.

En toen klaarde alles op. Ik kan me bijna nog het exacte moment herinneren, het was alsof het doek openging, de zon door de wolken brak, de rook om mijn hoofd verdween. Zomaar en zonder reden of oorzaak die ik me kan herinneren. Ik zal mij daar bij moeten neerleggen, vrees ik, bij die stemmingswisselingen die uit het niets komen en me helemaal overmeesteren. (Het klinkt trouwens allemaal erger dan het is, luitjes. Geen paniek. Ik ben niet aan de pillen, en ik ben ook niet suïcidaal. Het is enkel een doorgedreven vorm van lethargie waar ik me tegen probeer te verzetten en waar ik me schuldig over voel. Het is dan alsof alle creativiteit en inspiratie opgeslokt worden, en dan bevind ik mij plots in de buik van de walvis. Eigenlijk moet ik dan gewoon braaf wachten tot ik weer uitgescheten word, in plaats van er tegen in te willen gaan en dan kwaad op mezelf te worden omdat het niet lukt.)

Soit. Het ziet er weer beter uit, ik heb weer moed en zin. Ik neem de pen weer ter hand (morgen hé!) en schrijf terug stilletjes voort. Het enige waar ik voor vrees is dat jullie allemaal met pensioen zullen zijn tegen dat mijn lang aangekondigde boek eindelijk af is. Maar dan hebben jullie tenminste tijd om het te lezen …

Read Full Post »

De muze lok je met een stukje Coeur de Bray of  pralines van Wittamer.

Nee serieus. Nu het in mijn vriendenkring is doorgedrongen dat ik een boek wil schrijven is het hek een beetje van de dam vrees ik. De mensen doen alsof het boek er al is en beginnen ongeduldig te informeren of het nu nog niet af is. Nee dus. Ik heb op dit moment hoop en al tien pagina’s bijeengeschreven, dus ik heb nog wel wat  een heleboel werk voor de boeg. Ik hoop mijn tempo zeker in de zomer serieus te kunnen opdrijven, want het is natuurlijk niet de bedoeling dat ik er aan blijf prullen tot mijn pensioen. En weet ook dat ik niet bepaald bekend sta om mijn doorzettingsvermogen en de drang om iets netjes af te werken, dus het zal ook een gevecht met mezelf worden. Oh ja, nog een ander detail wordt blijkbaar erg makkelijk over het hoofd gezien: een uitgever. Het is niet omdat ik werk aan een manuscript dat het daarom ook zal uitgegeven worden. Je moet in deze tijden al van goede komaf zijn om een uitgever zo zot te krijgen dat hij tijd en moeite en geld steekt in een project waarvan de uitkomst hoogst onzeker is. In Vlaanderen worden tegenwoordig erg weinig boeken verkocht, en met een paar honderd exemplaren over de toonbank steek je er natuurlijk eerder aan toe dan dat iemand er nog iets aan verdient.

Andere mensen vragen mij ook hoe je daar aan begint, aan zo’n boek schrijven. Eigenlijk ben ik redelijk slecht geplaatst om daarop te antwoorden, aangezien ik nog geen boek heb geschreven maar ik wil wel uitleggen hoe het voor mij werkt.

Ten eerste: wacht niet op het monster ‘inspiratie’ genaamd.

Het is een mythe die nog altijd redelijk goed standhoudt, die zegt dat schrijvers (of andere kunstenaars) rustig op een stoel blijven zitten wachten tot er plots een goddelijke vonk overslaat die ervoor zorgt dat er plots een boek op de plank ligt. Het tegendeel is waar eigenlijk. Alle grote schrijvers (en nee, ik reken mijzelf daar niet bij) beschouw(d)en schrijven als een soort nine-to-five job. Het komt er eigenlijk op neer dat je je ‘s morgens aan je computer zet en begint te schrijven. En dat je een bepaald aantal uren later gewoon terug stopt. Ik geloof dat Claus uitging van twee bruikbare pagina’s per schrijfdag, maar daar kom ik nog niet aan. Het klinkt natuurlijk erg onromantisch, maar ook voor schrijvers geldt het adagium ‘oefening baart kunst’.

Ten tweede: vraag feedback.

Kies zorgvuldig een aantal mensen uit aan wie je af en toe een afgewerkt stuk voorlegt. Het moeten mensen zijn waarvan je weet dat die iets van het vakgebied kennen, maar die er niet op uit zijn om je af te kraken. Ik heb nu toevallig het geluk dat ik in mijn kennissenkring een aantal mensen heb zitten die professionele uitgevers zijn, en die ik af en toe een stukje doorstuur. Soms is het even wachten (die mensen zitten natuurlijk niet te wachten tot er nog eens iemand aan hun mouw komt trekken om hun mening te geven hé), maar tot nu toe heb ik al altijd erg werkbare en gefundeerde kritiek terug gekregen.

Ten derde: ga op een verstandige manier om met kritiek.

Zeker voor iemand die begint te schrijven, is het altijd een beetje zoeken naar een schoon evenwicht tussen het integreren van opbouwende kritiek en opmerkingen aan de ene kant en je eigen stijl behouden langs de andere kant. Vergeet niet dat er altijd een subjectieve kant zit aan de opmerkingen die je terugkrijgt, waarbij men zich deels laat leiden door wat men zelf graag leest. Een vriend van me gaf me de volgende tip over omgaan met kritiek: is er op een bepaalde passage of paragraaf een bepaalde opmerking, dan is het eigenlijk niet de bedoeling dat je die herschrijft enkel volgens de aanmerkingen die geformuleerd werden. Ga integendeel op zoek naar een passage waar men niets over heeft gezegd (of die de ander ronduit goed vond) en herschrijf het mindere gedeelte in dezelfde stijl. Ga dus door middel van de feedback op zoek naar je eigen sterke punten, en blijf in die trend schrijven. Zo behoud je je eigenheid en eigen stijl.

Ten vierde: orde, regelmaat en discipline.

Ik merk van mezelf dat ik niet of erg moeilijk schrijf als ik niet ‘fris’ ben. Dat betekent dat ik in een min of meer gezond bioritme moet zitten. Tegen middernacht naar bed, zodat ik een uur of 8 later min of meer spontaan wakker word. Een avond tot een gat in de nacht op café zitten filosoferen in het gezelschap van wijn of trappist wil in mijn geval zeggen dat ik een schrijfdag moet ‘opofferen’. Alcohol belemmert mijn schrijven ook, dus waar ik vroeger tijdens de lunch al eens een glas wijn durfde drinken, vervang ik dat door thee (tenminste als ik nog wil verder schrijven na de middag). Turbulentie in mijn relationeel of sociaal leven is ook dodelijk, maar het lukt me wel meer en meer om me daarvoor af te sluiten. Geen turbulentie meer ware natuurlijk nog beter, maar ik ben voorzeker dat type niet.

Ten vijfde: vermijd afleiding.

Klinkt logisch natuurlijk, maar ik heb het zelfs niet over de afleiding die het internet met zich meebrengt. Het gaat me meer over het feit dat something’s gotta give. Dat je moet kiezen tussen de trap stofzuigen en vijfhonderd woorden typen. De afwas die zich opstapelt, en de vraag of er wel nog voldoende WC-papier op voorraad is. En hoe lang je op crocque-monsieurs kunt overleven zonder scheurbuik op te lopen. Of mama, wil je nieuwe liedjes op mijn Ipod zetten. Mama, wil je mij eens opvragen? Of mama, wat gaan we eten, want ik heb honger en is er nog iets om te drinken? Ik begin te vermoeden dat de beste plaats ter wereld om te schrijven een suite is in één of ander Hilton met butler-service. Ik dien nu een aanvraag in het Vlaams Fonds der Letteren.

Read Full Post »

Ook wanneer ik een spiegelei eet. Ik vraag me af hoe ik het oranje van de druipende eierdooier kan omschrijven. Een banale vergelijking met de zon dringt zich op, maar wordt verticaal geklasseerd wegens te cliché. Op de tram luistervink ik, en probeer de dialogen in mijn brein op te slaan, zodat ik ze later nog eens kan reproduceren. Alles wat hoor, alles wat ik zie, alles wat ik meemaak wordt in mijn hoofd onmiddellijk omgezet in taal, in flarden van zinnen, in goed verwoorde spitsvondigheden. Ik ben de verbale fotograaf. Wat ik in woorden omzet, probeert een muzikant in een lied te vangen. Om een werkelijke artiest, een kunstenaar te zijn heb je niet veel meer nodig dan een goed ontwikkeld observatievermogen, een buitensporige gevoeligheid en tegelijkertijd het doorzettingsvermogen om je blijvend laten raken door de dingen. Verder helpen dwangmatigheid en een ongebreidelde drang naar perfectie. Van al die dingen is de kwetsbaarheid de belangrijkste. Een echte kunstenaar, de werkelijke artiest blijft altijd bereid om zich tot in het diepste van zijn ziel te laten verwonden, omdat hij weet dat uit deze kwetsuren de mooiste creaties ontstaan. Dat is de werkelijke opoffering van wie kunst maakt. De vastbeslotenheid om op je bek te gaan, keer op keer op keer. De wil om door het stof te kruipen, plat op de buik in dienst van de muze, die wrede Meesteres. Niets dat Kunst genoemd kan worden komt tot leven zonder dat iemand heeft geleden, bijna tot gekmakens toe. Wie werkelijke Kunst wil maken, moet zichzelf afvragen of hij bereid is de waanzin te omhelzen die altijd om de hoek loert. Wie zichzelf waarlijk tot het artiestengild wil rekenen, moet volmondig ja willen antwoorden op de vraag of je bereid bent om voor je kunst ten onder te gaan. Al de rest is bijzaak.

Ik hoor vandaag Jan Hautekiet aan Willem Vermandere vragen of hij één of ander debiel TV-programma kent. ‘Nee’, zegt Willem. ‘Doordat ik hele dagen en nachten in mijn atelier zit te kappen, gaat veel van de wereld aan mij voorbij’. Of dat geen ‘gemis’ is, vraagt Hautekiet in alle ernst. Ik lach schamper. Hoe komt een mens op die vraag? Meer nog: hoe durf je zo’n debiele vraag stellen, eigenlijk? De eenzaamheid van nachtelijke uren werken, losgesneden van de wereld is nu eenmaal de opoffering die een beetje kunstenaar graag maakt. Hij zal het zelfs niet als een opoffering zien, eerder als een verlossing. Wie TV verkiest of nodig heeft is nu eenmaal geen artiest in de werkelijke zin van het woord. TV, mijnheer Hautekiet, is futiel en banaal.

Onlangs een onwezenlijke discussie op facebook. Dat het nu maar eens gedaan moet zijn met kleine kunstenaartjes of zij die daarvoor willen doorgaan te subsidiëren. Dat zij daar wel voor gaan werken hoor. En belastingen betalen, godbetert! En waarvoor? Om dat rapaille dat zichzelf artiest noemt te steunen, terwijl dat nacht na nacht aan de boemel gaat op zoek naar iets om over te schrijven, een gitaarrif of een beeld dat blijft hangen op het netvlies dat ze dan kunnen reproduceren. En dat zij ook wel eens zullen zeggen dat ze een dikke sportwagen nodig hebben, omdat dat Kunst is. Ha!
Dan wordt het economische argument aangehaald: dat ook die Kunstenaars en Artiesten onderworpen zijn aan de principes van de Heilige Vrije Markt. Dat ze publiek moeten zoeken en er maar voor moeten zorgen dat ze hun kunst of wat ze kunst noemen verkocht krijgen, zodat ze zichzelf kunnen onderhouden en de gemeenschap dat niet meer moet doen. En dat in een land waar een bestsellerauteur met moeite 10.000 exemplaren verkocht krijgt. Herman Brusselmans verkoopt geloof ik een boek of 30.000. De meeste boeken van Vlaamse auteurs worden gedrukt op 1.500 exemplaren, waarvan nog een groot deel moet verramsjt worden. Ach, wat zit ik toch te zeggen. Het gros van de mensen die dergelijke onzin aanhangt leest zelf nooit een boek.

Read Full Post »

Lanoye en ik, het is een moeilijk huwelijk. ‘Kartonnen Dozen’ heb ik vele jaren terug erg graag gelezen, maar de trilogie ‘Het Goddelijke Monster’ was voor mij een afknapper van formaat. Veel te grotesk en het verhaal kon me echt niet bekoren. Maar volgens mijn eigen moeder was ‘Sprakeloos’, het boek dat Lanoye schreef voor zijn overleden moeder, wel goed. Ik zag ‘Sprakeloos’ op een goede dag in de bibliotheek liggen, en heb het meegenomen. Het heeft me alleszins niet gespeten.

‘Sprakeloos’ begint nochtans erg langdradig, met een aanloop die eindeloos lang lijkt. Het verhaal van het verhaal, zo luidt de ondertitel van het eerste deel. Daarin beschrijft Lanoye gedurende 60 pagina’s hoe moeilijk dit boek tot stand is gekomen, hoe hij het schrijven ervan steeds weer uitstelt, de confrontatie met wie zijn moeder was niet aandurft. Op het moment dat Lanoye er dan eindelijk een gedacht van maakt, volgt een tweede klap: ook zijn vader overlijdt. Reden genoeg voor Tom om nog een paar tiental bladzijden verder te lameren, maar goed.

Eens de lezer op pagina 75 is aangekomen begint het echte werk. Door middel van sappige familie-anekdotes wekt Lanoye zijn moeder terug tot leven en schetst hij een realistisch portret van de mater familias die zijn moeder was. Slagersvrouw (al dan niet met een brilletje), moeder van vijf kinderen, maar vooral een overweldigende persoonlijkheid. Zij leidt haar zaak, haar man en kinderen met ijzeren hand en schuwt geen enkel middel om haar willetje door te drijven. Josée Verbeken speelt toneel, zowel op als naast de scène. Ze is de diva van het plaatselijke amateurtoneel, maar triomfeert ook als oervlaamse middenstandster en deinst er niet voor terug om vriend en vijand naar haar hand te zetten door te manipuleren, te dreigen, te slaan en tegelijkertijd te zalven. Haar man, het prototype van de zwijgzame, hardwerkende Vlaming blijft op de achtergrond, maar komt toch sterk uit de hoek op cruciale momenten.

Twee jaar voor haar eigenlijke sterven, wordt het einde voor Josée Verbeken ingeluidt door een beroerte die haar van haar spraak berooft. Lanoye kan niet genoeg benadrukken hoe onrechtvaardig dit einde is voor een vrouw die haar hele leven uit taal en al haar registers heeft opgebouwd. Ongenadig, maar ook liefdevol beschrijft hij het verdere aftakelen van zijn moeder, de vrouw die voor hem, zijn broers en zijn vader zo lang het middelpunt van het gezin vormde.

Sprakeloos is een fijne, fragmentaire familiekroniek, alhoewel Lanoye het waarschijnlijk niet zo heeft bedoeld. Het barokke taalgebruik dat Lanoye in zijn latere werken zo begint te kenmerken, komt hier goed tot zijn recht. Door het verhaal van zijn moeder weten we nu ook waar die voorliefde voor overdrijving en theatraliteit uit voorkomt … Het is de taal van zijn moeder, ook wel moedertaal genoemd.

Read Full Post »

Soms wil ik literatuurgewijs wel eens ontsnappen aan het almachtige overwicht van Amerikaanse of op zijn minst Engelstalige schrijvers door bewust op zoek te gaan naar iets anders. Het lijkt wel alsof er tegenwoordig niets meer wordt geschreven in (en vertaald uit) het Frans of het Duits. Zo kwam het dus dat ik in de bibliotheek nog eens een boek van Maalouf naar huis meenam, en het is me geweldig bevallen.

Maalouf werd geboren in 1949 in Libanon. Zijn moeder is katholiek, zijn vader protestant en dat allemaal in een land waar vooral moslims leven. Niet te verwonderen dus dat ‘identiteit’ één van de geliefkoosde thema’s is van Maalouf en dat hij er op dat vlak een genuanceerd standpunt op nahoudt. Van opleiding is hij economist en socioloog, en hij heeft lang als journalist gewerkt alvorens zich volledig op het schrijven toe te leggen. Hij schrijft vooral historische romans, die de lezer een inzicht proberen te verschaffen in het complexe verleden van het Midden-Oosten.

‘De omzwervingen van Baldassare’ met als ondertitel: 1666 – Het jaar van de Antichrist, is geschreven in dagboekvorm. Baldassare Embracio is een handelaar in ‘boeken en curiosa’ in Libanon gevestigd, maar van Genuese afkomst (en dus katholiek). De Embriaci’s genieten in dat deel van de wereld aanzien en faam, en hadden vroeger de heerlijkheid Gibelet in handen. In het jaar 1665 heerst in Libanon (en in de rest van de regio) een precair evenwicht tussen de verschillende godsdiensten en de daaraan gekoppelde politieke machten. Nochtans dient het jaar 1666 zich bijna aan, en dat is goed voor allerlei voorspellingen over het einde van de wereld, verhitte discussies tussen believers en non-believers en de komst van valse Messiassen.

Baldassare weet niet goed wat hij moet denken: als intellectueel van zijn tijd heeft hij het niet zo begrepen op bijgeloof, maar op sommige momenten voelt hij zich meegesleept worden door de massahysterie en vraagt hij zich vertwijfeld af of allerlei vreemde gebeurtenissen toch geen voorteken zouden kunnen zijn van een naderende apocalyps. Het boek begint dus in Libanon, waar Baldassare per toeval een zeldzaam boek in handen krijgt dat de honderste naam van Allah zou onthullen en de bezitter ervan dus als een talisman zou beschermen tegen allerlei onheil. Nog voor hij het boek heeft kunnen inkijken ontglipt het hem, en op aandringen van zijn neven reist hij het achterna. De omzwervingen brengen de lezer (en Baldassare dus) achtereenvolgens in Constantinopel, Smyrna, het eiland Chyos, Genua, Amsterdam, Londen om tenslotte terug te eindigen in Genua.
Onderweg is Baldassare getuige van allerlei historische gebeurtenissen (de Grote Brand in London, bijvoorbeeld), alhoewel zijn persoonlijke leven (de zoektocht naar het boek en een liefdesgeschiedenis) hem verder stuwen.

Met ‘De omzwervingen van Baldassare’ bevestigt Maalouf in elk geval zijn reputatie als kenner van de geschiedenis van het Midden-Oosten. Bovendien is hij een begenadigd verhalenverteller die de lezer geboeid weet mee te voeren op deze roadtrip van de Nieuwe Tijden.

Read Full Post »

Tijdens de volgende editie van Uitgelezen komt de Audiofilm die van Lanoyes ‘Het Derde Huwelijk’ aan bod. Een Audiofilm is eigenlijk een duur woord voor wat men vroeger een ‘hoorspel’ noemde. Volgens de achterflap: “Meer dan bij film wordt de verbeelding van de luisteraar geprikkeld, enkel door middel van geluid: tekst, muziek en geluidseffecten worden slim gemonteerd tot een gelaagd geheel. De beste acteurs vertolken de personages”. Wel ja, een hoorspel dus. Het verschil met een audioboek is dus voornamelijk te zoeken in het feit dat het ene (audioboek dus) niet meer of niet minder is dan het voorlezen van het boek van begin tot einde. Een Audiofilm is dan een bewerking van een boek, en bevat niet de hele en ook niet de letterlijke tekst.

Ik ben eigenlijk blij dat het genre ‘hoorspel’ terug aan een opmars bezig is. Zeker voor kinderen zijn er al erg veel leuke CD’s op de markt met liedjes en verhaaltjes (Kapitein Winokkio, De Vlo en de Professor, …). Ideaal voor vervelende autoritten en stimulerender voor de verbeelding dan T.V. Voor volwassenen is er nog niet zo’n groot aanbod, al maakt de achterflap wel gewag van nog een aantal andere producties.

Zij die mij kennen, weten ondertussen dat ik – om vriendelijk te blijven – geen grote fan ben van het werk van Lanoye. Zeker de trilogie ‘Het Goddelijke Monster’ is mij danig misvallen. Het burleske en groteske van het verhaal deden mij meer de wenkbrauwen fronsen dan dat ik mij liet meeslepen door het verhaal.

Het was dus met een flinke dosis terughoudendheid dat ik aan de Audiofilm van ‘Het Derde Huwelijk’ ben begonnen. Het ‘gewone’ boek heb ik nog niet gelezen, en ik weet eigenlijk niet goed of dat een voordeel of een nadeel is. Ik werd in elk geval niet gehinderd door bemerkingen à la ‘in het boek was dat toch anders?’. Ik kon er dus aan beginnen met de onschuld van een pasgeboren lammetje in mei. Nadeel is natuurlijk dat je niets hebt om mee te vergelijken, maar dat is ook niet strikt noodzakelijk.

De verhaallijn van ‘Het Derde Huwelijk’ is ondertussen genoegzaam bekend: Maarten Sebrechts is een oude, zieke homo die het voorstel krijgt een schijnhuwelijk aan te gaan met een jonge, Afrikaanse schoonheid. Na enig aarzelen gaat hij daarop in, niet wetend dat de komst van deze jonge zwarte dame zijn leven drastisch zal veranderen.

De hoofdrol in deze audiofilm, namelijk die van Maarten Sebrechts, wordt gespeeld door Frank Focketeyn. Het moet gezegd dat hij dat met verve doet. Alhoewel: ‘verve’ is misschien toch niet het juiste woord voor de onderkoelde, lijzige stijl waarmee hij Maarten Sebrechts tot leven brengt. Geloofwaardig is waarschijnlijk correcter. Je ziet hem zo voor je, die oude, afgeleefde nicht die sinds de dood van zijn grote liefde niet veel anders meer doet dan eenzaam zijn eigen einde afwachten.

Een vroege conclusie is wel dat Focketeyn hier de meubels redt, de meeste van zijn medespelers vallen erg licht uit en slagen er niet om hun personage waarachtig en doorleefd te spelen. Axel Daeseleire als Vandessel, die Sebrechts betaalt om in het huwelijk te treden om dan zelf met Tamara te kunnen samenhokken speelt te overdreven en te weinig genuanceerd. Uiteindelijk blijft het beeld van Daeseleire met de vettige gelkop en een lederen broek te dominant. (Nu ja, bij mij althans. En nee: dat is in mijn beleving geen erotiserend beeld).

De rol van Tamara wordt vertolkt door ene Chika Unigwe. Het schoentje wringt vooral bij het accent. Ik weet niet of het met opzet is, maar Tamara spreekt dus een soort Nederlands met een Engelse tongval. Dat hoeft niet noodzakelijk een slechte zaak te zijn, maar het is altijd raar om te moeten constateren dat mensen die het Nederlands niet helemaal machtig zijn, zich dan wel kunnen bedienen van spreekwoorden en idiomen die zeer specifiek zijn. (Oewaar een oewil is, is een oeweg hé, zegt ze op een bepaald moment. Bij mij werkt dat niet). Ook de twee seksscènes die ze neerzet, werken op de lachspieren en missen echt wel elke geloofwaardigheid).

Tom Van Dyck is de regisseur van deze audiofilm en laat eigenlijk Lanoye volledig tot zijn recht komen: groteske kolder dus. Een pastoor met een West-Vlaamse tongval. Haha. Er zullen in elk geval liefhebbers zijn van het genre, en zij zullen zich amuseren ook.

Ik vrees wel dat ik ten eerste geen liefhebber ben van Lanoye en ten tweede de voorkeur zal blijven geven aan het ‘echte’ boek.

Read Full Post »

Deze week in Humo een interview met Dimitri Verhulst over zijn nieuwe boek:de laatste liefde van mijn moeder. Op zich ben ik geen grote fan van de schrijfkunsten van Verhulst. Op zijn best vind ik hem een schrijver die iets boven de middelmaat uitstijgt, en dan nog. Dat neemt niet weg dat hij wel sympathieke kerel is (of lijkt althans, de keren dat ik hem al hoorde of zag op radio of TV). In het interview in kwestie schuwt hij ook de zelfkritiek niet. Hij geeft bijvoorbeeld toe dat ‘De helaasheid’ gewoon twee hoofdstukken te lang is, waar hij gelijk in heeft. De miskleun & humo-vehikel ‘Godverdomse dagen’ noemt de interviewer dan weer een bravourestuk, terwijl dat ding eigenlijk nooit aan de drukpersen had mogen toevertrouwd worden, maar goed.

Grote aandachttrekker is natuurlijk de vette quote: een vrouw heeft het recht om te zeggen: ik hou niet meer van mijn kind. Het feit dat Verhulst zelf op jonge leeftijd door zijn moeder werd achtergelaten speelt natuurlijk een rol in dit controversiële standpunt. Zelf heeft hij ook al meermaals duidelijk gemaakt dat hij het moeilijk had (heeft?) met zijn eigen kind, waarvan hij hoopte dat het dood geboren zou worden.

Liefde laat zich niet dwingen natuurlijk, ook de moederliefde niet (net zomin als die van de vader). Maar opvoeding en liefde zijn twee verschillende zaken, Dimitri. Het is niet omdat een ouder(paar) het moeilijk heeft met de opvoeding van hun kinderen dat daarom ook de liefde ontbreekt. Natuurlijk heeft een ouder het recht om te zeggen dat hij/zij niet meer van zijn/haar kinderen houdt, maar moet daarom direct dat kind de deur uitgestampt worden met alle gevolgen vandien? Er zijn toch tussenoplossingen mogelijk, zoals allerlei gezinsondersteunende maatregelen en dies meer. En de mythe van de moederliefde is sowieso al geen gemeengoed meer: er bestaat genoeg literatuur over zwangerschap & geboorte waarin de aanstaande moeders gewaarschuwd worden voor het sprookje van de allesomvattende golf van moederliefde die een vrouw zou overspoelen eens ze haar pasgeborene aan de borst legt.

Een beetje verder komt de macho in Dimitri naar boven (die zal weliswaar goed verscholen zitten onder de gesuikerde romantische visie op liefdesrelaties die hij aanhangt. Zie daarvoor eerdere interviews in Humo & Mevrouw Verona waar de liefde Totaal & Eeuwigdurend is). Zijn vrouw wordt door de bezoekjes van Verhulst jr. eens in de 14 dagen steeds weer geconfronteerd met het seksleven van Verhulst sr. voor zijn vrouw zijn vrouw was. Hijzelf kan natuurlijk de ilusie ophouden van een maagdelijke bruid die niet door anderen werd bevlekt omdat zij nog geen kinderen had uit een vorige relatie. Ik vind dat een vrij bizarre visie. Alsof kinderen te reduceren zijn tot het resultaat van een copulatie waar je zelf niet bij was.

Read Full Post »

Uitgelezen: Belle de Jour.

Om direct alle mogelijke verwarring in de kiem te smoren: ik heb het hier niet over de schandaalfilm van Bunuel (met mijn excuses voor het ontbreken van de tilde op de n) uit 1967 met een heerlijke Cathérine Deneuve, maar wel over het boek ‘de intieme avonturen van een call girl in Londen’. Ik moet dat ooit eens opgepikt hebben voor geen geld (enfin, dat hoop ik toch) op een megaverkoop van Boekenfestijn.

Het verhaal van de Londonse Belle de Jour is ondertussen genoegzaam bekend: escortemeisje begint blog, trekt algauw duizenden bezoekers, schrijft een boek (en nog één en nog één en nog één …), wordt verfilmd en wordt uiteindelijk ontmaskerd. De initiële charme van Belle de Jour is blijkbaar te vinden in de openhartige en humoristische manier waarop deze luxeprostituée over zichzelf en haar klanten schrijft.

Ik heb enkel haar eerste boek gelezen (en dus niet haar blog) en ik kan daar eigenlijk redelijk kort over zijn: it’s boring like hell. Het is zoals kijken naar de softporno op VT4 de zaterdagavond. Onwaarschijnlijk spannend als je 14 of zo bent, maar redelijk belachelijk eens je wat ouder wordt. Ontboezemingen over seks met klanten worden afgewisseld met warrige stukjes over haar persoonlijke leven en beschrijvingen van de lingerie die ze zich maniakaal aanschaft.

Dat Belle de Jour zo mainstream is geworden heeft natuurlijk ook te maken met het volstrekt ongevaarlijke en zeemzoete beeld dat ze ophangt van haar beroep. Jonge, intelligente, hoogopgeleide, mooie vrouw die volkomen vrijwillig en met volle goesting de prostitutie instapt omdat ze het beu is na het behalen van haar diploma zonder geld te zitten en afgewezen te worden op sollicitaties voor dwaze administratieve functies is uiteraard bepaald atypisch voor deze branche. Klanten hebben soms rare verzoeknummers (in haar ‘persoonlijke’ seksleven gaat het er heel wat ruiger aan toe), maar blijven zonder uitzondering braaf, lief en vriendelijk. Ze geven dikke fooien en maken complimentjes. Op een paar zinnetjes na geen woord te vinden over de gevaren van een dergelijke job. Als een mens niet beter wist, hij zou denken dat het hier gaat om een goed uitgekiende wervings- of imagocampagne van de firma Pimps & Co.

Het boek is dus vooral een aanrader voor hoerenlopers die hun hobby verder willen blijven uitoefenen zonder last te hebben van schuldgevoelens.

Read Full Post »

Older Posts »

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.508 other followers