Deze week zei een jonge vrouw tegen me: ‘Mijn leven is één grote, latente paniekaanval’. Ik heb weet van andere jonge mensen die Xanax nemen om hun angsten de baas te kunnen. Het verbaast me telkens weer, omdat net zij alles binnen handbereik lijken te hebben. Ze zijn vaak hoog opgeleid, in het bezit van één of meerdere masters waarvan ik niet wist dat ze bestonden. Daarnaast zijn ze quasi zonder uitzondering creatief; ze tekenen, schilderen, dansen, schrijven, dichten. Opgegroeid in het digitale tijdperk, smartphones altijd in de hand. Jobs in de media of marketing, of onderzoek aan een binnenlandse of buitenlandse universiteit. Het lijkt alsof het hen nergens aan ontbreekt, alsof ze alles hebben. En toch zijn ze in de greep van angsten en depressies.
Het is een publiek geheim dat wij Belgen in Europa koplopers in het gebruik van antidepressiva. Zelfmoord is in dit land de eerste doodsoorzaak bij mannen tussen 30 en 50 jaar en bij vrouwen tussen 20 en 40 jaar.
We doen aan preventie en sensibilisering als het gaat over doden in het verkeer, we zamelen massaal geld in om het onderzoek tegen kanker en HIV een duwtje in de rug te geven. Maar over de epidemie van angst, depressie, burn-out en andere veel voorkomende geestelijke problemen die jaarlijks vele slachtoffers eist zwijgen we in alle talen.
Ik vroeg aan de vrouw die haar leven beschreef als één lange patente paniekaanval wat ze zag als oorzaak van die onrust. ‘Denken dat je verschillende dingen tegelijk kan doen, en liefst tegelijkertijd. Noem het multitasking. Noem het leven in het nu.’, was haar antwoord.
Ik moest denken aan wat Paul Verhaeghe zegt in zijn boek ‘Identiteit’ dat vorig jaar verscheen, en waar hij – als één van de weinigen – de kat de bel durft aanbinden. Hij wijst op de grote paradox: onze samenleving is nog nooit zo veilig geweest als nu, en toch lijken we met zijn allen meer en meer in de ban van de angst. Angst om niet goed genoeg bevonden te worden, bang voor het oordeel van de ander.
Verhaeghe heeft het verder ook over wat hij de vernietigende invloed noemt van onze meritocratie. Het lijkt alsof succes in het leven enkel en alleen afhangt van een individuele keuze. Alsof sociale afkomst en het milieu waarin iemand opgroeit van geen tel meer zijn. Dat succes wordt dan ook nog eens in de eerste plaats afgemeten aan geld en de sociale status die iemand bereikt. Met welke auto men rijdt, of we het laatste nieuwe model telefoon hebben, welke reizen we maken en of er ‘manager’ op ons visitekaartje staat. Onze kinderen moeten hippe hobby’s beoefenen en hoogbegaafd zijn. Geen wonder dat de één na de ander afhaakt in deze doldwaze wedloop naar meer geld en meer succes, al dan niet onder invloed van een uitgeputte geest in een even uitgeput lichaam.
Praten doen we er niet of nauwelijks over. Weet u wie van uw vrienden, kennissen of collega’s pillen slikt om overeind te blijven? Wie van hen elke week bij de therapeut op sofa zijn hart en ziel uitstort en poogt om in deze gefragmenteerde wereld waar ‘echt’ contact zeldzaam is terug zijn of haar plaats te vinden? Waarschijnlijk niet, want op een enkeling na wil men met zijn of haar angsten of depressie niet te koop lopen. Het is nog altijd een teken van zwakte in de ogen van velen.
Wanneer komen we eindelijk op voor meer geld en dus hulp voor hen die lijden? Wanneer vinden we het eindelijk genoeg en zorgen we voor breed opgezette preventie- en sensibiliseringscampagnes om vroegtijdig signalen op te vangen en het aantal zelfmoorden terug te dringen?
Hoe lang zullen we nog morsen met het talent van jonge mensen die deze maalstroom niet langer aan kunnen?
In De Standaard: Trots op de gym, beschaamd om de therapeut.
Via Tales from the Crib (blog) – Beside the Ditch (blog)
Paul Verhaeghe over ‘Identiteit’ in NRC.








