Ik denk aan u. Soms. Geregeld. Ik stel mij dan voor hoe ge helemaal alleen zit, in uw klein appartementje. Een bruine sofa, een overvolle asbak. Een half opgegeten diepvriesmaaltijd, het toilet dat immer smerig is. Het is alsof ge nog altijd op kot zit, maar we zijn al twintig jaren verder.
Gij denkt nog altijd dat ik u niet ken, of dat gij voor mij iemand anders moet zijn. Als ik u nog eens hoor of zie, een zeldzame keer, vertelt ge mij over alle dingen die nog te gebeuren staan. Dan probeert ge een man te zijn die ambities heeft, terwijl het wilde dromen zijn. Gij neemt wat stoepkrijt en ge tekent mij een luchtkasteel of twee. Dan ziet ge ineens wel het goud van de zon of het groen van blad, en ge laat u verblinden door het rood van mijn mond. Hier gaan wij wonen, zegt ge mij dan en ge neemt mijn hand en ge laat niet meer los. ‘t Is waar, ‘t is echt waar, pruilt ge op het moment dat ge mijn blik ziet, en mijn halve glimlach. Ik geloof u niet, en ik kan niet doen van wel.
Ik zie de roos en gij wijst mij haar doornen aan. En ge zucht en ge toont mij alles wat niet van u is, maar dat had moeten zijn. Gij leeft in de voorwaardelijke wijs. Ge leeft in de roes van goedkope drank die ge schielijk in de nachtwinkel koopt en die uw angsten voedt. Ge drinkt tot ge kwijlend en huilend als een dier over uw stinkend tapijt rolt. Ge durft uw buren niet meer onder ogen komen, en als ge wakker wordt dan beven uw handen zo erg dat ge uw sigaret niet aangestoken krijgt. En als ge uzelf per ongeluk tegenkomt in de spiegel, slaat ge beschaamd uw ogen neer.
Gij denkt dat ik niet weet dat gij zo leeft. Gij denkt dat als ik dat zou weten, ik mij walgend zou omdraaien. Gij zijt daarin verkeerd.
Ik ken er ook zo’n paar. En meestal is het zelfs hun fout niet dat ze in zo’n sukkelstraatje zijn terechtgekomen, alhoewel het zo niet lijkt naar de buitenwereld toe. Een beetje compassie hebben ze zeker verdiend. Schoon geschreven van u!
Dankjewel …