Een tijdje terug ben ik zoals u hier kunt lezen naar de film geweest. Voor die begon gaf Patrick Duynslaegher een inleiding, situeerde de thematiek van de film binnen het algemene oeuvre van de auteur en wees op een aantal elementen waar men op zou kunnen letten, zoals de tegenstellingen tussen licht en donker of de camera die gebruikt werd. Zo’n duiding voor je begint aan film beïnvloedt natuurlijk de manier waarop je kijkt.
Duynslaegher een filmkenner noemen is een understatement. Sinds vorig jaar heeft hij het hoofdredacteurschap van Knack Focus ingeleverd om directeur te spelen van het Filmfestival Gent. De man is in zijn vakgebied een autoriteit, zelfs al heeft hij nooit zelf een film geregisseerd. Als Patrick (ik mag toch Patrick zeggen hé, Mijnheer Duynslaegher?) zegt dat ‘Des Filles en Noir’ een meesterlijke film is, dan gaan mijn oortjes flapperen en wil ik die film zien. Niet omdat ik dan plotseling mijn hele kritische ingesteldheid overboord heb gegooid, maar omdat ik weet dat Patrick enorm veel ervaring heeft in het bekijken en beoordelen van films. De kans is dus erg groot, dat als ik naar een film ga kijken die door Duynslaegher wordt aanbevolen, ik dat op zijn minst een interessante film zal vinden. Achteraf zal ik wel zien in welke mate ik het met hem eens ben, of niet.
Daar waar er vroeger waarschijnlijk veel te veel belang werd gehecht aan de autoriteit van critici, leraren of andere mensen in een soort gezagsfunctie zal wel kloppen. Maar op dit moment lijkt me de slinger een beetje te veel doorgeslaan naar de andere kant. Driftig wordt in elk argument naar het aspect ‘autoriteit’ gezocht, om het op die basis dan te kunnen afwijzen. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de discussie op de blog van Jan Pollet, die je hier kunt lezen.
Subjectieve appreciatie.
Of het nu over film, literatuur, muziek, beeldende kunsten of weet ik veel welke kunstvorm jouw voorkeur wegdraagt: laat je in de eerste plaats leiden door wat je graag leest, hoort of ziet. Vind je ‘Oorlog en Vrede’ van Tolstoi saai en langdradig? Smijt het boek weg, zet het ergens in een boekenkast in een donkere kelder en kijk er nooit meer naar om voor mijn part. Je kunt het ook naar de Kringloopwinkel brengen of het op een zomerse middag achterlaten op een bankje in het park, zodat iemand anders er ook nog iets aan heeft.
Ik zal je geen minder mens vinden omdat je enkel luistert naar Frans Bauer en je Russische freejazz uit Moermansk maar niets vindt. Nu ja, dat is misschien wat overdreven: ik ken eigenlijk geen mensen die hevig fan zijn van Bauer, en ik zou het waarschijnlijk wel bevreemdend vinden om die plots in mijn vriendenkring aan te treffen. Maar serieus: als Frans je blij maakt, dan ben ik – echt waar – blij voor jou.
Appreciatie hangt ook af van associaties: een ‘gedicht’ dat speciaal voor jou werd geschreven door een lief met literaire ambities kun je mooi vinden ook al trekt het objectief gezien nergens op.
Objectieve criteria.
Wie heeft in zijn jonge jaren niet gewenst dat hij een leraar had zoals Robin Williams er één neerzet in Dead Poet’s Society? Het gaat in tegen ons instinct en ons buikgevoel om kunst ‘punten’ te geven of te beoordelen volgens criteria die net iets objectiever zijn dan ‘ik vind dat mooi/schoon/leuk’. Versta me niet verkeerd, ik wil bijlange na niet aan de slag met X- en Y-assen, zoals in het fragment hé. Wat Williams doet in Dead Poets Society lijkt me trouwens de juiste weg te zijn: eerst die jongeheren de magie van poëzie laten ontdekken, zonder meer. En ze daarna laten nadenken over waarom ze dat mooi vinden. Zonder twijfel komen ze dan uit bij zaken zoals rijm, metrum, thema, beeldspraak, symboliek, ….
Objectief + subjectief.
De combinatie van objectieve factoren en subjectieve appreciatie maakt de weg vrij voor inhoudelijke discussies die het niveau van ‘ik vind dat mooi’ versus ‘ik vind dat lelijk’ overstijgen. Misschien gebeurt het zelfs dat je je appreciatie gaat bijstellen, of dat je een boek nog eens gaat lezen op zoek naar betekenislagen die je voorheen ontsnapten.
Het introduceren van een aantal objectieve criteria leidt volgens mij ook een verhoogd begrip en diepere inzichten. Al was het maar omdat je begint na te denken over beeldspraak, symboliek, kleur, personages … Wie blijft steken in de mooi-lelijk dichotomie die maakt het zichzelf wel erg makkelijk.
Autoriteit.
Wie begint met sporten, die zal zich eerst informeren: welke schoenen koop ik het best, wat moet ik eten of drinken om beter te presteren, welke route volg ik het best? Ook kunst in al zijn vormen appreciëren is een leerproces. Men evolueert, stelt de eigen smaak bij, gaat op zoek naar nieuwe dingen.
Dat er af en toe van ‘autoriteit’ gebruik gemaakt wordt, lijkt me niet meer dan normaal. Hoe anders dan door ‘autoriteit’ zal de gemiddelde 17-jarige anders ooit pakweg Couperus ontdekken en eventueel leren smaken?

Onlangs werd ik in Tinnenpot door een groep mooie moslimvrouwen met hoofddoek aangesproken om een petitie te ondertekenen.