Het zal de meeste normale mensen een beetje ontgaan zijn, maar er woedt de laatste weken een verwoed debat onder dichters op het internet. Enfin, debat …
Eigenlijk is het vooral een partijtje ouderwets scheldwoordslingeren voor geletterden. Ook de literaire klasse wil zijn brood & spelen, en kijkt verkneukeld toe hoe de antagonisten elkaar als gladiatoren bekampen in de arena. De enige regel is dat er geen regels zijn: er wordt onder de gordel geslagen en de ene speler probeert de andere tot een Zidane-achtige kopstoot te verleiden door voortdurend te sissen ‘uw moeder is een hoer’.
Wie dacht dat poëten keurige mensen waren met respect voor elkaar en het métier, die is er aan voor de moeite. Wie graag wil delen in de pret: neem een kijkje op de websites van Ann De Craemer, Alphavillle en De Contrabas.
De inzet van de euhm, geanimeerde discussie is de vraag waarom poëzie niet of niet meer verkoopt. Wie het weet, die mag het zeggen.
Ik heb aan heel veel dingen een milde tot een meer uitgesproken hekel, maar slechte poëzie, dat werkt bij mij als een rode lap op een stier. En, voorwaar ik zeg het u! (opgeheven wijsvinger & priemende blik!): op internet wemelt het werkelijk van onstellend slechte poëzie. Ik word daar dus echt agressief van en die woede werk ik dan weer uit op onschuldige mensen in mijn omgeving die daar door getraumatiseerd zijn. ‘k Zweer het u maat, poëzie van ondermaatse kwaliteit is slecht voor mijn gezondheid. En weer zijn het de dilettanten (zie ook mijn vorige stukje) die de grote schuldigen zijn.
Eenvoud is bedrieglijk.
Poëzie heeft een imagoprobleem. Omdat de meeste gedichten vrij kort zijn en door de letterzetting betrekkelijk weinig woorden bevatten lijkt het ontzettend makkelijk. Je prutst wat zinnen in elkaar, je gebruikt je entertoets iets vaker dan je normaal zou doen en hop! daar staat een gedicht. Of zo denkt men er toch over, gezien het grote aantal gedrochten ik overal onder de ogen krijg. Als je dan aan zo’n bricoleur vraagt wie zijn lievelingsdichter is, en welke poëzie hij al allemaal zelf heeft gelezen, dan volgt er meestal zo’n genante stilte. Hobby-poëten, die lezen zelf geen andere gedichten, wat nochtans een conditio sine qua non is om goede poëzie te kunnen schrijven. De schrijver leest, zo simpel is het.
Kijk eens naar mijn navel!
Ann De Craemer beweert in haar column die het vuur aan de lont stak, dat poëzie een deel van haar relevantie is verloren omdat ze zich vooral focust op het innerlijke leven van de schrijvers ervan (ik parafraseer). Ik ben het daar in grote lijnen mee eens. Misschien dat het voor aanstormende jonge generaties terug verandert, maar voor de bezadigde baasjes van generatie X is engagement een redelijk vies woord. Men zoekt dus naar universaliteit binnen het scala van de eigen emotionele beleving. Daar is niets mis mee, en op zich leent poëzie zich daar uitstekend toe, maar het gevaar bestaat dat de zoveelste variatie op hetzelfde thema op een bepaald moment een beetje afgezaagd begint te klinken.

Deze foto van Red Deer is beschikbaar gesteld door TripAdvisor
De allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, dat is waar poëzie op dit moment vooral voor dient. Geen wonder dus, dat in tijden waarin de individualiteit hoogtij viert, men niet meer het gevoel heeft dat zelfs een kort gedicht hard werken is. Dat het wortels moet hebben in wat voorbij is, of dat het anders totaal moet breken met elke mogelijke andere stijl. Het gaat immers om MIJN GEVOEL, mevrouwtje. En als ik het zo voel, dan is het ook juist en goed, niet waar?
Niet dus.
Een goed gedicht.
Een goed gedicht steunt in de eerste plaats op de peilers: ritme & metrum (en daar gebruikt de dichter technieken voor zoals alliteraties, herhalingen, binnenrijmen, ….) en de treffende en/of verrassende metaforen en symbolen. Goede poëzie probeert zich te onttrekken aan de letterlijkheid van beschrijvend proza. Men zoekt naar meerdere betekenislagen.
En nogmaals: of je een gedicht dat aan bovenstaande kenmerken voldoet, apprecieert of niet, dat is persoonlijk en subjectief. En ja, als je lief je een melig gedichtje stuurt om te zeggen dat hij je graag ziet, dan mag je gerust smelten. Maar doe het alstublieft in stilte, en houd die onzin alstublieft van mijn internet.

[...] Croy heeft er zo haar eigen persoonlijke mening over. Lees verder op haar website waar de volgende waarschuwing te lezen [...]
Gaf mijn leerlingen de opdracht hun gemeente virtueel van gedichten te voorzien; “op interessante plaatsen een mooi gedicht van literair niveau, ga dus kijken in dichtbundels jongens, want op het internet staat zo’n hoop rommel”. Wat denk je? Alle “gedichten” die ze kozen, kwamen van het internet, ” wel zo makkelijk mevrouw en toch ook héél mooi hé?”. Mooi? Draken waren het. Met hopen spelfouten bovendien. Natuurlijk moet smaak en stijl zich ontwikkelen, ik kan niet van elke zeventienjarige verwachten dat hij literatuurcriticus is. Maar toch een paar uur tenenkrullende ergernis moeten uitzitten.Volgend jaar een enigszins “aangepaste” opdracht. Denk ik toch…
*smul*
En wat een treurig feest van herkenning bij bovenstaande reactie, waarbij leerlingen een gedicht zoeken door een thema in te tikken en als om het even welk hoopje woorden dat thema bevat, dan is het een gedicht. Vooral als het rijmt.
*huil*