Ook wanneer ik een spiegelei eet. Ik vraag me af hoe ik het oranje van de druipende eierdooier kan omschrijven. Een banale vergelijking met de zon dringt zich op, maar wordt verticaal geklasseerd wegens te cliché. Op de tram luistervink ik, en probeer de dialogen in mijn brein op te slaan, zodat ik ze later nog eens kan reproduceren. Alles wat hoor, alles wat ik zie, alles wat ik meemaak wordt in mijn hoofd onmiddellijk omgezet in taal, in flarden van zinnen, in goed verwoorde spitsvondigheden. Ik ben de verbale fotograaf. Wat ik in woorden omzet, probeert een muzikant in een lied te vangen. Om een werkelijke artiest, een kunstenaar te zijn heb je niet veel meer nodig dan een goed ontwikkeld observatievermogen, een buitensporige gevoeligheid en tegelijkertijd het doorzettingsvermogen om je blijvend laten raken door de dingen. Verder helpen dwangmatigheid en een ongebreidelde drang naar perfectie. Van al die dingen is de kwetsbaarheid de belangrijkste. Een echte kunstenaar, de werkelijke artiest blijft altijd bereid om zich tot in het diepste van zijn ziel te laten verwonden, omdat hij weet dat uit deze kwetsuren de mooiste creaties ontstaan. Dat is de werkelijke opoffering van wie kunst maakt. De vastbeslotenheid om op je bek te gaan, keer op keer op keer. De wil om door het stof te kruipen, plat op de buik in dienst van de muze, die wrede Meesteres. Niets dat Kunst genoemd kan worden komt tot leven zonder dat iemand heeft geleden, bijna tot gekmakens toe. Wie werkelijke Kunst wil maken, moet zichzelf afvragen of hij bereid is de waanzin te omhelzen die altijd om de hoek loert. Wie zichzelf waarlijk tot het artiestengild wil rekenen, moet volmondig ja willen antwoorden op de vraag of je bereid bent om voor je kunst ten onder te gaan. Al de rest is bijzaak.
Ik hoor vandaag Jan Hautekiet aan Willem Vermandere vragen of hij één of ander debiel TV-programma kent. ‘Nee’, zegt Willem. ‘Doordat ik hele dagen en nachten in mijn atelier zit te kappen, gaat veel van de wereld aan mij voorbij’. Of dat geen ‘gemis’ is, vraagt Hautekiet in alle ernst. Ik lach schamper. Hoe komt een mens op die vraag? Meer nog: hoe durf je zo’n debiele vraag stellen, eigenlijk? De eenzaamheid van nachtelijke uren werken, losgesneden van de wereld is nu eenmaal de opoffering die een beetje kunstenaar graag maakt. Hij zal het zelfs niet als een opoffering zien, eerder als een verlossing. Wie TV verkiest of nodig heeft is nu eenmaal geen artiest in de werkelijke zin van het woord. TV, mijnheer Hautekiet, is futiel en banaal.
Onlangs een onwezenlijke discussie op facebook. Dat het nu maar eens gedaan moet zijn met kleine kunstenaartjes of zij die daarvoor willen doorgaan te subsidiëren. Dat zij daar wel voor gaan werken hoor. En belastingen betalen, godbetert! En waarvoor? Om dat rapaille dat zichzelf artiest noemt te steunen, terwijl dat nacht na nacht aan de boemel gaat op zoek naar iets om over te schrijven, een gitaarrif of een beeld dat blijft hangen op het netvlies dat ze dan kunnen reproduceren. En dat zij ook wel eens zullen zeggen dat ze een dikke sportwagen nodig hebben, omdat dat Kunst is. Ha!
Dan wordt het economische argument aangehaald: dat ook die Kunstenaars en Artiesten onderworpen zijn aan de principes van de Heilige Vrije Markt. Dat ze publiek moeten zoeken en er maar voor moeten zorgen dat ze hun kunst of wat ze kunst noemen verkocht krijgen, zodat ze zichzelf kunnen onderhouden en de gemeenschap dat niet meer moet doen. En dat in een land waar een bestsellerauteur met moeite 10.000 exemplaren verkocht krijgt. Herman Brusselmans verkoopt geloof ik een boek of 30.000. De meeste boeken van Vlaamse auteurs worden gedrukt op 1.500 exemplaren, waarvan nog een groot deel moet verramsjt worden. Ach, wat zit ik toch te zeggen. Het gros van de mensen die dergelijke onzin aanhangt leest zelf nooit een boek.
