God, wat heb ik gedacht dat ik nooit meer op dit punt zou komen. Dat ik mij nooit meer zo ongelukkig zou hoeven te voelen. Dat ik voor de verandering nog eens het onderspit zou moeten delven in het spelletje dat psychische oorlogsvoering heet. Dat ik mijn mentale weerstand weer zou voelen wegglippen. Dat ik weer huilend inslaap en huilend wakker word. Ok, het is voor een groot stuk zelfmedelijden. Maar de balans die ik kan opmaken stelt op dit moment niet erg veel voor. Geen thuis, een onzekere job, en wat er op mijn bankrekening staat is ook al niet om over naar huis te schrijven. Het enige waar wat over te melden valt is de categorie ‘stommiteiten’. Daar grossier ik in.
Het doet me denken aan die koning uit de Griekse mythologie, die alles wat hij aanraakt in goud verandert. Zelfs zijn eten, zodat hij uiteindelijk sterft van de honger. Het is alsof alles wat ik aan durf te raken uiteindelijk desintegreert, verdwijnt, verpulvert terwijl ik het wanhopig probeer vast te houden. Daar alles voor wil doen, behalve de juiste dingen blijkbaar. De machteloosheid die ik voel. Het is alsof ik niets in mijn leven zelf bepaal, alsof ik een willoze lappenpop ben die van hier naar ginder wordt gegooid. Zwiep. Daar ga je. Zwiep. Nee toch niet. Zwiep, zwiep, zwiep, … en ja en amen knikken. Omgaan met de realiteit.
De dingen die ik zou moeten doen en uitstel. De vraag ‘waar heb ik dit aan verdiend’ die steeds luider in mijn hoofd weerklinkt, de grote onrechtvaardigheden die ik meen te ontwaren. Ik zou iets willen stukmaken, mijn hand klemmen rond een glas tot het breekt en mijn handen snijdt, bloed zien lopen langs mijn polsen. Ik zou willen slapen, dagenlang en wakker worden in een nieuw leven. De brute wreedheid die ik niet kan ontwijken. Breng ik dat in iemand naar boven en hoe dan wel? Waarom, vooral?